Banner

BRAND! Festival

22 + 23 november 2018, Kunstencentrum Nona, Mechelen

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 25 november 2018

Portugal, land van gegrilde sardines, fado, saudade en al die andere clichés, maar natuurlijk ook veel meer dan dat. Intussen ook slachtoffer van een onthutsend grootschalige verminkingsoperatie die dezer dagen vooral ter hoogte van Lissabon wordt aangericht door inhalige vastgoedconglomeraten die zinnens zijn om de ziel van de stad te verkopen. Er moet winst gemaakt worden nu het kapitalistische beest nog even gewelddadig stuiptrekt. Het is een schrikwekkende transformatie die hopelijk nog een halt kan toegeroepen worden voor de schade onherstelbaar is. Misschien (mede) door de jazz- en improvisatiescene, een kleurrijke golf van creativiteit die het voorbije decennium steeds meer gehoord wordt in binnen- en buitenland en voor het eerst met een forse delegatie neerstreek in België. BRAND! 2018 werd een festival dat om verschillende redenen bijzonder genoemd mag worden.

Programmator Bart Vanvoorden had immers een tweedaagse -- acht concerten -- bij elkaar gepuzzeld die misschien nog niet de volledige reikwijdte van die hele scene kon overzien (maar dat zegt dan meer over het aanbod dan over zijn inschattingsvermogen), maar die wel een goede indicatie gaf van de eigenheid van die Portugese weelde. Het relatieve isolement in die Zuidwesterlijke uithoek van Europa heeft er mee voor gezorgd dat de voorbereiding van die recente(re) explosie z’n tijd kon nemen en de saus eerst rustig kon sudderen voor de overstap naar het buitenlandse plateau ingezet werd. Het resultaat is een parade van artiesten die duidelijk in te passen zijn in een groter, internationaal geheel, maar samen een heel eigen flair toevoegen aan stijlen en subculturen, met bevlogen muzikanten die gretig in het voorbereidende werk van een paar generaties voorlopers duiken en er vervolgens een eigen twist aan geven. Dat leverde in Mechelen geen vieve, aanstekelijke jazzkes op, maar dat was duidelijk ook waar niemand op zat te wachten. Het exploreren in real time sloeg aan bij een publiek dat bereid was om de artiesten stap voor stap te volgen en achteraf gul zijn appreciatie toonde.

Met acht bezettingen, waarvan twee met een paar niet-Portugezen, ga je de rijkdom van Lissabon, Porto, Coimbra en alles daartussen dus niet kunnen opvangen, maar het was wel mooi dat BRAND! een paar sleutelfiguren uitgenodigd had. Met Carlos ‘Zingaro’ stond misschien wel de belangrijkste pionier op de planken, een artiest die tijdens Salazars regime (dat aanhield tot 1974) al actief was met ongewenste artistieke expressie en de weg voorbereidde voor de generatie die in de jaren tachtig en negentig de kop opstak, met vertegenwoordigers als Sei Miguel en Rodrigo Amado, beiden van de partij. Ze speelden een bepalende rol voor de verdere ontwikkeling van de muziek, die samenviel met de heropleving van stedelijke centra en de geboorte van toonaangevende labels als Clean Feed en Creative Sources aan het begin van dit millennium. De voorbije vijftien jaar is Portugal, en vooral Lissabon, uitgegroeid tot een ankerplaats waar de internationale garde maar al te graag aanmeert. Het was enkel wachten tot de omgekeerde beweging zou plaatsvinden, want één enkele uitzondering, zoals Susana Santos Silva, daargelaten, waren deze artiesten bitter weinig in deze contreien aan het werk te zien. BRAND! was dus een welkome inhaalbeweging die hopelijk een kleine doorstart betekent.

22 november: trompet-tet-tet-tet-terij

Maar goed, de muziek. Verdeeld over twee dagen met een heel eigen insteek (al was die misschien meer het gevolg van praktische elementen dan van bewuste keuzes), waarbij de eerste dag gekenmerkt werd door vier concerten met telkens een centrale (of toch belangrijke) rol voor de trompet, en de afwezigheid van piano en drums. Op dag twee zat er in elk concert slagwerk, waardoor de muziek meteen ook wat volumineuzer werd. Dat betekende echter niet dat het eerste deel vrij was van verrassingen of weerhaakjes, want rustig onderuit zakken was er niet bij. Zelfs niet tijdens het soloconcert van Susana Santos Silva in de Sint-Romboutskathedraal, die ondanks z’n onafgewerkte toren nog altijd een hoogte van bijna honderd meter haalt en beschikt over een imposant middenschip met een forse galm. Een ideale uitdaging voor Santos Silva, die eerder dit jaar nog een album uitbracht (All The Rivers) dat werd opgenomen in het Nationale Pantheon van Lissabon, een constructie met een nagalm die nog langer en excentrieker is dan die van Mechelen.

