Banner

ROADBURN 2010

17 april 2010, 013 Tilburg

Guy Peters - 18 april 2010

Na Vrijdag Baaldag beloofde de derde festivaldag enkel beterschap. Het gemor over de afwezigheid van Shrinebuilder bleef een constante, al zorgden het gevarieerde dagschema en de stilaan intredende stramheid voor voldoende afleiding. De zware driedaagse zou afgesloten worden met een dessert van formaat.

Een kopstoot op halfnuchtere maag, dat hadden we nodig. Helaas beseften we dat pas nadat Astra ons een half uur lang vervaarlijk dicht bij een middagdutje gebracht had. Het jonge vijftal speelt iets dat tussen vroege progrock en psychedelica te situeren valt, net op de as tussen King Crimson en Pink Floyd. Het plaatje klopte alleszins compleet, van de gestileerde seventies-outfits tot de double neck guitar, de Moog en een Memotron. Helaas was er van gevoel voor richting amper sprake en bleef de band halsstarrig ter plaatse trappelen, friemelen en spacey oorden opzoeken. We zagen al Vlaamse bands (Hypnos 69, bijvoorbeeld) die het er een pak beter vanaf brachten met een vergelijkbare aanpak.

Fatso Jetson dan maar. Commercieel succes zat er voor deze band nooit in, maar wie iet of wat vertrouwd is met de geschiedenis van de stonerrock is zich ongetwijfeld bewust van de semimythische status van de neefjes Lalli, die daarvoor al speelden bij een andere voor het genre cruciale band, Yawning Man. Samen met drummer Tony Tornay en vierde man en saxofonist/harmonicaspeler Vince Meghrouni zorgden de twee voor een van de meest charmante optredens van het festival, gekenmerkt door een no nonsense-attitude en rauwe, gretige speelgoesting. Met hun ziekenfondsbrilletjes en korte kapsels waren de Lalli’s eigenlijk de Proclaimers van dienst, maar hun set -- een klein uur vurige bluesrock met hoge punkfactor -- knetterde en spetterde onverwacht hard en heftig en werd enthousiast onthaald. Met een iets betere sound was dit een absolute uitschieter geweest.

Ook uit de Californische woestijn: chillin’ Brant Bjork, ooit nog drummer bij stonermonument Kyuss en het voorbije decennium aardig op weg om de J.J. Cale van de woestijn te worden. De man, die je zowel aan de zijde van Che Guevara als in een Cheech & Chong-film zou verwachten, heeft jaren geleden al z’n ding gevonden -- complexloze grooverock die bij zon, bier en wiet hoort zoals Slayer bij de 666e verjaardag van Satan -- en de hele laidback attitude neem je er dan ook bij. De sound zat snor, maar de stijl heeft sinds de vroege jaren negentig wel wat aan frisheid ingeboet. We zagen de man intussen een keer of vijf aan het werk, zowat elke keer met een verschillende line-up, en toch lijken de concerten inwisselbaar. Nochtans was het aan Fatso Jetson en John Garcia opgedragen “Low Desert Punk” een vroeg hoogtepunt.

Op de Main Stage was intussen Witchcraft aangetreden, ter vervanging van Shrinebuilder. Je kan het bezwaarlijk een band van hetzelfde kaliber noemen, iets wat de band zelf ook wel besefte en onderstreepte met een saluut aan het adres van de afwezigen. Toch lieten ze ook horen een van de blijvers in het genre te zijn. Een jaar of vijf geleden kon je de snotneuzen nog ervan verdenken om hun gelijkenis met de vroege Pentragram uit te buiten, intussen hebben ze zich die stijl zo eigen gemaakt dat ze natuurlijk en ongedwongen overkomt. Zanger/gitarist Magnus Pelander doet hier en daar denken aan Jasper Steverlinck - vrij opmerkelijk voor een band die wordt geassocieerd met ‘doom’, een genre dat het doorgaans niet moet hebben van frisse knapen (zonder baarden en tatoeages) en melodieën. Maar hun stijl werkt wel: de gepolijste sound is potig waar nodig en hun catchy folkinvloeden lijken nergens geforceerd. Witchcraft speelde een overtuigend en ontwapenend concert.

