Banner

ANNEE 67: The Doors

The Doors (1967)

Matthieu Van Steenkiste - 12 januari 2017

Vijftig jaar geleden ontpopte 1967 zich stukje bij beetje als een wonderlijk muziekjaar. Klassieker na klassieker uit de muziekgeschiedenis zag het levenslicht, en ook in de schaduwen daarvan krioelde het van het leven. Daarom brengt enola.be het hele jaar door een eerbetoon aan dat gezegende ANNEE 67.

Weinig groepen presenteerden zich ooit zo voldragen aan de mensheid als The Doors. Het debuut dat de Amerikaanse band in januari 1967 de platenwinkels insmeet, moet destijds bijna buitenaards hebben geklonken. Zo ànders was het, zo veel meer vooruitziend. De durf die het viertal onder leiding van Jim Morrison aan de dag legde, grensde aan de hoogmoed. Niemand werd gewond, niemand legde het loodje – toen nog niet – en een wereldgroep werd geboren.

De beste bands werken omdat ze als puzzelstukjes in elkaar vallen. ABBA was het popmonster van "Waterloo" omdat achter die schlagerzangeres én die jazzcabaretière een folky muzikaal brein schuil ging, en ook de eerste Zweedse Beatle. Op die manier was ook The Doors een decennium eerder een heerlijke optelsom van uiteenlopende invloeden. Was Ray Manzarek de klassiek geschoolde toetsenist, dan had gitarist Robby Krieger een voorliefde voor flamenco en blues. Drummer John Densmore was een jazzman, vanzelfsprekend.

En dan was er die frontman. James Douglas Morrison brak met zijn familie, liet zich Jim noemen, en alle geneugten des leven welgevallen. De Baudelaire van de Sunset Strip. Een dichter met grote goesting. Een Sinatra-fan die kon croonen, maar net zo goed de duivel in zichzelf een leren broek kon aanmeten. Een dromerige jongen die film was gaan studeren, want ja, waarom niet? Hij ontmoette op het strand van Venice Beach medestudent Ray Manzarek, zong hem een nummer voor dat hij had geschreven, en groeide uit tot het grootste rockicoon van zijn tijd.

In een groezelige nachtclub leerde The Doors in 1966 het klappen van de zweep, maar het zou niet lang duren of de groep mocht aantreden in het prestigieuze Whisky a Go Go. Een contract met Sony werd getekend, maar de platenfirma wist niet wat aan te vangen met het rare zootje, en liet het stilletjes uitdoven. Op aansturen van Loves Arthur Lee werd de band dan toch opgepikt door Elektra Records, een debuutplaat werd ingeblikt. De geschiedenis wenkte.

Maanden live schaven aan nummers leverde nu resultaat op. Producer Paul Rothchild had bij wijze van spreken maar op 'record' te drukken; hier stond een patente liveband die zijn ding zo wel deed. Larry Knechtel van de legendarische studioband Wrecking Crew werd gevraagd om met zijn bas "Light My Fire", "Back Door Man" en andere songs wat extra vet te geven, maar verder was "what you see is what you get" het devies. Het was meer dan genoeg.

The Doors laat een band horen in volle opwinding over zijn eindelijk gevonden geluid. Alles voelt nog nieuw, het is onder controle, maar helemaal zeker dat ze het in handen kunnen houden ben je niet. Dat hoor je aan de kreten in opener "Break On Through", waar het bossanova-ritme er niet altijd in slaagt de gitaar in toom te houden, en Morrison in de brug helemaal uit zijn dak gaat. Zelfs na maanden optreden was dit nog geen routine.

Twee covers laten de herkomst van de groep horen. Dat een zweem theater Morrison wel lag, mocht blijken uit Kurt Weils "Alabama Song (Whisky Bar)", een uittreksel uit de opera Rise And Fall Of The City Of Mahagonny. The Doors halen het cabareteske uit de Duitse hoempa, om enkel met het pompend ritme aan de slag te gaan. Nog boeiender was hoe de frontman in "Backdoor Man" de blues van Howlin' Wolf uit zijn genre optilt, puur op performance. En dan waren er de eigen nummers. Het tedere "Crystal Ship" – daar was Sinatra even --, maar ook het poppy "I Looked At You", waarin het hele Doorssjabloon voor de toekomst werd vastgelegd.

"Schrijf ook eens iets, waarom moet ik al het werk doen?", verweet Morrisson de andere drie toen bleek dat de band niet genoeg eigen materiaal had. Het antwoord kwam in de vorm van "Light My Fire", het eerste nummer dat Robby Krieger ooit schreef. De zanger counterde het zonnige eerste couplet met een tweede over dood en verderf – noblesse, natuurlijk, oblige – en Manzarek bedacht die zwierige, aan Bach appellerende orgelintro. Het werd de grootste hit die de band zou scoren.

Tien nummers; een indrukwekkend debuut dat The Doors sowieso tot één van de overlevenden van de sixties zou verheffen. En toch zou alles in de schaduw van dat elfde staan. "The End" is de monoliet waarin The Doors zich in zijn hele rijkdom openbaart. Als een verre vooruitblik op wat later post-rock zou worden, neemt de band alle tijd om het nummer bijna twaalf minuten lang te laten openbloeien. Morrison laat het afscheid van een ex-liefje met gesloten ogen overgaan in iets griezeliger. Die meanderende stream-of-consciousness mag in een orgie van geweld exploderen: "Father, I want to kill you / Mother, I want to…" En de rest denkt u er zelf maar bij. Het codewoord is: Oedipus.

Donkerder was rock niet geweest sinds die vroege bluesjaren. Hadden The Beatles er alles aan gedaan om papa en mama te behagen, wisten The Rolling Stones altijd nét -- we bedoelen een haarbreedte -- aan de juiste kant van "tante nonneke krijgt een hartaanval" te blijven, dan veegde deze volgende generatie aan deze uitgesproken regels zijn welgevormde kont. "Jullie zullen nooit meer in deze show spelen", schreeuwde een woeste producer van The Sullivan Show, nadat Morrison ondanks alle smeekbedes en vingerwijzingen toch dat "Girl we couldn't get much higher" zong, toen The Doors "Light My Fire" mocht komen spelen. "Ach, we deden het toch net? We wilden dat sowieso maar één keer", grijnsde de groep terug. Steek het in uw minder shapely achterwerk; dat sentiment.

Er valt iets voor te zeggen dat pas daar en pas dan rock-'n-roll echt geboren werd. Het moment dat de showbizzwetten niet meer te zake deden. Dat geen heupen cameragewijs nog te negeren waren, en ouders niet meer aan de knoppen zaten. Morrisson zou een natuurkracht worden die ook The Doors zelf niet meer in toom zouden kunnen houden. Drank en drugs waren een gegeven, de occasionele zedenschennende performance een optie – al zullen we nooit weten of ie al dan niet iets toonde, daar in Miami. Vijf jaar, evenveel platen verder, reikte de zanger net iets te hoog, en eindigde weinig glorieus in een iets te vuile Parijse badkuip. De 27 Club was een lid rijker, de muziekgeschiedenis had haar deel tegen dan al lang gehad.

E-mailadres Afdrukken