PUKKELPOP 2010 :: Marquee, donderdag 19 augustus

De Marquee, het podium van “net niet”. Net niet groot en/of luid genoeg om op de Main Stage te mogen, net niet onbekend genoeg meer om de intimiteit van de kleinere podia op te zoeken. De Marquee is de AB van Pukkelpop. Het podium van de doorbraak.

Of (mvs) die doorbraak wel toewenst aan de eerste groep die hij, na wat verkeersdebacles in het Hasseltse, mocht aanschouwen, valt te betwijfelen. “Goedkope punkpop uit de Aldi” beweert hij wanneer we eindelijk op zijn sms “Red mij!” geantwoord hebben. All Time Low is het soort groep dat journalisten te snel af wil zijn door de woordspeling zo evident te maken dat het niet meer leuk is. Net als dit optreden overigens, met zijn instant meebrulbare kinderliedjes met stevige gitaren en lamme publieksspelletjes. Wel leuk: titels als “Damned If I Do Ya (Damned If I Don’t)” of “Keep The Change, You Filthy Animal”. Doorspoelen met een of meerdere pinten.

Ook veel alcohol vereist bij Ellie Goulding, van wie wij een trucje hebben geleerd: u heeft mensen over de vloer die u subtiel doch snel naar buiten wil werken? U zet haar versie (disco! ja! tof! de max!) van Midlake’s “Roscoe” op en klus geklaard. Ook efficiënt bij het al dan niet verteren van een slecht pak friet (het kraam aan de special beers-tent vermijden, tenzij u een voorkeur heeft voor stukken aardappel waarin het zetmeel nog te onderscheiden valt). Misschien zijn we cynisch en missen we alle ironie, maar we voelen niets bij dit nineties poppemieke: vlakke stem, slechte popnummers, luie arrangementen, te veel vermoeiende capriolen en volgens ons ook bitter weinig humor. Maar dat is buiten de gillende meisjes gerekend die reageren alsof Goulding Lady Gaga in persoon is.

Back to black: de vorige livepassage van Black Rebel Motorcycle Club enkele maanden geleden werd maar lauw ontvangen door onze (jvb). Ook het laatste album van het Amerikaanse trio, Beat The Devil’s Tattoo, was geen onverdeeld succes. Beetje overdreven, dachten we toen. En toch geenszins gelogen, zo blijkt uit het middelmatige vertoon aan de Marquee. Opener “Beat The Devil’s Tattoo” komt nog stevig en onversneden uit de hoek, wat volgt is echter half opgewarmde pap met af en toe een lekker stukje, zoals het stampende “Ain’t No Easy Way” en het verplichte “Whatever Happened To My Rock ‘n Roll”. Geen idee wat er met de hunne aan de hand is, dat ze het zelf eens komen uitleggen.

Ook al geen al te straffe laatste plaat, maar wel groots in de live-uitvoering: Band Of Horses. Met een dwarsdoorsnede van hun oeuvre (nochtans slechts drie platen groot), laten de muzikanten uit South Carolina op bijna nonchalante wijze merken hoeveel sterk materiaal ze bezitten om uit te pikken. En het publiek in vervoering te brengen: de ingenieuze combinatie van melancholie en opgewektheid — nog eens versterkt door de projecties van werk van bandfotograaf Christopher Wilson — is ideaal voer voor wie op zoek is naar het zogenaamde festivalgevoel. Sterk songmateriaal als “Compliments”, “No One’s Gonna Love You” en uiteraard “The Funeral” zorgen moeiteloos voor rillingen en laten zich opmerken als blijvers: een week na Pukkelpop is doorgaans een groot muzikaal deel alweer vervaagd tot een wazige mist, de passage van Band Of Horses zal ons echter nog lang bijblijven. Een hoogtepunt, dus.

Mark Lanegan is op papier altijd een hoogtepunt, alleen zet hij die garantie niet altijd om in de praktijk. De sexy wolf zingt namelijk al een tijd niet meer. Hij werkt. Uiteraard beschikt hij nog steeds over een van de mooiste stemmen uit het nog levende rockassortiment en eens hij zijn mond opent, staat iedereen aan de grond genageld, maar zijn huidige werkritme en het aantal projecten waaronder hij — al dan niet met overgave– zijn naam schrijft, hebben meer weg van die van een productiearbeider dan van een begeesterd artiest. Nu; een noeste werker is soms ook goud waard, en dus is wat Lanegan aflevert steeds van hoge kwaliteit.

