Banner

(K-RAA-K)³ festival

3 maart 2007, Zaal België

Jurgen Boel; Guy Peters - 04 maart 2007

Terwijl de eerste namen van Rock Werchter worden vrijgegeven en de Schuer zijn reputatie van geldwolf eens te meer eer aandoet, blijft één van de boeiendste festivals van Vlaanderen / België ook zonder grootscheepse campagnes of uit de pan swingende prijzen voldoende volk trekken om van een geslaagd evenement te spreken.

Yep, het Gentse underground-label (K-RAA-K)³ heeft opnieuw zijn tenten opgeslagen in het Hasseltse KC België om jong en oud, poseur en muzieksnob, en alle andere miscasts en "mannen van de vreemde muziek" met een op zijn minst interessante en overvolle affiche naar Kraakfest te lokken. Een festival zoals alle andere: "veel venten, weinig vrouwen en nog minder knappe", alleen de muziek klinkt misschien wat minder voor de hand liggend.

De volop puberende Dennis Krokodil heeft zijn collega’s van Krokodillenland thuisgelaten, maar wel een vriend meegebracht. Dennis Krokodil & Friend spelen als Limburgers een thuismatch, maar weten met hun mengeling van aan Wolf Eyes verwante noise, oude Butthole Surfers-gekte — maar dan zonder de rock — en geluidsmanipulaties een intrigerende set neer te zetten, die misschien nog niet geheel voldragen is, maar wel alles belooft voor de nabije toekomst. Voorlopig houdt de groep het nog bij cdr-labels, maar het is slechts een kwestie van tijd voor een "formele" release zich opdringt.

Na de jonge snaken is levende legende Phil Minton aan zet. De man heeft volgens de laatste telling meegespeeld op een kleine honderd albums en staat vooral bekend als een meesterlijk improvisator die op trompet en met de menselijke stem de meest wonderbaarlijke klanken weet voort te brengen. Gezeten op een stoel en eerst nog schijnbaar nors om zich heen kijkend, start Minton met enkele vreemde klik- en sisklanken, hapt hij naar vliegen en bromt als een seniele grandpa Simpson. Wie Mike Patton op Moonchild gehoord heeft, kan zich hier iets bij voorstellen. Minton gromt, schreeuwt, boert, slist, klakt,…en gooit zijn hele bovenlichaam in de strijd voor een stemperformance die zonder meer geniaal is.

Na Mintons vocale vuurwerk stelt Raccoo-oo-oon teleur. De chaotische noisecore heeft duidelijk zijn fans, maar is geen spek voor ieders bek. Gelukkig is er Little Howlin’ Wolf om de gedachten te verdrijven. Zo klein is deze Wolf nu ook weer niet, de reusachtige Hell’s Angel-lookalike begeleidt zichzelf de eerste nummers nog op basdrum en hi-hat, en haalt uit zijn gitaar eerder middelmatige blues. Ondanks de rauwe stem en het smerige gitaarwerk weet hij nog niet echt te overtuigen. Maar wanneer de reus eerst twee fluitjes en daarna twee saxofonen bovenhaalt, neemt het optreden een andere wending. De hele set krijgt plots een exotisch tintje en geeft aan Little Howlin’ Wolf een eigen gezicht.

Ergo Phizmiz is er op het laatste nippertje nog bijgehaald, maar zijn met speelgoedklanken doorspekte set klinkt te gezocht kinderlijk om langer dan een nummer interessant te zijn. Helaas is Witchcraft niet op het appel om de zaal op zijn grondvesten te laten daveren, al weet het Spaanse Orthodox de teleurstelling bijna weg te blazen. De stoner/doom van het trio heeft duidelijk leentjebuur gespeeld bij Sleep en weet dan ook te bekoren. Het geheel, en zeker de drums, klinkt echter nog iets te rommelig — en dan vooral in de tempowisselingen — om Witchcraft volledig te doen vergeten.

Na de met zware metalen overladen mantra’s bezweert Daniel Higgs (Lungfish) het publiek met niet meer dan een mondharp, een banjo en de eigen stem. De repetitieve banjoklanken en de heldere stem van Higgs (denk aan David Tibet die roots met freakfolk verzoent) tillen de hele zaal naar een nieuw bewustzijnsniveau, waarna de Bohman Brothers iedereen terug naar aardsere sferen brengen. De broers, twee heren op leeftijd, weten alleen al door hun uiterlijk een glimlach te ontlokken. Vooral Adam Bohman, die er uit ziet als een verstrooide wiskundeprofessor op leeftijd, weet te charmeren. Broer Jonathan spreekt dan weer met zo’n prachtig Engels accent dat beiden het publiek al voor zich gewonnen hebben nog voor ze hun eerste "noot" gespeeld hebben.

