Geen literaire bekroning zo prestigieus als de Nobelprijs. De laatste viel Abdulrazak Gurnah te beurt, voor velen in het Nederlandse taalgebied een volslagen onbekende. Feit is dat ’s mans oeuvre de komende jaren langzamerhand zal ontsloten worden. De heruitgave van het reeds eerder vertaalde Paradijs vormt het begin van wat ongetwijfeld een intrigerende verkenningstocht wordt.
Oppervlakkige lectuur van Gurnahs oeuvre, waarin zijn geboorteplaats Zanzibar en Afrika als continent een behoorlijk prominente rol spelen, ontlokte in sommige vakbladen de notie dat de Nobelprijsjury vooral een alternatieve stem voor het voetlicht wilde plaatsen, in de nasleep van de recente maatschappelijke debatten over woke en kolonialisme die in een groot deel van de westerse wereld gevoerd zijn. Nochtans houdt Gurnah er een wat atypische en alleszins bovengemiddeld interessante visie op na voor wat betreft het superioriteitsdenken waarmee de blanke invasie van het Afrikaanse continent gepaard ging in de vorige eeuw. Zijn portret van het Afrikaanse landschap, zoals hij dat doorheen Paradijs virtuoos schildert, legt duidelijk het accent op bepaalde mistoestanden en wreedheden die nog voor de komst van de Europeanen dagelijkse kost vormden bij de inheemse bevolking. Denk maar aan elkaar uitmoordende dorpen, waarvan de protagonist van het boek er totaal onvoorbereid een binnenwandelt. Daarnaast raakt Gurnah een minder gekende bladzijde uit de geschiedenis aan, met name de kolonisatie van Arabische zijde, nauw samenhangend met slavenhandel en dus evenzeer een vorm van collectieve dominantie van de ene bevolkingsgroep jegens de andere.
Doorheen Paradijs vormt het koloniale verleden, dat Gurnah dus niet vanuit de klassieke Afrikaanse antithese benadert, eigenlijk slechts een decor. De auteur raakt dit heikel onderwerp amper aan, en heeft al helemaal niet de bedoeling het idee uit te werken. Veeleer grossiert het boek in de talloze verhalen, die zich laten lezen als eigenzinnige alteraties van gekende Bijbelse vertellingen. Het hoofdpersonage, een kind dat bij zijn ouders wordt weggekaapt om door de zogenaamde oom Aziz – het prototype van de nietsontziende handelaar, zij het met een strikte morele en op religieuze motieven geschoeide gedragscode – te worden ingewijd in de wereld buiten het dorpje waarin hij opgroeit, ontpopt zich regelmatig tot klankbord voor anekdotiek van andere personages, meestal kleurrijke figuren waarvan Gurnah de excentrieke karaktertrekken met veel scherpte doch ook mededogen optekent. In het wat passieve karakter van de protagonist schuilt meteen ook het voornaamste euvel van de roman, want naarmate de bladzijden vorderen, vraagt de lezer zich almaar vaker af welk punt Gurnah precies probeert te maken. Als Bildungsroman is Paradijs alleszins niet opgevat: daarvoor blijft de psychologische tekening van het personage te monochroom, en dat geldt eigenlijk voor alle personages rondom de protagonist. Een gemiste kans is het, want het starre inlevingsregister laat weliswaar alle ruimte voor de roman als bloemlezing van allerhande sferen en Afrikaanse couleur locale, maar dat blijft helaas geen 350 bladzijden beklijven.
Evenwel is Gurnah een begenadigd schrijver, wat maakt dat hoewel de stijl haast kinderlijk eenvoudig aandoet, er toch sprake is van intense sfeerschepping, zowel in de vaak vinnige en bondig neergepende dialogen als in de zinderende uiteenzettingen van de grillige geografie van het Afrikaanse continent. Spijtig is dan weer dat Gurnah aan het slot met een kunstgreep tot een nogal artificiële finale komt. Critici mogen Paradijs dan wel “een reflectie over de aard van vrijheid” noemen, in wezen voelt het voor de lezer alsof de auteur zijn boek slechts heel sporadisch (waaronder in de laatste alinea) naar een filosofisch niveau tilt. Precies dat is dan ook de voornaamste (onopgeloste) vraag na het voltooien van deze roman: wat heeft Gurnah precies beoogd? Toch niet louter een onderhoudend, sfeervol boek, waarin de mens zichzelf (anders) leert zien dankzij verhalen? Het is een verzuchting waar de schrijver uiteraard niet veel mee kan, maar mag de ambitie bij de selectie van een Nobelprijswinnaar niet net dat tikje hoger liggen?