‘ s Mans songs stromen als warm bloed door de aderen, gegarandeerd heeft hij ons nekvel vast en sleurt ons dan zonder compassie over de vloer. Dat allemaal met die onweerstaanbare grom, bewegingloos van achter zijn microfoon, minimaal begeleid door een gitarist. “I’ll Take Care Of You”, “When Your Number Is Up” en “Don’t Forget Me” beklijven altijd, onder welk soort piloot hij ook opereert. Dat was vanavond, ondanks vrijwel dezelfde setlist als enkele maanden geleden in de AB, niet de automatische. Lanegan leek minder te werken, meer te zingen. Hell, hij glimlachte zelfs naar onze fotografe! En hij bewoog! Het leek hem zelfs niet te deren dat er dramatisch weinig volk zijn naam in het programmaboekje had aangestipt en hij overstemd werd door een metalgroepje uit de jaren tachtig. Er kon zelfs een bisnummer van af. Ah, frivole Mark …

Frivoliteit is niet echt aan Goldfrapp besteed, daarvoor zijn Alison Goldfrapp en Will Gregory te berekend, te erg bezig met image building en perfecte sets bij elkaar knutselen. Hun laatste album, Head First, is er eentje vol schaamteloze eightieskitsch: lang vergeten synthesizers, refreinen die spontaan fluo kleuren, glitter, maar — zoals het ware Goldfrapp betaamt — ook veel stijl en glamour. Vanavond is de folky, in elfjesland vertoevende Goldfrapp van het debuut of van Seventh Tree overduidelijk niet aan de orde. Alison Goldfrapp hult zich in een soort glittervogelpak, de ventilator onophoudelijk van voren voor het haren in de wind-effect.

Geflankeerd door twee Jezussen, het borsthaar uit hun Abba-kostuums loerend, en hun synthgitaar (het soort dat sinds “Soldiers Of Love” van Liliane Saint-Pierre alleen nog maar via eBay te koop is) zit de show perfect in de kitsch-fun-foute dansmoves-sfeer. De “hello hello”’s van “Alive” herinneren aan het beste van Roxette (ga (mvs) halen, snel!) en die perfecte single “Rocket” zweeft tussen absurditeit en klasse. Ook oude nummers die hun efficiëntie op de dansvloer al eerder bewezen, zoals “Number One”, “Ride A White Horse” of — bijna vergeten wat een goed nummer dat toch is — “Train” halen de set. Wie zich laat meeslepen door de show, is zich van niets bewust. Wie Alison Goldfrapp van wat dichterbij gaat bekijken, wordt zich gewaar van de twijfelachtige geur van het vermoeden van playback. Goldfrapp zingt — in tegenstelling tot eerdere passages, waar haar stem toch op zijn minst fragiel had geleken — perfect, ondanks de grote bewegingen, ondanks de wind die constant langs de microfoon in het gezicht wordt geblazen. Ze doet dat ook in meerdere stemmen, lipt soms wel eens een fractie van een seconde te vroeg of te laat. En geen enkele computer op het podium …? Een beetje trucage is toegestaan voor de bevordering van de show — de grootste popsterren doen het, maar op Pukkelpop? Beetje jammer toch.

Twee jaar geleden bewees Flaming Lips dat er een houdbaarheidsdatum stond op de ballonnen-confetti-euforieshow waarmee de groep al een jaar of tien op de baan is. Dat heeft ook Wayne Coyne beseft, en dus krijgen we vandaag wel ballonnen en confetti, maar ook een bij momenten behoorlijk hermetische lap psychedelica. Moedig hoe de groep zijn publiek op sleeptouw neemt in een ondoordringbaar woud (vol zelf na te spelen beesten) van dwarse gitaren, hoekige riffs en hysterische synthaccenten. Geen gemakkelijke set, wel de meest nodige om het Flaming Lips-gevoel fris te houden. En dus weer een hoogtepunt. Hoogtepunten kan u in een afzonderlijke, langere recensie lezen door op de links hiernaast te klikken. Goedenacht! Wij kuisen onze schup af, we hebben namelijk nog twee dagen te gaan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 − zes =