Jazz Classic – Sonny Rollins :: Saxophone Colossus


Prestige, 1956

Het zou een misvatting zijn om aan te nemen dat de carrière van
Sonny Rollins pas in de tweede helft van de jaren vijftig een hoge
vlucht neemt. ‘Saxophone Colossus’, onbetwistbaar een van de
grootste verwezenlijkingen uit zijn carrière, wordt vaak nogal
gemakzuchtig als het startpunt genomen voor ‘s mans successen,
zonder om te kijken naar de jaren die eraan voorafgaan. Rollins
stond echter al vanaf het eind jaren van de veertig op het podium,
dat hij toen deelde met tijdgenoten als Miles Davis,
Thelonious Monk en Max Roach. De tenorsaxofonist had eveneens al
een bewogen fase achter de rug, met respectievelijk arrestaties
voor een overval en heroïnegebruik. ‘Saxophone Colossus’ uit 1956
was geenszins een onverwachte stap voorwaarts.

De vraag die zich opwerpt is waarom het album zich zo makkelijk
in het collectieve geheugen van vele jazzliefhebbers heeft
genesteld. Met ‘Work Time’, ‘Tenor Madness’ en ‘Tour de Force’ had
Rollins daarvoor een blijk van zijn kunde gegeven. Zijn kenmerkende
zoektocht naar variatie en innovatie tekende zich al geruime tijd
af. ‘Saxophone Colossus’ is opmerkelijk en uniek van aard omdat het
die ongebreidelde drang naar persoonlijke expressie combineert met
een bijzonder grote samenhang. De vijf composities zijn stuk voor
stuk welgekozen (drie geschreven door Rollins, twee herwerkingen
van andere nummers) en verkennen elk een eigen richting. Voor het
eerst slaagde Sonny Rollins erin om een album op te nemen dat zelfs
de hoogste verwachtingen oversteeg.

Eigenlijk valt er gewoon niets op aan te merken. Sonny Rollins
(tenorsaxofoon), Tommy Flanagan (piano), Doug Watkins (bas) en Max
Roach (percussie) zetten een onovertrefbare prestatie neer, als een
kwartet dat net op het juiste moment en de juiste plaats samenkomt.
Dat het album perfect op 44 minuten afklokt, mag dan ook geen
verrassing zijn. ‘Saxophone Colossus’ veruitwendigt zijn titel: een
album van kolossale proporties.

Rollins’ persoonlijke expressie tekent zich voor het eerst af in
het openingsnummer ‘St. Thomas’. In het atypische ritme van drummer
Max Roach zit een invloed van calypso music verscholen,
een Afro-Caraïbische stijl die dateert van het transport van
Afrikaanse slaven naar de Nieuwe Wereld. Het geeft de ritmische
onderbouw van het nummer een volledig aparte dimensie. Toch is het
vooral de tenorsaxofoon van Sonny Rollins die de aandacht trekt.
Hij beheerst de melodie met zijn bruisende klankkleur en ietwat
ruwe speelstijl.

‘St. Thomas’ stamt uit een periode waarin grote muziekgenres als
jazz, blues en swing nog in elkaars vaarwater zaten en bebop de
heersende stroming was. De groep blijft binnen een vrij vertrouwd
harmonieus kader, al durft Rollins geregeld vurig uit te halen. Het
verloop van het nummer is eveneens traditioneel: het
solo-instrument staat centraal, en de andere instrumenten vullen
aan. Aparte solo’s gebeuren als het ware in een seriële vorm:
iedere muzikant krijgt even de tijd om wat te improviseren. ‘St.
Thomas’ combineert eclecticisme (calypso) met een stijl die stevig
is ingebed in de traditie (bebop).

Wat daarop volgt is ‘You Don’t Know What Love Is’, een
oerdegelijke ballade die Rollins’ beheersing van het klassieke
repertoire in de verf zet. Het is geschreven door Don Raye en Gene
de Paul, maar in de herwerking zijn de oorspronkelijke songteksten
weggelaten. In de plaats krijgt men echter melodieuze weemoed die
minutenlang kan beroeren. Een compositie op het lijf geschreven van
Sonny Rollins: het ruwe, ongepolijste van zijn saxofoon past
perfect in de setting en zowel de trage als snelle stukken voelen
zeer naturel aan.

