Banner

Lee Konitz New Quartet

19 november 2010, De Werf

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 20 november 2010

Het legertje jazzmuzikanten dat aan de wieg van de moderne jazz stond, is intussen zo sterk uitgedund dat men zich moet reppen om er nog eentje aan het werk te kunnen zien. Zo was er geen twijfel over dat we aanwezig moesten zijn op de passage van veteraan Lee Konitz in Brugge. Dat bleek een goede keuze te zijn want ’s mans muziek heeft weinig aan zijn frisheid ingeboet.

Konitz (°1927) is van de generatie die ook Miles Davis, Chet Baker, Gerry Mulligan en John Coltrane voortbracht en was reeds in de jaren veertig (dus ruim voor Coltrane en Sonny Rollins!) al een roemruchte figuur, wiens naam altijd verbonden zal blijven met die van de zogenaamde cool jazz, een stroming binnen de jazz die functioneerde als een reactie op de hectische bebop en met figuren als Davis, Lennie Tristano en Warne Marsh (nog zo’n kanon waar Konitz regelmatig mee samenwerkte) een jarenlange invloed zou hebben. De dag van vandaag is het algemene beeld van jazz dieper geworteld in de kloek swingende hardbop maar als je te maken krijgt met een talent dat het raffinement centraal stelt, dan worden namen zoals die van Konitz steevast bovengehaald.

Veel heeft daarbij ook te maken met Konitz’ herkenbare sound op de altsax, het instrument dat hij als een van de weinigen beheerste op een manier die niet rechtstreeks door Charlie Parker beïnvloed leek. En van meet af aan was hij een échte original met een eigenzinnige stijl en zelfs op zijn meest conventionele platen soms in de weer met tegendraadse ideeën. Hij zou zich in de jaren zestig en zeventig zelfs in free jazzmilieus begeven, al is hij de laatste jaren teruggekeerd naar zijn roots en het spelen van de standards waar hij mee opgroeide. Ook zo in De Werf, waar hij speelde met het jonge Minsara Trio (pianist Florian Weber, bassist Jeff Denson en drummer Ziv Ravitz), een internationaal trio dat hem ook begeleidde op het enthousiast onthaalde Live At The Village Vanguard dat recent werd uitgebracht.

De Werf zat vol voor de legende, die zich op geen enkel moment gedroeg op een manier die je hem met zo’n staat van dienst nog zou vergeven. Integendeel: het ging er zeer gemoedelijk en ontspannen aan toe. De man grapte met het publiek en zijn muzikanten, had na elke song wel een kwinkslag klaar en liet van meet af aan weten waar het om te doen was: de muziek. Verrassend was ook dat er in de zaal geen microfoon te bespeuren viel: je kreeg het kwartet puur akoestisch te horen, zonder enige versterking of geluidsmanipulatie, wat voor een extra intieme dimensie zorgde. De set zou draaien om standards maar wie verwachtte aan het handje genomen te worden door de jazzgeschiedenis en zijn klassiekers, die was aan het verkeerde adres want bij Konitz primeert nog steeds de onvoorspelbaarheid.

Of het nu ging om Miles Davis’ “Solar” of Brubecks “In Your Own Sweet Way”, Konitz benadert die songs, zelfs de meest herkenbare en stukgespeelde, met een frisheid die behoorlijk indrukwekkend is. Ging het aanvankelijk nog wat aarzelend van start, dan kreeg je wel meteen een voorsmaakje van ’s mans stijl die je het best zou kunnen omschrijven als ‘rond de pot draaien’, of iets minder negatief: de slinkse verrassing. Hij slaagt er immers in om nummers aan te vatten en de bestanddelen onder de loep te nemen en binnenstebuiten te keren en dat terwijl het soms een paar minuten duurt voor je die stukken überhaupt herkent. Het is geen radicale werkwijze, geen afstotende avant-garde, maar ook eentje die nooit écht aansluit bij de mainstream, ondanks zijn gezapige karakter.

Het leek soms alsof Konitz één lange solo speelde, nu en dan met een koerswijziging of plotse inval, iets waarvoor hij uiterst bekwaam weerwerk kreeg van het bevlogen trio, dat zich ten dienste stelde van de meester maar nooit te onderdanig of zonder z’n eigenheid te verliezen. Denson was solide van voor tot achter terwijl Weber en Ravitz afwisselend reageerden en plaagstootjes uitdeelden met kleurrijke interventies. En Konitz, die liet horen dat hij zelfs in het meest klassieke nummer zou kunnen verbazen. Zo was “Body And Soul”, de afsluiter van de eerste set, een wondermooie versie die moeiteloos overeind bleef. Hij zat er soms onderuitgezakt bij, maar zijn spitsvondigheid bleef intact: solo’s begonnen soms op merkwaardige momenten en hij ging nooit voor het voorspelbare. Het is dan ook mooi dat hij zes decennia (!) na de start van zijn carrière nog steeds aanspraak kan maken op het label ‘subtiel subversief’. Een aangename verrassing, heet dat dan.

E-mailadres Afdrukken