Voor het gros van de muzikanten is zo’n galmbak een verschrikking, maar voor sommigen een uitdaging. De nagalm kan immers zo lang worden dat het een voedingsbodem wordt, mogelijkheden creëert om harmonieën op te zoeken, klanken een eigen leven te laden leiden, te spelen met de grenzen van die trage ontbinding. Santos Silva speelde hier mooi op in door net als op haar album in te zetten op een brede waaier aan stijlen en klanken, met in de aanzet majestueuze uithalen die iets hadden van feestelijk klaroengeschal, waarna ze in de weer was met vet uitgesmeerde vegen die afgewisseld werden met zachtere toetsen, die ondanks de ruimte een indruk van intimiteit gaven. De indrukwekkendste momenten ontstonden steevast zodra kracht en volume omhoog gingen, vooral in de hogere registers. De vlugge loopjes werden een wazige klankstroom, de lange uithalen kregen uitwaaiende stoombootresonanties, de ruis-, prot- en plopeffecten werden excentrieke details in een onwezenlijke taal. Op All The Rivers leidde het tot een aangehouden performance van meer dan veertig minuten, hier was het door een kleinere boog net iets meer dan de helft, al volstond het om de toon te zetten.

Later die avond kregen we Santos Silva te horen in een heel andere gedaante, in het gezelschap van bassist Torbjörn Zetterberg en altsaxofonist Chris Pitsiokos. De eerste is al ruim zes jaar een frequente metgezel, de tweede een nieuwere connectie. De drie kwamen elkaar voor het eerst tegen in december jl., en brachten recent Child Of Illusion uit, een markante driehoeksverhouding waarbinnen de muzikanten op zoek gaan naar een gedeelde taal. Die heeft niet zozeer uitstaans met de hypernerveuze jazzterreur waar de Amerikaan aan gelinkt wordt (laten we niet de fout maken om hem te reduceren tot enkel dat), maar met een voortdurend in beweging blijvende interactie die openheid koppelt aan assertiviteit en vindingrijkheid. Wat je te horen kreeg was communicatie die best een breed gamma aan sferen, stijlen en temperamenten aansprak.

Het kwam voorzichtig op gang, maar belandde al snel in een vroege, nerveuze spurt met snelle altsaxriedels die parallel liepen met trompetgefladder en knoestige basloopjes. Vervolgens ging het gelijk op zonder dat je kon spreken van echt simultane sporen. Het werd een soort van muzikale pingpong, waarbij Pitsiokos virtuoze techniek koppelde aan extended techniques en met de trompettiste ideeën heen en weer ketste aan een soms duizelingwekkende snelheid. Net zo goed waren er ook momenten die meer rust in de set brachten, al was dat tijdelijk, want iets later werd weer trappen op en af gebolderd, ging Santos Silva een klein fluitje bespelen om daarna weer een participant te worden in een driestemmige acrobatie vol kleurrijke versieringen en ongedurige energie. Net als het album was dit musiceren op het scherp van de snede.

Het was het slot van een markante dag, want ook Chamber 4 tekende een paar uur eerder al voor een hoogtepunt door volop het gebied tussen zwierige kamermuziek en vrije improvisatie te verkennen. De twee albums -- Chamber 4 en City Of Light -- blonken uit in een beweging die door Stef Gijssels in de liner notes voor het tweede album treffend beschreven werd als een spreeuwenvlucht: de vogels bewegen onvoorspelbaar en chaotisch, maar wel eensgezind en volgens spectaculaire patronen. Zo gaat het ook vaak binnen Chamber 4, waarin violist Théo Ceccaldi werd vervangen door Carlos Zingaro, legende van de Portugese muziek. Ook nu werd een evenwicht gezocht en gevonden tussen grillige vrijheid en momenten van grote homogeniteit, met een golf van ideeën die uitgevoerd werd als een perfect gebonden saus. Speerpunt van de interactie vormde vaak Luís Vicente, in de weer met een zo goed als ononderbroken stroom van input, iets dat hem in een andere context strafpunten zou opleveren, maar hier een rode draad kon zijn.

Conventionele techniek was eerder iets voor tussen de plooien, muzikale mortel om de blokken mee vast te leggen, want het was een aangehouden trip vol ruis en delirisch gesputter. Op zichzelf een oefening in techniek en abstractie, in combinatie met de anderen vaak goed voor een meeslepende melancholie, half-onderdrukte emotionaliteit die bleef worstelen met die lipspanning en ontglipte in kleine staccato gulpen. Het samenspel had iets van een ontsnapping in een wielerbergrit; samen op en neer, steeds opnieuw met een wisselende kopman, hier en daar met kleine duo-ontsnappingen of contrasten van techniek (pizzicato vs. strijkstok, lang aangehouden klanken vs. korte plofjes), met Zingaro die de strijkstok liet dansen met dartele speelsheid en cellist Valentin Ceccaldi die een indrukwekkende klankbeheersing (en –manipulatie) liet horen. Helemaal rechts sprak gitarist Marcelo Dos Reis al net zo’n breed spectrum aan, met repetitief getokkel, strijkstokvegen en een passage waarbij de gitaar geprepareerd werd met kurken en omgebouwd tot een percussieve klankengenerator.

Chamber 4 was goed voor een bedwelmende coherentie die het ene moment bewoog met een pakkende homogeniteit, maar ook een prachtig evenwicht vond tussen openheid en onconventionele technieken. Een pastoraal getinte trance die dromerigheid en spanning vernuftig in een organisch evenwicht hield. Wat een fascinerend contrast met de muziek die Sei Miguel, Fala Mariam en Bruno Silva vervolgens lieten horen. Trompettist Miguel is misschien wel de ultieme cultfiguur van de Portugese improvisatie, een zachtaardige iconoclast die zelfs volgens zijn collega’s compleet sui generis is. Zelf koestert hij een grote liefde voor de jazztraditie, die nog expliciet gemaakt werd met een ode aan Fats Navarro, maar die liefde passeert wel eerst langs een filter die er soms een onwereldse draai aan geeft. Daarvoor deed hij nu ook beroep op zijn working band met tromboniste Mariam en gitarist Silva. Samen brachten ze vijf composities die gebundeld waren in één grafische score.

Miguel is een bijzondere figuur, die erop stond om zijn muziek in een bijna verduisterde ruimte te spelen, enorm veel stilte toelaat, voortdurend heen en weer geslingerd lijkt te worden tussen rust en onrust, de trompet eerst even naar het oor beweegt alsof hij snel wil luisteren wat het instrument te vertellen heeft. Hij speelde voortdurend in korte gulpen op zijn pockettrompet; het leken wel flarden die weggeknipt waren uit een groter, meer voluptueus verhaal. Mariam en Silva speelden net iets conventioneler; met soms lange, grillige trombonestoten, waar soms een brallende energie aan ontsnapte, en schimmige gitaarpartijen die regelmatig de zachte gaafheid van de lijzige ballademeesters hadden, maar ook afdwaalden, terwijl de leider hier en daar aanvulde, accentueerde of contrasteerde. Het waren composities die vaak onafgewerkt leken, meer ruwe schetsen dan afgelijnde structuren, maar net daardoor, en in combinatie met Miguels lange stiltes, zo eigenaardig aanvoelden. Hier en daar wat obscuur of stug, zeker in het vierde, ontregelde stuk, maar tegelijk ook compleet origineel en doordrongen van de unieke visie van een eeuwige outcast. Het soort concert dat een festival een extra dimensie geeft.

23 november: badoem-tttsssjjjjhhhh

Natuurlijk heeft niet alleen de Portugese scene zijn opvallende figuren, want met pianist Seppe Gebruers beschikken ook wij over minstens één onnavolgbare muzikant die stilaan z’n eigen hoekje afgebakend heeft binnen de geïmproviseerde muziek. De pianist was jaren geleden al regelmatig in de weer met bassist Hugo Antunes, die lange tijd in België woonde, en samen vormen ze een trio met de Duitse percussiemeester Paul Lovens, een van de centrale figuren van de Europese vrije improvisatie, die tekende voor een resem fabuleuze releases en nog meer memorabele concerten, o.m. met het Schlippenbach Trio. Samen met de twee jongelingen kwam hij The Room: Time & Space voorstellen, een album dat begin 2016 opgenomen werd in… Kunstencentrom Nona. Als de combinatie van deze muzikanten al tot de verbeelding spreekt, dan krijgt het geheel nog een extra fascinerende wending doordat Gebruers gebruik maakt van twee piano’s, waarvan de ene een kwarttoon lager gestemd is dan de andere.

