Banner

The Antlers

Hospice (2019)

Maarten Langhendries - 25 april 2019

In Hospice van The Antlers veegt iemand zichzelf uit om te kunnen blijven; hij vergeet zichzelf om bij de ander te kunnen zijn. Langzaam daal je af in de persoonlijke hel van een verpleger op een palliatieve afdeling, terwijl je bij elke trede voelt dat de volgende nog erger, nog pijnlijker zal zijn. En toch ga je met ingehouden adem verder. Hospice werd zo een unieke plaat die een uniek verhaal bracht, maar die tegelijk ontzettend veel mensen wist te raken.

alt

“I wish that I had known in that first minute we met / the unpayable debt / that I owed you”. Tien jaar na datum zijn het nog altijd de huiveringwekkende woorden waarmee Hospice van The Antlers opent. Woorden waarmee je niets anders kan voorspellen dan een slechte afloop. Dat weet ook het hoofdpersonage van dit album, waarop een verpleger emotioneel misbruikt wordt door een kankerpatiënt. Hij kan haar niet redden, dat weet zij -- Sylvia -- ook. Toch blijft ze haar gifpijlen op hem afvuren. Ze gilt, steekt haar hoofd in de oven, fluistert om hulp, geeft hem vervolgens een verbale klap. En toch: “Something kept me standing by that hospital bed / I should have quit but instead I took care of you”. De naamloze verpleger blijft op Hospice vastgeketend aan de rand van het ziekenhuisbed, aan Sylvia, aan zijn eigen schuldgevoel.

Naar Hospice luisteren is bijna voyeurisme, zo'n gedetailleerd verslag krijg je van de uitputtingsslag die zich afspeelt in het hoofd van de zanger. Concrete feiten ontbreken soms. In de plaats daarvan: een haarfijn inzicht in de emotionele leefwereld van de karakters die Hospice bevolken. Het hoofdpersonage ontleedt zichzelf en de situatie minutieus tot pijn, liefde en eenzaamheid uitgespreid op de dissectietafel liggen. Hospice is opgebouwd uit witte gangen, witte bedden, witte jassen. En binnen de muren van dat kleurloze hospitaal: verwijten, schuld, verlies. Of die witte gangen nu effectief van een ziekenhuis zijn of symbool staan voor de tunnelvisie van een toxische relatie, of allebei, het maakt allemaal niet zo uit. Hospice was een verhaal dat je niet zag aankomen, waar je nauwelijks over wilde nadenken -- laat staan zingen -- maar waar je toch in meegesleept werd, op het pijnlijke af.

Hospice had daardoor heel makkelijk onbeluisterbaar kunnen worden. Pretentieus zelfs, op een bepaalde verknipte manier. Een dagboek dat gesloten had moeten blijven wegens te intiem. Hospice was een inktzwarte roman op muziek gezet -- een beetje zoals Berlin, en iedereen weet hoe dat afliep. Maar ondragelijk werd het niet, integendeel. Met Hospice werden The Antlers een echte groep, met multi-instrumentalist Darby Cicci en drummer Michael Lerner die zanger/gitarist/songschrijver Silberman zijn slaapkamer uitschopten. Die laatste had als The Antlers immers al twee plaatjes gemaakt die rechtstreeks in de vergetelheid waren gesukkeld. Maar Hospice vond wél zijn weg naar verblufte recensenten -- die niet genoeg konden vissen naar de authenticiteit van het relaas op het album -- en tot tranen beroerde luisteraars. The Antlers kwamen met een gedurfde plaat -- in tijden van singles was Hospice nadrukkelijk één verhaal -- die ook nog eens een emotionele kopstoot was. Tegelijk waren luisteraars wel bereid hun weg te vinden naar een muzikaal en tekstueel uitdagend album als Hospice.

Een naam die vaak viel als het over Hospice en The Antlers ging, was Arcade Fire, de band die met Funeral de jonge indierockwereld van de noughties bombast had leren kennen -- en thema’s als dood, verwerking en vergankelijkheid. DIY en weelderigheid stonden elkaar niet meer in de weg. Postrock was ook al een tijdje ingeburgerd, Talk Talk niet meer die groep van “It’s My Life”, maar wel van Spirit Of Eden. 2009, het jaar waarin Hospice uitkwam, was een goed jaar voor fans van indierock die niet vies waren van experiment. Animal Collective raakte voor even ingeburgerd met hun commercieel meest succesvolle langspeler. Ook Grizzly Bear en Dirty Projectors, andere vaandeldragers van de New Yorkse avant-rock, brachten referentieplaten uit. Melodische gekte, muzikale uitdagingen, de spanningsboog bespelen: het kon allemaal weinig kwaad in die tijd. Platen mochten méér. Gelaagdheid en nuance brengen. Langs de andere kant van het indiespectrum had iemand als Bon Iver al een album met nadrukkelijk Een Verhaal -- zowel tekstueel als over de context waarin het tot stand kwam -- gemaakt. The Antlers konden binnen een kader geplaatst worden, ook al stonden ze daar tegelijk deels buiten.

