Banner

The Ex + Shellac

1 oktober 2010, Pand “Koloniale Waren” (Hasselt)

Guy Peters - 02 oktober 2010

The Ex en Shellac op één affiche, dat is a match made in heaven, zeker als die concerten dan kunnen plaatsvinden op z’n bijzondere locatie als dit als monument beschermde voormalige fabriekspand. Soms zijn vorm en inhoud volledig op elkaar afgesteld. En als alles meezit, zoals gisteren, dan levert dat prachtige resultaten op.

The Ex. “The best band in the world” volgens de mannen van Shellac en als je zo bezig zag, dan klinkt die bewering niet eens zo grotesk. Na meer dan dertig jaar en vijfentwintig (!) langspelers liet de band (met nu enkel nog Terrie Ex als origineel lid) horen dat hij nog steeds garant staat voor een onnavolgbare ervaring. Het was afwachten of het vertrek van zanger G.W. Sok en de komst van Arnold de Boer (ex-Zea) de dingen niet zouden veranderen, maar daar is geen sprake van. De Boers proclamerende zangstijl en gitaarspel passen perfect binnen het groepsgeluid, dat nog steeds erg herkenbaar is en toch vol verrassingen blijft zitten.

Het jachtige van Wire, het dissonante van Sonic Youth, het avontuur van de improvisatie en de ritmes van Afrikaanse muziek, het komt allemaal samen in de eclectische sound van een band die er nog altijd als geen ander in slaagt om hoekigheid en hypnotiserende groove te verenigen en de meest dansbare kabaalmuziek van zijn tijd maakt. Het blijft geweldig om Terrie en Andy Moor, beiden ook actief in de improvisatiemiddens van o.m. Ken Vandermark en Mats Gustafsson, resoluut voor het avontuur te zien kiezen met jengelende slaggitaren, ongebruikelijke stemmingen en speltechnieken (een drumstok als strijkstok?), iets waar de Boer soms met verbazing naar keek.

Met Katharina Bornefeld heeft de band bovendien een gigantische troef in huis: strakke fanfareroffels, Ethiopische bezwering, struikelende drums zoals je die bij Beefheart hoorde of de punkfunk van George Hurley (Minutemen), het wordt allemaal verenigd in haar inventieve spel dat de muziek bij momenten een geweldige boost geeft. Er werd aardig wat materiaal gespeeld uit het recent verschenen Catch My Shoe, met “Eyoleo” en “24 Problems” als uitschieters. Een mooie bonus was bisnummer “Hidegen Fujnak A Szelek”, vorig jaar nog groots gecoverd door The Thing, maar hier een laatste stukje ingetogen hypnose.

De Nederlanders hebben weinig keuze: ze moeten nu eenmaal verder met die geblondeerde aap met z’n hoge voorhoofd. Maar zolang een band als The Ex blijft bestaan is er altijd nog een bewijs van dat het ook anders kan. Beste band ter wereld? Geen idee, dat is een lullig concept. Maar beste band van de Lage Landen? Ja, waarom niet eigenlijk?

Om Shellac uit te leggen kan je beter vertellen wat je niet te zien of te horen krijgt: geen lichtshow, mistgordijn of dramatische pauzemuziek. Geen vooraf bepaalde setlist of saaie gitaarsolo’s. Geen effectenpedalen of goedkope gimmicks. Geen kostuums, geen show, geen valse complimenten, geen loze beloftes, geen pose, geen bisnummers, geen podiummonitors voor Steve Albini en Bob Weston, geen pretentie. Shellac, dat is een band waar al het overtollige, al het niet-essentiële verwijderd is. Het Griekse Sparta is destijds opgericht zodat we nu kunnen spreken over ‘de Spartaanse rock van Shellac.’

Het is dan nog eens straf dat dit eigenlijk niet meer is dan een veredeld hobbyproject. In achttien jaar maakten de drie slechts vier albums en als ze dan eens de hort op gaan, dan gaat het steeds over een beperkt aantal zorgvuldig uitgekozen locaties. Nochtans is dit een band die er staat, is het een band met een unieke sound en speelstijl, die drijft op het vreemde metronoomspel van Todd Trainer en de harde no nonsense-sound van Albini en Weston, beide met Travis Bean-gitaar in handen. Alles draait om de essentie, zowel muzikaal als qua communicatie, al is het tegelijkertijd een verademing om de band wars van conventies z’n ding te zien doen.

Het is niet heavy, het is geen noise, maar toch gaat de muziek voor maximum impact. De uitgespuwde zang van Albini blijft in combinatie met zijn schrapende gitaarstijl een dreiging uitstralen die veel lawaaimakers niet aankunnen (ondanks lagen distortion) en het hechte, explosieve samenspel van de drie blijft iets dat geen mens snel zal vergeten. Het duurde even voor de set op gang kwam, maar eens de kop eraf was (vanaf “Steady As She Goes”) werd het energiepeil hoog gehouden. Er waren drie vragenrondes (een traditie) en de songs die passeerden (van “A Minute” en “My Black Ass” tot “Squirrel Song” en “Doris/Wingwalker”) werden stuk voor stuk voorgesteld in al hun ontbeende glorie.

De sobere aanpak blijft daarbij imposant: heel straf om bijvoorbeeld te zien hoe een song die je amper een song kan noemen (“The End Of Radio”), die opgebouwd is rond een belachelijk simpel basfiguur, toch uitgroeit tot een knaller van haast epische proporties, en dat met een paar welgeplaatste drumslagen en een metafoor die zowel over het einde van de radio als de beschaving kan gaan. Na zeventig minuten zat het er op en Shellac deed wat iedereen verwacht had: indruk maken met een onnavolgbare sound en stijl. Zonder al te veel poespas en vrij onbewogen, maar ook dat maakt deel uit van de back to basics-aanpak. Droog, gortdroog zelfs. En geweldig, dat ook.

E-mailadres Afdrukken