Banner

J.S. Ondara

30 april 2019, Botanique

Bjorn Weynants - 01 mei 2019

Tijdens Les Nuits wordt de statige museumzaal van de Botanique omgetoverd tot misschien wel de meest intieme en sfeervolle zaal van het complex. Het Grand Salon Du Concert -- zoals het dan tijdelijk zo mooi en plechtstatig heet -- bleek de ideale plaats voor de folkmuziek van J.S. Ondara bij ‘s mans eerste passage in België.

Het eerder dit jaar verschenen debuut van Ondara, Tales Of America, was een zeldzaam voorbeeld van een artiest die schijnbaar uit het niets op de proppen komt met een plaat die meteen af is. Er was natuurlijk de invloed van artiesten als Bob Dylan en Suzanne Vega, maar toch klonk de debutant Ondara nergens als een copycat en slaagde hij er meteen in -- ook geholpen door zijn prachtig stemtimbre -- om er een eigen geluid te vinden. Tel daarbij nog het verhaal achter het album van de in de Keniaanse hoofdstad Nairobi opgegroeide Ondara die er de Amerikaanse folkmuziek leerde kennen -- een weinig hippe muziekstijl aldaar -- en later via de green card-loterij terecht kwam in het land van zijn muzikale idolen.

Dat Ondara oog heeft voor het visuele is meteen duidelijk. Zo staat op het podium niet alleen de retro microfoonstandaard die uit de jaren ‘50 lijkt te komen, maar is Ondara -- net zoals op de hoes van zijn album -- gekleed in een kleurrijk pak met bijhorende fedora hoed. Kledij die afsteekt tegen zijn jongensachtig uiterlijk. Ondara steekt meteen sterk van wal met “American Dream”, zij het in een grondig hertekende versie. Live werd het nummer een slepende, van blues doordrongen, klaagzang. Al noemde hij het zelf wat bescheiden een "vreemde versie".

Hoewel de begeleiding op het album ingetogen en nergens storend is, valt het op dat de nummers hier in hun uitgepuurde versie met enkel gitaar nog beter worden. “Give Me A Moment” of “Television Girl” zijn in wezen eenvoudige, maar ijzersterke folksongs, terwijl “Lebanon” dan weer dicht tegen soul aanschurkt. Dan is er natuurlijk nog die stem. Het is ronduit indrukwekkend hoe straf Ondara klinkt en hoe makkelijk hij switcht tussen zijn gewone zangstem en de kopstem zonder echter in overdrijvingen te vervallen, zoals hij toonde in een beklijvende versie van “Torch Song”.

Toen Ondara ter inleiding van “Master O’Connor” vertelde hoe hij folknummers moest schrijven die luid klonken om gehoord te worden op de open mic avonden in zijn woonplaats Minneapolis, was het moeilijk om niet de vergelijking te maken met Bob Dylan, die zo’n zestig jaar eerder in diezelfde stad de koffiehuizen een paar maanden lang onveilig maakte met zijn songs, alvorens wat later naar Greenwich Village te trekken. De ontwapenende en relativerende bindteksten -- onder andere over hoe Ondara een overstap maakte in Brussel toen hij zijn vaderland verliet voor de VS -- zorgden voor een band met het publiek. Met “Good Question” en het toepasselijk getitelde “Saying Goodbye” rondde hij een korte, maar indrukwekkende set vol superieure folk af.

Een bisnummer stond eigenlijk niet op de planning -- Ondara was de eerste act van de avond -- maar dat was buiten het enthousiaste publiek gerekend. De roadie was al bezig met het opruimen toen we alsnog een ultiem bisnummer kregen. Daarvoor greep Ondara terug naar eentje dat hij voor het eerst hoorde als klein kind. “Smells Like Teen Spirit” was hier bijna onherkenbaar, maar de manier waarop hij het transformeerde tot een hermetisch, ineengekrompen folknummer was even gewaagd als geslaagd. Een kwartier of drie. Meer had J.S. Ondara niet nodig om een concert te geven dat een diepe indruk naliet.

E-mailadres Afdrukken