De overige instrumenten op ‘You Don’t Know What Love Is’ zijn
grotendeels tot sfeerbepaling aangewezen (al krijgen ze ook de
ruimte om kort een solo geven) maar doen dat evenzeer
voortreffelijk. Een ballad standard en een schoolvoorbeeld
van Rollins’ snelheid van uitvoering, afwisseling in speelstijl en
uitdagende geluid. Diepgang en betrokkenheid zijn de sleutelwoorden
om het welslagen van dit nummer te verklaren.

‘Strode Rode’ vat aan met een staccato (puntig) ritme, waarbij
Rollins de eerste noten opvallend los van elkaar speelt. Het
eigenzinnige openingsgedeelte zorgt voor een aparte dynamiek. Het
nummer geeft een eigentijdse indruk omdat de overige instrumenten
prominenter aanwezig zijn. Zowel Flannagan (piano), Watkins (bas)
en Roach (drums) nemen actief deel aan het geheel. Rollins neemt
zelfs de tijd om met hen in duel te gaan. Door deze dynamiek
schuift de compositie al op in de richting van hard bop.

De kracht en de levendigheid van ‘Strode Rode’ is ook hier
grotendeels te danken aan het werk op de tenorsaxofoon: snelle en
afwisselende noten, technisch fraai uitgevoerd en bovenal een
betoverende klankkleur. Rollins’ stijl valt nu eenmaal makkelijk te
herkennen. ‘Strode Rode’ is ten slotte ook interessant vanwege de
dialoog tussen Roach en Rollins (die buiten het album ook een goede
band met elkaar hadden).

‘Moritat’ is een buitenbeentje op ‘Saxophone Colossus’ omdat het
uit de musical ‘The Threepenny Opera’ is gehaald (oorspronkelijk
heette het nummer ‘Mack the Knife’). Het tempo is gematigd, het
nummer voelt aan als taking a stroll. Rollins geeft
‘Moritat’ een zekere serieux: hoewel het dicht bij het
origineel blijft, is het onbetwistbaar een bijdrage tot de jazz. De
tenorsaxofoon van Rollins gloeit, het amusement spat van het nummer
af.

Ook bij ‘Moritat’ zijn de bijdrages van de overige instrumenten
vrij klassiek: iedere muzikant mag zijn solo uitwerken. Flannagan
doet dat in heerlijk vloeiende bewegingen op het klavier, terwijl
Roach eerder de variëteit van zijn kunde bewijst. Watkins houdt het
sober en zijn warme klanken doen vooral een gevoel van beheersing
uitschijnen. Rollins werkt tenslotte de outro uit, met een
nadrukkelijke klemtoon op vorm en verfraaiing.

Het slotnummer ‘Blue 7’ verwierf een eigen faam voor wat Gunter
Schuller voor het eerst omschreef als thematic
improvisation
. Volgens Schuller slaagt Rollins erin om in de
elf minuten durende compositie door het gebruik van motieven of
melodieuze thema’s een brug te bouwen tussen de verschillende
saxofoonsolo’s. Tijdens ‘Blue 7’ werkt Rollins drie aparte solo’s
uit die ondanks hun aparte karakter toch een grote coherentie en
samenhang vertonen.

Watkins opent ‘Blue 7’ op een manier die weinig geheimen
prijsgeeft. Het is pas wanneer Rollins de eerste noten blaast dat
er zich een spontaan aanvoelende melodie ontwikkelt. Een groot deel
van de compositie is geïmproviseerd en dat is duidelijk te horen.
De tenorsaxofoon klinkt iets doffer dan gewoonlijk, maar dat zet
het warme en korrelige geluid van Rollins extra in de verf. De
directe en expressieve wijze waarop hij muziek maakt, is van een
uitzonderlijke kwaliteit. ‘Blue 7’ is het beste bewijs waarom niet
enkel tijdgenoten maar ook latere generaties van saxofonisten met
veel ijver de muziek van Rollins hebben bestudeerd.

‘Saxophone Colossus’ is een meesterwerk zonder weerga en samen
met ‘A Night at the Village Vanguard’ (1957) essentieel voor een
jazz-collectie. Geroemd omwille van zijn afwisseling en
innovativiteit, gekenmerkt door uitzonderlijke vitaliteit, maar
bovenal een album dat onder alle omstandigheden als een huis
overeind blijft.

http://www.sonnyrollins.com

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee + drie =