Banner

Simple Minds

Empires And Dance (1980)

Marc Goossens - 17 september 2015

Waar veel bands minstens een vijfjarenplan voor nodig hebben, lukte Simple Minds op vijftien maanden tijd: debuteren met een halfwassen, richtingloos glampopplaatje, zeven maand later verrassen met een opvallend eigenzinnige opvolger en vervolgens binnen het jaar met Empires And Dance een plaat afleveren die nog steeds geldt als een onvervalste, invloedrijke postpunkklassieker.

De prille twintigers die in ’77 de scherven van Johnny And The Self Abusers bijeenveegden en omsmolten tot Simple Minds waren niet alleen ambitieus en leergierig, ze luisterden ook naar de ‘juiste’ muziek. Debuut Life In A Day (’79) was nog een amalgaam van al die invloeden (Bowie, Magazine, Velvet Underground,…) met een glamsausje, Real To Real Cacophony daarentegen betekende op creatief vlak wél meteen een serieuze sprong voorwaarts.

Achter het enthousiasme gingen ook talent en een visie schuil. ‘Spelen als’ werd ‘muziek maken in de geest van’, glam maakte plaats voor art en kraut. Er werd geëxperimenteerd met klanken, songstructuren en opnamemethodes, maar behalve sterke songs leverde dat ook momenten op waarin de groep verdwaalde in haar eigen sonisch universum. Simple Minds voélde wel waar het naartoe wilde, maar kon er nog niet echt de vinger op leggen.

Daarvoor was het wachten tot de zomer van 1980, toen het vijftal met producer John Leckie de studio in trok voor Empires And Dance. Die plaat moest de weergave worden van de impressies die de groep opdeed tijdens het Europese luik van de “Real To Real Cacophony Tour”. Kerr en co hadden zich altijd al aangetrokken gevoeld tot het rijke culturele verleden van het ‘oude continent’, de bakermat van hun favoriete schrijvers en cineasten. Dat romantische beeld werd evenwel meteen bijgestuurd toen ze een continent doorkruisten waar de Koude Oorlog zich nog meer liet gevoelen dan op de Britse eilanden, en waar bomaanslagen op publieke plaatsen en ontvoeringen van hooggeplaatsten de nieuwsbulletins vulden. Op het Amerika van de pas verkozen Reagan waren ze al niet happig, maar ook de beklemmende sfeer in de DDR – waar ze doorreden op weg naar Berlijn – boezemde angst in: “In central Europe men are marching / marching on and marching on”.

Het oude Europa bleek dus niet alleen een continent te zijn van “presidents and monarchies”, maar ook van “evacuees en refugees”. De bewondering sloeg om in verwondering, een gevoel dat werd vertaald naar de teksten. Dat lijken vaak losse krabbels, alsof Kerr de bevindingen die hij neerpende of insprak in een dictafoon rechtstreeks overnam. Geen afgebakende strofen en refreinen, maar veel invallen en indrukken van het moment. Nu eens met de onbevangen blik van de 21-jarige die hij toen was, dan weer door de bril van de door hem zo bewonderde auteurs.

De muziek moest een vehikel zijn voor Kerrs observaties. Vorm en inhoud werden op elkaar afgestemd: de kortste weg tussen twee punten is immers een rechte lijn. Er wordt in de songs dan ook zelden een omweg gemaakt naar een refrein of een bridge om de bedding van de songs te verleggen. De ritmesectie bepaalde grotendeels de marsrichting. Vaak was het bassist Derek Forbes die de aanzet gaf, waarop Brian McGee de elastische, tegelijk melodieuze en ritmische baslijnen probeerde te vangen in strakke drumpatronen. Binnen dit kader kregen de gitaar van Charly Burchill en de toetsen van Michael MacNeil vrij spel om de kleur (grijs, met af en toe een streepje zon) en de temperatuur (overwegend kil) van de songs te bepalen. De diepe, vaak onderkoelde stem van Kerr zwerft rond tussen de linies: soms voorop in de strijd, soms wat weggestopt – als een gevangene als het ware - in de mix.

Sommige tracks, zoals “I Travel”, “Constantinopel Line” en “Celebrate”, geven duidelijk de dynamiek weer van de trip langs “Decadence and pleasure towns / Tragedies, luxuries, statues, parks and galleries”. De beklemming van het individu dat wegvlucht van de waanzin van de dag wordt dan weer passend verklankt in het strakke, gejaagde tempo van “Thirty Frames A Second” en in het springerige, op hol geslagen ritme van het arty “Twist/Run/Repulsion”. “This Fear Of God”, “Today I Died Again” en “Capital City”, drie tragere nummers die drijven op repetitieve, bezwerende ritmes, combineren beide.

In anderhalf jaar tijd was Simple Minds opgeschoven van glam naar gloom, een evolutie waar de platenmaatschappij niet mee opgezet was. Het enige nummer waar volgens Arista ‘muziek’ in zat, was het met een forse discobeat gezegende “I Travel”. De erg dansbare single werd met veel bombarie op de wereld losgelaten (vooral de 12” remix werd een clubklassieker), terwijl de commerciële kansen van de langspeler al bij voorbaat gekelderd werden door telkens maar een beperkte oplage te persen. De plaat was regelmatig gewoonweg niet verkrijgbaar. Maar ondanks de stokkende verkoop kreeg de plaat lovende kritieken. Recensenten hadden het niet langer alleen over de invloed van de ‘artrock’ uit de jaren zeventig, maar hoorden ook verwantschappen met recenter werk van onder meer Wire, Bauhaus, PiL, Gary Numan, The Human League en Ultravox! - bands die toen werden bestempeld als ‘alternatief’ of zelfs ‘avant-garde’.

Op de volgende platen, Siamese tweeling Sons And Fascination/Sister Feelings Call (’81) en New Gold Dream (81-82-83-84) (’82), evolueerde Simple Minds echter naar een (qua klankkleur) lichtere en toegankelijkere sound. Nog later werd de muziek pompeuzer en potiger, en vanaf Sparkle In The Rain - en ‘die ene hit’ (waarvan we de titel even vergeten zijn) - begonnen de ‘vette’ jaren. Toen die voorbij waren, hadden McGee, Forbes en MacNeil echter allang afgehaakt – net als een pak fans van het eerste uur. Van toen af verloor de groep bij elke nieuwe plaat steeds meer aan relevantie.

Pas met de postpunkrevival van een jaar of tien geleden flakkerde de interesse voor Simple Minds – en vooral voor het oude werk - weer op. James Dean Bradley van Manic Street Preachers beleed zijn liefde voor Empires And Dance, maar ook jonge bands als Bloc Party, The Horrors en White Lies noemden de plaat een belangrijke invloed. Kerr en Burchill kondigden aan dat ze op hun volgende plaat zelf ook weer zouden aanknopen met de sound van vroeger, maar uiteindelijk bleek dat meer om een marketingtruc te gaan dan om een echt voornemen. Big Music was zeker geen slechte plaat, een terugkeer naar de tijd dat de band nog de geheimtip was van de muzikale fijnproever werd het evenmin.

E-mailadres Afdrukken