Banner

Slint

Spiderland (1991)

Jurgen Boel - 19 maart 2013

Geschiedenis blijft wars van alle grote uitspraken over hoe het ter plekke geschreven wordt toch vooral een verhaal van “hineininterpretierung” en het leggen van verbanden die er oorspronkelijk niet (noodzakelijk) waren. Ook in de muziek worden baanbrekende platen geregeld x aantal jaren na de feiten boven gehaald als de vader van deze of gene stroming en wegbereider voor tal van epigonen.

alt

Slints Spiderland (1991) behoort tot die albums die zoveel jaren na hun verschijning door sommigen gebombardeerd worden tot een visionair werk, dat in dat geval mee aan de basis lag van wat later onder de noemer post-rock furore zou maken dankzij de albums van enkele Schotse tooghangers Mogwai geheten. Op het moment van het verschijnen werd de plaat gek genoeg (?) echter op gemengde gevoelens en schouderophalen onthaald. De uitgesponnen songs en de tegendraadse ritmes (ook op mathrock heeft het album een niet te onderkennen stempel gedrukt) riepen niet zozeer bewondering op als wel een grote stilte die enkel door Steve Albini doorbroken werd met zijn laaiend enthousiaste recensie in Melody Maker.

Het enthousiasme over de plaat die heden ten dage in sommige kringen opduikt, wordt in andere middens dan weer getemperd door te wijzen op de inconsistenties en fouten die het album zou bevatten, in het bijzonder waar het de teksten en pogingen om meer dan zomaar rock te zijn betreft. Critici onderkennen de waarde van de plaat niet, maar beschouwen Spiderland evenmin als een meesterwerk dat zich moeiteloos tussen andere grote namen mag plaatsen. Een belangrijke reden hiervoor ligt mogelijk in het geluid van de plaat en de compromisloosheid die het bevat. Slint, die eerder al het voorzichtig experimentele maar desondanks weinig baanbrekende, in hardcore gewortelde album Tweez had uitgebracht, maakte van Spiderland meer dan louter een plaat.

De spanning en vervreemding die de plaat oproept, sijpelde net zo goed in de psyche van de bandleden door, wat tot geruchten leidde als zou minimaal één onder hen een tijdje in een psychiatrische instelling hebben doorgebracht. De vier opnamedagen waren volgens de band zelf behoorlijk intens, een gevoel dat ongetwijfeld nog versterkt werd door het feit dat de teksten pas tijdens de opnames geschreven werden en niet zozeer gezongen werden als wel geschreeuwd en gedeclameerd. Die mix van hoekige, onvoorspelbare songs en eigenzinnige zang verlenen aan de plaat niet alleen zijn cultstatus, maar geven net zo goed ammunitie aan critici die in Spiderland een artrockalbum zien dat zijn verwachtingen niet kan waarmaken en daardoor strandt in zijn (pretentieuze) doelstellingen.

Toch start het album nog relatief onschuldig: opener “Breadcrum Trail” switcht weliswaar enkele malen van tempo en melodie, maar houdt zich al bij al nog op de vlakte en geeft niets weg dat elders niet al eens uitgetest of geprobeerd is. De voorzichtige collage geeft wel al duidelijk de richting aan die post-rock zal inslaan, in het bijzonder in de meer melodieuze, dromerige stukken. Dat het album ook Tortoise beïnvloeden zou (gitarist David Pajo zou zich bij de groep voegen), is zelfs voor een slechte luisteraar duidelijk. Het hoekige “Nosferau Man” klinkt zoveel jaren later evenmin zo opzienbarend anders; opnieuw is het in de eerste plaats in zijn details dat de groep een verschil maakt door parlando en schrille gitaren af te wisselen met een meer hardcoregerichte aanpak. De tweede maal dat de groep zich duidelijk manifesteert als oervader van de post-rock is in “Don, Aman” dat zich meer dan vier minuten lang koest houdt, om dan opeens met een wilde gitaaraanval uit te halen en al even plots terug te vallen in zijn oude behoedzaamheid. Opvallend of vernieuwend klinkt het al lang niet meer, maar dan vooral omdat zovele post-rockbands het trucje eindeloos en tot vervelens toe herhaald hebben.

Met “Don, Aman” achter de rug, lijkt de zoektocht eindelijk voorbij en wordt opeens duidelijk waarom Spiderland ook zoveel enthousiaste reacties blijft ontlokken en het statuut van eerste post-rockplaat verdient. Het dromerige “Washer” (dat een kloeke acht minuten omvat) mag als een blauwdruk van het genre gelden in de manier waarop het dromerige gitaarlijnen en afgemeten drumslagen introduceert. De uitbarsting rond de zevende minuut zal ook nu nog ijverig in notitieboekjes allerhande genoteerd worden als schoolvoorbeeld van hoe het moet. Het instrumentale “For Dinner” is daarna niets minder dan een concrete handleiding voor een post-rocksong, terwijl het befaamde “Good Morning, Captain” in een ademteug zowel elementen voor Mogwai als voor Tortoise aanreikte en daarmee niet minder dan twee invullingen van post-rock vorm zou geven.

Slints Spiderland is geen album dat zich net zo eenvoudig als bijvoorbeeld Tortoises Millions Now Living Will Never Die of Talk Talks Spirit Of Eden laat kronen tot een absoluut meesterwerk. Het album dat misschien wel als geen ander het post-rockgenre zijn belangrijkste stijlelementen heeft aangereikt (de hard-zachtdynamiek, het dromerige versus het gruizige harde, …) bevat immers schoonheidsfoutjes en ambities die niet helemaal waargemaakt worden. Tezelfdertijd is het net het zoekende en aftastende dat de plaat mee zijn status verleent. De band voelt een nieuwe richting aan maar beschikt nog onvoldoende over de nodige instrumenten om die taal vorm te geven. Dat laatste zouden enkele Schotse rockers voor hen doen.

P.S.: Ironisch genoeg nam Slint in 1989 de gelijknamige ep Slint op die op een aantal vlakken verder ging dan Spiderland maar pas in 1994 zou verschijnen. Men kan de vraag stellen hoe Spiderland zou geklonken hebben, mocht de groep op dat elan verder gegaan zijn.

E-mailadres Afdrukken