Banner

Killing Joke

28 september 2010, AB

Guy Peters - 29 september 2010

Veel voormalige zwartzakken en punks waren opgedaagd om een van de iconen van de duistere jaren tachtig aan het werk te zien. Killing Joke behoorde ooit tot de grimmigste bands van zijn generatie en veel jongeren lieten deze kelk nu aan zich voorbijgaan. De oudjes daarentegen onthaalden de veteranen, die voor het eerst in 28 jaar een album opnamen in de originele bezetting als halfgoden. Iets te voorbarig.

Het titelloze debuut uit 1980 is ongetwijfeld een genreklassieker en het eerste sleutelstuk in een oeuvre dat van grote invloed was op zowel directe navolgers (Nine Inch Nails, Ministry) als minder duidelijk verwante bands (Nirvana, Neurosis). En hoewel hun discografie erg verscheiden oogt, is de harde Killing Joke-sfeer vol existentiële waanzin wel een constante. Het is muziek voor een postnucleair braakland, die nu eens aanleunt bij dansbare industrial en dan weer best te omschrijven valt als postpunkmetal, gothic met een shot politieke weerbarstigheid of Rammstein zonder de steroïden en kokosolie. De vorige twee albums waren verrassend sterke én vooral heavy platen, maar het was nog de vraag of we er iets van zouden horen.

Zoals verwacht putte de band (de originele line-up plus toetsen man Reza Udhin) vooral uit het zopas verschenen Absolute Dissent en het debuut. Dat zorgde eigenlijk voor een ongewild grappige setlist want die werd aangepakt als een continu haasje-over: elke oldie, die steevast enthousiast onthaald werd, werd gevolgd door een kraakverse track, waarbij het snel duidelijk werd dat dit concert misschien wat te vroeg kwam: het gros van het publiek was duidelijk nog niet vertrouwd met de meest recente worp. Het gevolg: geschreeuw van herkenning werd afgewisseld met aarzelende anticipatie, steeds opnieuw.

Frontman (want ‘zanger’ schiet tekort) Jaz Coleman pakte naar goede gewoonte uit met een theatrale performance, deels als volksmenner, deels als mimespeler (mét witgeverfd gelaat), de ruimte tussen de songs opvullend met thema’s als overbevolking, voedselschaarste, ecologie en massacontrole, die ook de orde van de dag uitmaken op de recente plaat. Geen vrolijk totaalpakket, integendeel, maar toch viel tijdens deze negentig minuten wel erg sterk op hoe anthemisch veel van die Killing Joke-songs zijn, hoe veel van die stukken uitpakken met tribale opbouw (de percussie was eerder afwezig) en rudimentaire refreinen die teren op herhaling en enormiteit. De voetbalstadionambiance was soms niet veraf.

Er werd meteen afgetrapt met een crowd pleaser van formaat, “Tomorrow’s World”, dat door de erg vlakke sound moeilijk van de grond kwam. Tijdens het nieuwe “In Excelsis”, dat in deze versie zo op het debuut had gekund, werd de sound rechtgetrokken. Daarom was de opvallend vroege aanwezigheid van “Wardance”, een van hun onbetwistbare klassiekers, voor velen meteen een hoogtepunt. Op de tandem “European Super State” (dansbaar!) en “This World Hell” na, werden de nieuwe nummers één voor één vrijgegeven, waarbij vooral opviel dat ze qua sound nauw aansloten bij de oudere nummers en eigenlijk een stuk minder krachtig waren dan de studioversies.

Wie het metalgebeuk van de vorige twee platen wilde horen bleef dus op z’n honger zitten, want hier werd vooral teruggegrepen naar de oude postpunksound. Vorige bassist Paul Raven (overleden in 2007) was dan ook de ideale bassist om uit te pakken met modderige kolossen, terwijl de teruggekeerde Youth belangrijker was voor de dubgerichte nummers uit de begindagen. Helaas leek de band statisch en futloos te spelen, waardoor klassiekers als “Requiem” en zelfs “The Wait” wat flets klonken en instrumental “Bloodsport” volledig op z’n bek ging. Ook de levenloze dub van “Ghost Of Leadbroke Grove” was ronduit saai. Het was dan ook jammer dat het een uur duurde (tot de komst van “Fresh Fever From The Skies”) voor de band echt ontwaakte uit z’n avonddutje.

”Asteroid” was het eerste echte hoogtepunt, maar niet veel later zat het er al op, met een uitstekend “Psyche” als afsluiter. Bisnummers “Complications” (zwak) en “Pandemonium” (goed) waren geen verrassingen, maar de afwezigheid van “Love Like Blood” was dat blijkbaar wel. Het publiek was duidelijk te spreken over dit concert, maar wij zagen een wat makke, inspiratieloze performance. Het was geen schertsvertoning zoals we de generatiegenoten van Sisters Of Mercy er een zagen geven, maar wel eentje die best wat van het botte gebeuk van Luc Van Acker en co. (als Revco World het voorprogramma van dienst) had kunnen gebruiken. Nu maar hopen dat die revitalisatie geen tijdelijke opflakkering was.

E-mailadres Afdrukken