De tafel voor hen ligt vol keukengerei, spuitbussen, een taperecorder en fruit (!). De broers willen immers onder meer een nieuwe poging ondernemen om een improvisatiesessie met fruit te brengen, want "the first time we weren’t inspired". De vaak nogal klungelachtige sessie — "oh there goes the mandarin. Is it a mandarin? Yes, it is." wanneer er fruit op de grond valt — die niemand echt snapt ("No, the song isn’t finished, it was just the car fading out" — Jonathan als reactie op applaus tijdens een nummer) en het totale gebrek aan welke vorm van pretentie of kunstzinnigheid dan ook, laten de set van de Bohman Brothers zweven tussen genialiteit en idiotie. Of zoals (gp) opmerkt: "dit zijn gewoon de broeders Verreth," maar dan wel met het doel musique concrète te maken.

De Nederlander Jozef Van Wissem toont zijn virtuositeit op renaissanceluit, maar de vermoeidheid na een lange avond en enkele luidruchtige Nederlanders zetten een domper op onze feestvreugde. Dan maar het Gentse Lugubrum, dat naar eigen zeggen "boersk blek metl" speelt en op plaat black metalgrootheden als Emperor, Burzum en (the true) Mayhem eert. Live zijn echter vooral de drums hoorbaar en verzanden bas en gitaar in een hopeloos vlakke geluidsbrij. Ook frontman Barditus’ grunt weet maar niet boven een vervelend gegrom uit te komen. Dat tijdens een aantal nummers een oude man teksten mag declameren, toont aan dat de groep niet vies is van experiment. Jammer genoeg blijft het deze avond te veel steken in een karikatuur om langer dan drie tellen te boeien.

Afsluiter Major Stars, een zeskoppige gitaarrockband met een voorkeur voor psychedelische jengelpartijen en gierende feedback, jaagt meteen de intensiteitsmeter het rood in. Met drie beukende, scheurende en jankende gitaren en de wildste drummer die we in tijden zagen, zetten ze een massieve geluidsmuur op poten die ronduit verbluffend is. De groep zit met een been in de klassieke rock-’n-rolltraditie met melodieuze zanglijnen zoals bij X, maar doet evenzeer denken aan de oude Dream Syndicate of Sonic Youth, met furieuze snarenduels die geregeld richting kolossale noise bewegen. Het zit de band echter niet mee: kabels en versterkers weigeren dienst en mooi ogende zangeres Sandra blinkt uit in truttig gedrag en vals zingen. Dat ze halverwege de songs vaak het podium afloopt, is dan ook geen probleem: zonder haar is Major Stars immers een pak beter. Op een goeie dag kan deze band ongetwijfeld voor een trip van formaat zorgen, nu is het een tumultueuze performance met enorme pieken en (helaas) dalen die een lange dag in toepasselijke chaos afsluit.

Een overvol programma dat een slordige tien uur duurt, noopt ondanks geen overlappingen in de optredens (er wordt zelfs netjes gewacht met soundchecken tot de anderen klaar zijn wanneer dit storend is) toch tot keuzes. Geheel onterecht misschien hebben we dan ook de improsessie van Thomas Ankersmit & Giuseppe Ielasi, de experimenten van Dinosaurs With Horns, de psychedelische trip van Warmer Milks en de drones van Bear Bones, Lay Low aan ons laten voorbijgaan.

Maar dat is en blijft Kraakfest ten voeten uit: een eigenzinnig en rijk programma met een veelheid aan stijlen zodat elk wat wils krijgt. Er zijn meer dan genoeg groepen om te ontdekken dan wel — eindelijk — aan het werk te zien. En dat niet elk optreden even geslaagd is of even gelukkig geplaatst, stoort op zo’n moment echt niet meer. Net als bij een rijkelijk buffet is het immers aan het individu om zijn keuze te maken en daarbij het risico te lopen iets te missen of iets verkeerds mee te pikken. Met Kraakfest heeft (K-RAA-K)³ opnieuw bewezen dat een festival niet elke keer hetzelfde menu moet opdienen om het publiek te boeien. Laat de Schuer er zijn lessen uit trekken.

E-mailadres Afdrukken