Banner

Algiers

13 januari 2019, Het Depot

Matthieu Van Steenkiste - 14 januari 2019

Op de drempel van de studio rolt Algiers nog één keer uit voor een laatste tour rond de moderne klassieker The Underside Of Power. Dat was meteen een goeie gelegenheid om in Het Depot al eens wat materiaal voor de opvolger uit te testen. Verdict? Franklin James Fisher en band zijn niet van plan minder boos te zijn.

Integendeel. Het eerste nieuwe, nog titelloze nummer dat Algiers lost is zo mogelijk nog meer punk dan Wat Vooraf Ging. Drummer Matt Tong -- hij met het eeuwige epitheton "ex-Bloc Party" aan zijn broek -- lost een virulente beat, Fisher doet niet eens moeite om nog iets met soul of gospel te doen. Hij brult. Dat is een beetje jammer, want het is net in die frontale botsing tussen zijn zwarte roots en het eerder 'witte' industrialgeluid van de drie anderen dat deze schandelijk onder de radar gebleven band zo bijzonder is.

Want zo goed was dat The Underside Of Power immers, nu alweer bijna twee jaar geleden. In de maalstroom die de wereld van Brexit naar Trump sleurde, had Algiers een plaat geschreven die de staat van de wereld opmaakte en woedend protest liet aanteken, een brandbrief van furieuze gospelzang, alle kanten uitschietende beats en krijsende, zeurende en slaande elektronica. En zo begon het ook zondag, met een "Cry Of The Martyrs" waarin Fisher de soulstrot in zichzelf vrij baan gaf en een groep die gruizig en vol klinkt.

Op dit kleine podium in wat gewoonlijk de betonnen foyer van Het Depot is, heeft de doorgaans beweeglijke zanger nauwelijks de ruimte -- geen James Brownbeentjes vandaag! -- maar net dat geeft hem nog meer het aura van een gekooid beest. De grote zwarte kat van "Walk Like A Panther" krijst en klauwt, haalt uit naar zwarte bekendheden die eenmaal rijk hun afkomst en huidskleur vergaten. Met bandana’s rond het hoofd of voor het gezicht geknoopt, is de beeldtaal passend revolutionair.

"We're coming back" wordt in koor beloofd en dat is in "Cleveland", een song over alle zwarte doden wiens bloed aan Amerikaanse politiehanden kleeft, maar meer specifiek de twaalfjarige Tamir Rice, die in november 2014 het ongeluk had om een schietgrage cop te ontmoeten. Fisher wilde dat het nummer klonk als het laatste oordeel en jawel: hij beheerst zijn oudtestamentisch uitstekend; mochten wij die wetsdienaar zijn, we durfden niet meer buitenkomen uit schrik voor de Vier Ruiters van de Apocalyps.

Pianoballad "Mme Rieux" is een rustpunt, met de chain gang chant van "Remain" gaat de tirade verder. "We, the spirits you raise", speelt Fisher spookhuis, in "Plague Years" -- pure Nine Inch Nails anno The Fragile -- mogen de geesten ook buiten komen spelen, zelf houdt hij grotendeels zijn mond. Een instrumental, deze band kan dat hebben, dus volgt er nog een vooraleer de heren de laatste bocht in scheuren.

Eerst een razendsnel "Animals", de op hol geslagen drumcomputer én Tong achterna, dan totemlied "The Underside Of Power". "We're on the wrong side of the power / It's a shadow / It's just a fire thrown across the wall", galmt Fisher, en het is niet verboden al eens aan Plato te denken. Slimme groep, dat moesten we nog even kwijt, maar ook een die net na die declaratie lekker helemaal in het rood gaat.

Het jaar is 2019, en als 2018 al geen pretje was, dan beloofden de eerste dertien dagen geen beterschap. In Frankrijk dragen ze aan de keerzijde van de macht gele hesjes, in Engeland is de kloof tussen Leavers en Remainers ondertussen breder dan het kanaal. En in het Amerika waar Fisher opgroeide? Daar gaat de oranje kleuter ondertussen helemáál loos. De rammelende drums van "Death March" waarmee we die verdoemenis en de nacht worden ingestuurd, zijn dus niet meer dan gepast. In april gaat Algiers de studio in voor opnames. Als de wereld zo verder doet, moet het een makkie zijn om van dat derde album een echt meesterwerk te maken.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Algiers