We waren het eigenlijk niet van plan, maar kozen dan toch voor ‘Garcia Plays Kyuss’. Achteraf hebben we er wat gemengde gevoelens bij, al was het absoluut niet het fiasco waar we stiekem voor vreesden. De band, met een Nederlandse ritmesectie en Belgische gitarist (Bruno Fevery, van o.a. Arsenal) speelde trouwe, maar geslaagde versies van een pak Kyussnummers, waarbij wel opviel dat de sound wat lichter uitviel dan die van de voorvaders. Dat mocht echter geen probleem zijn, want een te logge sound was een totale ramp geweest. Garcia zelf hing zoals vanouds weer de diva uit, met z’n verwijfde maniertjes, ongeïnteresseerde indruk en weinig spontane performance. Maar het moet gezegd: hij was een pak beter bij stem dan we verwacht hadden en toonde naar het einde van de set zelfs iets dat op emotie en dankbaarheid leek. Geen mens had ook verwacht dat hij tegenpool Ben Ward (de wild briesende (b)oerman van Orange Goblin) zou uitnodigen om er eentje mee te zingen.

Als dit concert iets bewees, dat is het wel dat een herenigd Kyuss (en als dat er ooit van komt, is geen enkel podium beter geschikt dan dat van Roadburn) makkelijk in staat zou zijn om een avond te vullen met niets dan sterke songs. De set die we te horen kregen was niet even geslaagd over hele lijn, maar bij het passeren van “One Inch Man”, “El Rodeo”, “Gardenia”, “Demon Cleaner” en “Freedom Run” kon je enkel bedenken dat die songs toch erg sterk waren. Veel van die nummers bevatten vrij gerekte instrumentale passages, tijd die Garcia opvulde door met z’n kont voor de drummer te staan draaien en een paar liter water te drinken. Een combinatie van respect en ergernis dus, al werd het concert uiteindelijk in het voordeel van de band beslecht, al was het maar omdat het ronduit indrukwekkend (het kippenvel nabij) was om het publiek te horen fluiten, zingen en uit de bol gaan tijdens nummers als “Thumb”, helemaal vooraan de set, of “Green Machine” (misschien wel Kyuss op z’n best), de afsluiter.

Het pijnlijkste moment van Roadburn deed zich voor aan het begin van het laatste optreden op de Main Stage. Toen de gordijnen openden voor Enslaved en Shining, die samen hun ‘Armageddon Concerto’ zouden brengen, kregen ze immers een zo goed als lege zaal te zien. Of het te maken had met concertmoeheid of het feit dat velen het festival als geëindigd beschouwden na de set van Garcia & co is niet duidelijk, maar de afwezigen hebben alleszins iets bijzonders aan zich voorbij laten gaan. Een onwaarschijnlijk ambitieuze tour de force, zo’n negendelige monstercompositie, maar die getuigde wel van de experimentele driften en creativiteit van beide bands. Zowel visueel (links de kortgeknipte knapen van Shining, rechts de vikings van Enslaved) als stilistisch ging het alle kanten op, met atmosferische soundscapes, hondsbrutale extreme metal en avant-garde met een symfonisch gewicht. Maar wat wil je ook, met niet minder dan tien (!) topmuzikanten op een podium?

Een paar stukken waren minder geslaagd of té abstract en haalden de spanning en concentratie even onderuit, maar telkens opnieuw stond er iets te wachten, werd je getrakteerd op wendingen, samenspel en passages waarbij horen en zien vergingen. Het concerto was absoluut te zwaar als afsluiter van een driedaagse, maar getuigde evenwel van de avontuurlijke en breeddenkende geest die het festival eigen is. Enslaved en Shining sloten af met een majestueuze climax die het gebeuren op gepaste wijze voor gesloten verklaarde. Roadburn 2010 was naar goede gewoonte lang en vermoeiend, maar ook opnieuw een evenement dat met zoveel betrokkenheid en liefde voor muziek in elkaar gestoken werd dat het opnieuw een bijzondere gebeurtenis was. Op naar de aswolkvrije editie van 2011!

E-mailadres Afdrukken
 
ROADBURN 2010

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST