Robert Walser :: De Bediende

Hoewel Robert Walser voor zijn drie romans vooral uit zijn eigen leven putte, waren ze nooit zomaar autobiografisch. Steevast wist hij ze boven de autofictie uit te heffen tot een unieke wereld. Nergens wist hij dit beter te portretteren dan in zijn tweede roman 'De Bediende'.

In 1943 vertrouwde de Zwitserse schrijver Robert Walser aan zijn vriend en collega-schrijver Carl Seelig de reden toe dat hij als schrijver zo onbekend gebleven is: “Weet U waarom ik als schrijver niet veel bereikt heb? Ik zal het U zeggen: ik bezat te weinig maatschappelijk instinct. Ik heb ter wille van de maatschappij te weinig toneelgespeeld.” Op dat moment heeft Walser met wisselend succes vijftien werken gepubliceerd waaronder drie romans. Na de publicatie van zijn laatste roman Jakob von Gunten (1909) zette uitgever Bruno Cassirer de samenwerking stop en zou Walser de volgende tien jaar enkel nog een paar prozastukken en essays publiceren.

Nauwelijks een jaar na zijn eerste roman, Geschwisster Tanner (1907, in 2020 vertaald als De Tanners) verscheen al Der Gehülfe (1908, in 1987 vertaald door Jeroen Brouwers). Net als voor zijn twee andere romans geldt ook hier een sterk autobiografische inslag zonder dat meteen vermoed of gesteld mag worden dat Walser niet meer gedaan heeft dan een literair dagboek publiceren. In 1903 werkte hij inderdaad een zestal maanden voor de uitvinder/ingenieur Carl Dubler en woonde hij samen met Dublers vrouw Frieda en hun vier kinderen in Villa zum Abendstern. En het klopt ook dat hij als assistent van Dubler nooit een loon ontvangen heeft. Dubler ging kort na het vertrek van Walser failliet en zou in 1925 in de gevangenis sterven (hij was veroordeeld voor zwendel). Maar De Bediende is méér dan een nauwelijks verhuld portret van die periode.

Walser heeft immers het talent om van de waarheid fictie te maken en van de fictie waarheid. Op die manier komen zijn personages tot leven op een wijze die gelijk welke biografische beschrijving nooit zal evenaren. Zo staat hoofdpersonage Joseph Matti evenzeer wel als niet in voor Walser zelf, als het gezin Tobler voor Dubler. Het zorgde er niet alleen voor dat een inwoner van Wädenswil (het dorp waar Dubler woonde) alle personages en plekken herkende maar ook dat Walser moest verduidelijken dat de gevoelens die Joseph voor mevrouw Tobler koestert, niet meer zijn dan een literaire vrijheid die het verhaal mee vorm geven. Niet dat die verliefdheid overigens ooit ergens toe leidt of echt uitgesproken wordt, in De Bediende gebeurt schijnbaar niets, wat het jammerlijke einde des te schrijnender maakt met een Karl Tobler die zich door iedereen in de steek gelaten voelt maar net daardoor nog hardnekkigger blijft geloven in een overwinning.

De manier waarop Walser de ingenieur-uitvinder beschrijft is zonder meer indrukwekkend. Tobler verschijnt als een natuurkracht, een man die geen tijd heeft voor beuzelarijen en het dagelijkse leven omdat zijn blik steevast op de toekomst gericht is. Hij werkt aan verschillende uitvindingen maar de belangrijkste is toch de reclameklok, een klok die zoals de naam zelf zegt ook reclameboodschappen bevat. Tobler is ervan overtuigd dat zijn uitvindingen en octrooien hem rijk zullen maken en heeft dan ook zijn hele kapitaal erin geïnvesteerd. Hij is echter ook het vleesgeworden cliché van de zelfvoldane ondernemer die het eigen kunnen overschat. Boven alles heerst de schone schijn, die zich zowel vertaalt in de villa waar het gezin Tobler en Joseph wonen als in de feesten en diners die de Toblers geven. De glans en zelfverzekerdheid die van de ingenieur afstralen, leiden ertoe dat hij eindeloos op krediet kan leven en zo ook zichzelf voorliegen kan.