Hospice was de schaduwzijde, de andere kant van dezelfde munt. Want waar Animal Collective en Grizzly Bear voor multicolor gingen, brachten The Antlers het harde, vale klankenpallet van “Kettering”, dat een crescendo kent, maar geen verlossing. Panda Bear zong in die tijd over zijn dochters die in het gras rolden, Silberman over tumoren die hij in zich lichaam wilde steken om zijn patiënt/geliefde te redden, en zichzelf van zijn alles verterend schuldgevoel te bevrijden. “Wake” duurt meer dan acht minuten, muteert langzaam van vorm, durft nauwelijks te ademen. Als een mantra blijft Silberman in de outro "Don't ever let anyone / tell you you deserved that" zingen, waarbij het volstrekt onduidelijk is of Silberman het over zijn patiënt heeft of over zichzelf. Of gewoon beide. Nummers lopen in elkaar over, melodieën en teksten worden hernomen en verwijzen naar elkaar (zoals in het huiveringwekkende “Epilogue”, waarin de echo van “Bear” weerklinkt, net zoals het bombastische einde van “Wake” naar het fragiele “Atrophy” achteromkijkt). Naast het centrale verhaal geeft zo ook de muziek je nog meer het gevoel dat je naar één lang uitgesponnen relaas zit te luisteren.

Want uiteindelijk is het vooral het muzikale en lyrische verhaal, en de zeggingskracht van Hospice, die ervoor zorgde dat The Antlers op een ongeziene manier je keel dichtsnoerden. Silberman wist een soort balans te vinden tussen pijn en mededogen, en daar een gelaagd vertelling van te brengen. Ook na een decennium en ontelbare luisterbeurten kunnen je ooghoeken niet droog blijven bij die openingszinnen van "Kettering", ook al weet je duizendmaal hoe dit verhaal afloopt. "Atrophy" vat misschien nog het best de sfeer die over heel Hospice hangt. Onderaardse pianonoten en wat gekraak op de achtergrond vormen de schaarse begeleiding voor het gemompel van Silberman. Af en toe komt er een woord bovendrijven, altijd klinkt de verteller in tranen. Hier worden geen tunnels "from my window to yours" gegraven. "I'm bound to your bedside": als er al tunnels zijn, zijn het nauwelijks verlichte gangen waar Silberman voortdurend in verdwaalt. Het delicate refrein biedt ietwat troost, muzikaal drijfhout, om daarna weer te vervagen. Hospice laat zo tekst en muziek in elkaar verdwalen, tot de ene niet meer zonder de andere kan.

Het meest breekbare moment van de plaat zit pal in het midden en is nauwelijks een nummer te noemen. In “Thirteen” maakt een instrumentaal, dromerig stuk langzaam plaats voor totaal isolement. Tot Sharon Van Etten “Pull me out / Can't you stop this all from happening?/ Close the doors and keep them out” prevelt. Sylvia krijgt een gezicht, ze wordt even een mens. Een mens zo breekbaar dat je niet anders kan dan er sympathie voor krijgen. De verpleger misschien ook. Van een nauwelijks hoorbare piano gaat het echter opnieuw richting snijdende bombast. Wanneer Silberman in “Two” de scherven probeert te ruimen, vloeit weer bloed. “Two people talking inside your brain / two people believing that I'm the one to blame”, klinkt het. Hospice hangt aan elkaar van de valse hoop: op een glimlach, een bevestiging, op een terugkeer van iets wat kapot is. Je weet wat je gaat krijgen -- niets -- en toch ga je terug. Omdat kilte nog altijd beter lijkt dan niets. Onzin natuurlijk, maar ziekenhuisgangen lijken nu eenmaal geen afslag te hebben. Enkel gekleurde lijnen om de volgende afdeling aan te duiden. Tot je -- in “Epilogue” -- in het mortuarium belandt.

Hospice had nooit een doorbraakplaat mogen zijn. Daarvoor was het te hard een natte dweil in het gezicht. Het is een boek op muziek gezet, een boek waar je bij elke pagina meer in elkaar krimpt. En toch was het dat wel. Hospice bood genoeg herkenningspunten, empathie en nuance, maar was tegelijk in zijn zware thematiek met niets te vergelijken. En hoewel Hospice misschien geen perfect album is, raakt juist die onwezenlijke thematiek bij zoveel mensen een gevoelige snaar, nog altijd. Een beetje zoals Carrie & Lowell enkele jaren later. The Antlers konden Hospice daarna nooit meer overdoen, dat beseften ze zelf ook. En een mens kan maar één keer in zijn leven op die plekken in zijn hoofd komen waar deze plaat uit voortkwam. De band sloeg een andere richting in. Burst Apart was ook niet bepaald vrolijk, maar drukte je minder hard met je neus tegen de feiten. Met Familiars maakten The Antlers dan weer een bijna even groot meesterwerk als Hospice, maar op een veel ongrijpbaardere manier. Om nu, tien jaar na datum en voor het eerst sinds het vertrek van Darby Cicci een tijdje terug, weer naar die rode molensteen terug te grijpen, akoestisch dit keer. Het verhaal van Sylvia blijft niet afgesloten. Het is maar de vraag of dat mogelijk is.

The Antlers brengen Hospice akoestisch naar Het Depot op donderdag 25 april. Hospice is ook heruitgegeven op dubbele vinylplaat.

E-mailadres Afdrukken