Lovens omschreef de ruimte in de liner notes bij het album nog als “(…) this little gloomy theatre”, met de bedenking dat o.a. de vorm, afmetingen, geur en temperatuur van een ruimte bepalend kunnen zijn voor wat er zich muzikaal afspeelt. Snel werd duidelijk dat deze performance van het trio ook doordrongen was van een rijke inspiratie, want voor je het besefte waren de drie vertrokken voor een interactie die volledig in het moment dook, met geen enkele muzikant die het spel volgens de regels speelde. Antunes was in de weer met die combinatie van uitzonderlijke techniek en gretige klankexploratie, Gebruers ging het volledige gamma af tussen iele dwarrelingen, uitgebreide effecten (de piano klonk even als een zither) en explosieve uitbarstingen, met parallelle acties over de twee piano’s die, net door die kwarttoonspanning, een zwalpend effect creëeren, alsof het een beetje uit z’n haak hing en elke moment dreigde in te storten. Lovens was ook nu weer het sluitstuk van de band, een percussionist die soms als een savant over z’n rudimentaire drumkit hangt, maar speelt met een onwaarschijnlijke feel en timing en zo de schijnbare chaos van een doe-het-zelfwinkel combineert met een onstuitbare flow. Een absolute meester van textuur en cadans, en de ideale figuur om de input van zijn kompanen op te vangen. Maar goed dat deze performance werd opgenomen met oog op een toekomstige release.

Slow Is Possible, ondergebracht in het Cultuurcentrum om de hoek, ging een buitenbeentje zijn. De band is niet zozeer actief in de uithoek van de vrije improvisatie, als in een braakland van instrumentale rock met uitlopers richting doem-, jazz- en postrock. Wat vooral opviel is dat het sextet anno 2018 een pak krachtiger en heavier speelt dan toen we ze voor het eerst zagen, een paar jaar geleden. Dit was een potige rockband, weliswaar eentje met ook een cellist en pianist in de gelederen; een band die meteen uit de startblokken denderde met de woestheid van een bende wilde paarden, aangestuurd door een gitarist die met al even dramatische zwaaibewegingen z’n manschappen aanstuurde. Dat gebeurde zo enthousiast dat de man in het tweede stuk een snaar brak, wat een eindeloze pauze opleverde, iets dat ze beter hadden opgevuld, desnoods met een korte jam.

Helaas kreeg de band die goeie vorm van het eerste kwartier niet meer terug te pakken, door een combinatie van elementen. De sound zat goed (net als bij de andere concerten), maar het leek alsof de band snel in herhaling viel. Misschien omdat de band in een sandwich zat tussen andere bands die kozen voor de totale vrijheid, maar ook omdat er gewerkt werd met repetitieve structuren, finales die een paar keer te lang gerekt werden door er nog maar eens een gedirigeerd vervolg aan te breien, en een concert dat eigenlijk gewoon veel te lang duurde. De band speelde hecht en met overgave, de pianist mocht een paar keer kort loos gaan en zorgde dan steevast voor een piekmoment, en hier en daar waren er een paar knappe momenten, waarin het klonk alsof het midden gevonden werd tussen The Lounge Lizards en Earth (ja, toch wel), maar een iets meer gebalde performance was beter geweest.

Vervolgens was het terug naar de Nona voor twee zwaargewichttrio’s uit Lissabon, het RED Trio en Rodrigo Amado’s Motion Trio. Die eerste band speelde met Susana Santos Silva als gast. Dat ze dat doen is niet nieuw, want van de acht releases die het trio uitbracht, waren er vijf met gasten en ook Santos Silva was al eens van de partij. Binnen die concerten wordt steevast een dubbele beweging gemaakt: de aanwezigheid van de gast zorgt voor input waarmee de band aan de haal gaat, terwijl die extra muzikant ook verplicht wordt om de deining van de eenheid te volgen. Je moet van goeden huize zijn om binnen die formatie je mannetje te kunnen staan, maar dat is exact wat Santos Silva deed: ze ging van meet af aan mee in de beweging van het trio, leverde ideeën aan en pikte in op het samenspel van pianist Rodrigo Pinheiro, bassist Hernâni Faustino en drummer Gabriel Ferrandini. Als er al iets op aan te merken viel, dan misschien dat ze gerust wat meer ruimte had mogen laten, wat stilte laten vallen, iets dat zo’n trio moeiteloos kan opvullen.