Ook Joseph krijgt geen loon uitbetaald, dat komt nog wel, maar hij krijgt kost en inwoon plus wat zakgeld dus daar mag alvast werk tegenover staan. Werk waarbij overigens continu sigaren gerookt (moeten) worden, nog zo een vreemde eigenschap van Tobler. De man die de rol van entrepreneur speelt maar het niet waarmaken kan. Overigens weet Joseph zich net zo min als een werknemer en secretaris te gedragen. Hij is een bediende, een loopjongen en manusje-van-alles die Tobler beschouwt als de principaal, een verouderd woord voor directeur/opdrachtgever. Joseph is een man van twaalf stielen en dertien ongelukken, een dromerige snoeshaan voor wie het pak van trouwe en kundige bediende even passend zit als dat van succesrijke kapitalist voor Tobler, net daarom lijken ze wel elkaar voorbestemd. En net daardoor vindt hij binnen het huishouden van de Toblers tijdelijk zijn plek als klankbord, observator, metgezel en medeplichtige.

Het verklaart ook de verhouding tot mevrouw Tobler, die net als haar man een karikatuur is. En waar haar man de brute kracht is die Joseph soms angst aanjaagt, dan is de vrouw het prototype van de gegoede burgerij. Ze lijkt geen enkele interesse te hebben noch ook maar over iets na te denken. In alles is ze wat een burgervrouw behoort te zijn, wat haar volgens Joseph ook het talent geeft alles aan te voelen zonder het te herkennen. Haar aanwezigheid en rol zijn noodzakelijk, al kan Joseph ze nooit echt duiden. De verhouding tussen hen beiden is al even vreemd en grillig als die met zijn werkgever/haar man. De ene keer gaan ze op vertrouwelijke, vriendschappelijke voet met elkaar om en dan gaapt er weer een kloof tussen hen in waarbij ze niet nalaat hem te wijzen op de verschillende rollen die ze in het gezin/bedrijf juist opnemen.

Walser heeft de roman in zes weken geschreven zonder enige revisie en dat is duidelijk te lezen. Verhaallijnen worden opgepikt en losgelaten zonder een (bevredigend) einde en als verteller walst hij doorheen de roman op een manier waarin impressies en feitelijke gebeurtenissen elkaar continu afwisselen. Dit alles zorgt voor een heel persoonlijke en soms zelf bevreemdende sfeer die duidelijk de kenmerken vertoont van de modernistische roman die in die periode opgang maakte. Het is ook tekenend voor Walsers eigen leven dat nooit een eindpunt kende en vanaf de jaren twintig leidde tot een opname in een psychiatrische instelling. Tot aan zijn dood zou hij (deels uit vrije wil) in instellingen verblijven, grotendeels vergeten door de literaire wereld. Dat hij herontdekt is en zijn gehele oeuvre, inclusief zijn `microgrammen`(korte teksten die hij in een microschrift pende op allerlei papieren) gepubliceerd zijn, mag een zegen heten.

In het Nederlands blijven de vertalingen evenwel nog beperkt tot zijn romans en enkele kortverhalen, aanvankelijk door Jeroen Brouwers in de jaren tachtig en na de eeuwwisseling door Machteld Bokohove. Die ontpopte zich ongetwijfeld tot Walsers grootste fan in het Nederlandstalig gebied en gold als drijvende kracht achter nieuwe vertalingen. Het is meer dan betreurenswaardig dat ze nog voor de publicatie van dit werk overleed. Want zoals ook deze postume vertaling aantoont, wist ze als geen ander Walser te vertalen voor een Nederlandstalig publiek. De nieuwe publicatie van De Bediende is op die manier niet alleen een ode aan Walser zelf geworden maar ook zijn vertaler die hem en zijn stijl perfect aanvoelde.

8
Koppernik

recent

L’Espèce Explosive

Je moet het de moeilijk te catalogeren prent L’Espèce...

Fontaines D.C. :: Where Is Gone?

"Misschien he. Misschien moet Fontaines D.C. eens 'lief' doen."...

Primetime

Lance Oppenheim is in wezen een documentairemaker die met...

Gebeiteld – Beeldhouwer Roger Bracke :: Stadsmuseum Lokeren

Met Gebeiteld presenteert het Stadsmuseum van Lokeren een tentoonstelling...

aanraders

Midas Dekkers :: Het Menselijk Tekort

Niet minder dan vijftig boeken heeft de intussen tachtigjarige...

Augustina Bazterrica :: Het boek van de nacht – 19 klauwen en een zwarte vogel

De Argentijnse Augustina Bazterrica debuteerde in 2013 met het...

verwant

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in