Individueel zijn het stuk voor stuk indrukwekkende muzikanten (met vooral Pinheiro nog als onderschatte muzikant), maar zet ze samen en er gebeurt iets waar je je vinger niet zomaar op kan leggen. De vertrouwdheid leidt tot een interactie die maximale vrijheid opzoekt en toch gelijkaardig blijft opgaan. Het heeft iets van die trance van Chamber 4, maar dan binnen een woeligere context en met een extremere dynamiek. Van detaillistisch gefrunnik, met Pinheiro die met een EBow in de pianobuik even ambient-klanken produceerde, tot een wervelstorm van geluid, met het krachtige stootwerk van Faustino en Ferrandini die voortdurend over zijn materiaal raast, ratelt en klettert, een hoop uitgestald metaal onophoudelijk in zijn spel betrekt en naadloos inpikt op de input die hij zijn richting uit gepegeld krijgt. Santos Silva maakte indruk met lange, lyrische golven die zorgden voor een mooie contrastwerking, maar net zo goed met expressionistisch geklieder, extended techniques en even het gekraak van een muziekdoosje.

Van een uitgebeend, haast minimalistisch geluid tot een woelige orkaan, je kreeg het allemaal voor de kiezen in compacte vorm, want die veertig minuten voelden ondanks een immens parcours aan als amper de helft. Als die set vrij beknopt was, dan was het aanbod extra genereus bij het Rodrigo Amado Motion Trio, nog zo’n working band die intussen uitgegroeid is tot een sterkhouder van de Portugese scene, ook al zijn de muzikanten met talloze andere projecten in de weer. Tenorsaxofonist Amado was de voorbije jaren ook actief met zijn kwartet met Joe McPhee en met The Attic, waarmee hij tekende voor een van de hoogtepunten op het voorbije Summer Bummer Festival, terwijl cellist Miguel Mira te horen valt op een resem releases van het Creative Sources-label, en drummer Ferrandini eerder dit jaar speelde met een klepper als Evan Parker en onlangs nog een tweede album uitbracht met David Maranha en Alex Zhang Hungtai (bekend als Dirty Beaches).

Zoals gewoonlijk koos het trio voor een uitstrekkende beweging, die gestaag op gang gebracht werd door Mira en Ferrandini. Amado is een leider die zelden gaat voor het wilde gebaar of het grote geweld, ondanks het feit dat hij wel erg krachtig kan spelen en een robuuste sound heeft. Zijn stijl is beheerster dan veel van zijn collega’s en gaat resoluut voor poëzie en uitweiding met die typische melodische flarden en intervallen, die in steeds gewijzigde vorm en vol staccato effecten verkend worden. Wat start bij een ballade-achtig stuk wordt via eindeloze verschuivingen tot tegen een kokende intensiteit gebracht, iets waar het trio vaak nét onder blijft hangen. Mira’s spel klonk soms wat onduidelijk, maar was een ronkende fond en een ideale aanvulling bij het briesende getempeest van Ferrandini, die zijn liefde voor metalen objecten afwisselde met razende roffels en een regenbui van details. Een eerste verkenning van vijftig minuten werd gevolgd door een stuk dat Amado solo inzette. Snel invallen zou de meest voor de hand liggende optie voor de ritmesectie zijn, maar ze hielden de boot af, lieten de leider alleen de weg afleggen, wat die deed met een mooie combinatie van discipline en lyrische bevlogenheid. En als Ferrandini dan inviel, nét op een staccato stoot, dan was het meteen ook een laatste stuiptrekking voor de set afgerond werd. Opnieuw geen evidente kost, want het trio speelde met een aanpak die vrij blijft van clichés en verwachte patronen, maar de reactie van het publiek sprak boekdelen. Dit was geen obscure shit van een paar muzikanten die voor zichzelf spelen, maar van artiesten die uitnodigen om parallelle paden te verkennen die minstens even boeiend zijn als de gangbare.

Het maakte van deze BRAND!-editie best een gewaagd festival, want er werd voluit gekozen voor (enkele van de) figuren die met een persoonlijke, soms idiosyncratische stijl de conventies ontwijken, maar zo ook ervoor zorgen dat die Portugese golf z’n eigenheid bewaart. Voor sommigen kon de tweedaagse zo uitgroeien tot een ontdekkingsfestival, voor anderen was het een buitenkans om al die kleppers bij elkaar aan het werk te zien. Voor de organisatie was het ongetwijfeld spannend afwachten wat het zou worden, maar het werd snel duidelijk dat dit er eentje is om te onthouden.

E-mailadres Afdrukken