Banner

Sonic City

10-11 november 2018, Depart (Kortrijk)

Tom De Moor & Hans Rombaut - 11 november 2018

Zaterdag 10 november

De zaterdag van Sonic City kleurde quasi volledig vrouwelijk, met als top of the bill curator Courtney Barnett. De line-up bracht echter een bont allegaartje van gevestigde waarden, nieuwe ontdekkingen en verrassende experimenten.

Wij dropen Départ ongeveer gelijktijdig binnen met de jonge Duitse techneute Hachiku, een zeldzame Europese aanwezigheid op het Milk!-label van Barnett die al vroeg verzachting voor het gure herfstweer bood. Ze voorzag haar vooraf in elkaar gemixte dreamtronica van ijle zanglijnen en een streep gitaar. Zo oversteeg ze de voorspelbare meisje-met-een-gitaar monotonie en ontpopte ze zich tot een radiovriendelijke jonge zus van CocoRosie. Haar schuchtere gefluister tussen de tracks door vertederde een al vroeg opeengepakte kleine zaal.

Na deze zachte omarming wachtte al steviger werk in de grote zaal, waar het Amerikaanse trio The Coathangers met een koffer punky riot grrrl klaarstond die zijn tentakels uitsloeg naar de gouden dagen van Bikini Kill en L7 met in enkele gitaarriffs zelfs een tribuut aan Pixies. De melodieën stonden strak gespannen en vormden het speelveld voor een afwisseling tussen de hogere noten en schrille uithalen van Alison Mosshart indachtige gitariste Julia Kugel en het diepe gebrom van energieke drumster Stephanie Luke. De naar punknormen lange nummers kenden genoeg tempowissels om te blijven boeien in een voor het genre ongezien gevarieerde setlist, wat van deze set een smakelijke sucker punch in retrostijl maakte. Hun badeend verdiende ook een vermelding als het meest originele instrument van het weekend.

Sasami Ashworth verdiende haar sporen als schrijfster en muzikante bij onder meer Soko en Cherry Glazerr, maar is nu klaar om solo te debuteren. Ze gaf een voorsmaakje van haar te verschijnen album, dat flink refereert aan de gitaarrock van de vroege noughties die de soundtrack van de betere tienerfilms bevolkte. Ze schakelde moeiteloos tussen radiovriendelijke riffs en punkier segmenten, maar wist weinig eigenheid te bieden. Een korte gil probeerde bijvoorbeeld een randje te scherpen aan een braaf kabbelende popsong, maar helaas zou deze na afloop van de set toch snel de vergetelheid induiken.

Beverly-Glenn Copeland stond niet alleen als enige (trans)man, maar ook naar leeftijd en genre als vreemde eend geprogrammeerd. Hij voedde een klassieke pianotraining met invloeden uit soul en wereldmuziek tot een breed oeuvre waar zelfs Sesamstraatcredits in passen. Bovendien kent hij zijn geschiedenis, die onder meer via de spiritual “Deep River” zijn weg tot 2018 vindt, met een uitvoerige kadering erbij. De klassieke soulpopsongs kabbelden rustig voorbij, maar kregen een vol livegeluid dankzij een vijfkoppige begeleidingsband. Ze bliezen enkele smartlappen een ontroerend tijdloos karakter in, met “Love Takes All” voorop: een prachtige pianoballade die je hart binnenkruipt en waar Copeland het sterkste van zijn vocals toonde door ze van de te vaak gebruikte vibrato te strippen. Helaas is de kwaliteit van de songs onevenwichtig. “Let Us Dance” probeerde zowel qua instrumentatie (die enerverende belriedel!) als qua zanglijn te veel in een melodie te proppen over. Copelands genereuze -- hij bedankt zijn voltallige band na quasi elke song -- breedsprakerige, vertederende persoonlijkheid gaf nog extra warmte aan deze composities, hoewel dit deken na enkele songs toch te weinig frisheid doorliet.

Hilary Woods dompelde de kleine zaal onder in een veel ingetogener sfeer. Alleen aan haar piano, onder een spaarzame spot, bracht ze duistere ballades die quasi klassieke instrumentatie combineerden met een ijle zanglijn die het midden hield tussen Stephanie Dosen, Dolores O’Riordan en Chelsea Wolfe. Haar gedoseerde volume dwong het publiek tot luisteren; wie de moeite nam, vond er een meeslepende beek van zwarte romantiek die door subtiele effecten als geloopte piano aanzwol zonder in spielerei te vervallen. In de tweede helft van haar korte set nam ze de gitaar ter hand, waarmee ze in alle simpliciteit verder wist te bezweren. Af en toe hintte de elektronica naar experimenteermogelijkheden voor de toekomst, maar deze grondlaag zit alvast verdomd snor.

Let’s Eat Grandma moet zonder twijfel de meest hipstergerichte band op de zaterdagaffiche zijn. Met hun debuut speelden ze nog leentjebuur bij CocoRosie, maar met de succesvolle opvolger I’m All Ears ontpopten ze zich onder meer dankzij SOPHIE tot indiepopsnoepje van het jaar. Er werd al van bij het begin al lustig met singles gesmeten. “Hot Pink” bleef lekker in de oren liggen en genoeg verrassen om niet tot platte prefabpop te vervallen, waar “It’s Not Just Me” echter wel al snel naar afgleed. De live synths en drums leken maar weinig bij te voegen aan de tape; de vocals, vooral van Jenny Hollingworth, vielen een stuk vlakker dan op plaat en de jeugdigheid van de jeugdvriendinnen bengelde tussen schattig en schaamtelijk. Tracks als “I Will Be Waiting” kregen een groter livegevoel met gitaar en drums, maar lagen opmerkelijk dichter bij de mainstream dan de albumversie liet vermoeden. Enkel met “Deep Six” en “Donnie Darko” bereikte de set in de staart een donkerder punt waarop alle puzzelstukken even op hun plaats vielen: genoeg live instrumentatie -- zelfs een streep live sax -- harmonie in de vocals en prettig gestoorde lyrics. Wanneer ze daarbij schijndood op het podium vielen of door de zaal huppelden, werkte hun jeugdigheid ontwapenend in hun voordeel, maar op deze uitzonderingen na is het duo voorlopig nog niet meer dan een tussendoortje.

Eleanor Friedberger oversteeg als solo-act al snel de faam van The Fiery Furnaces, het tot nader order op hiatus zijnde project dat ze met haar broer deelde. Muzikaal ontgroeide ze de wonderlijke waanzin die de Furnaces in het oog lieten springen, maar soms ook tot een gimmick herleidden. Aan de vooravond van haar vijfde langspeler opende ze een koffer vol indiepop die als radiovriendelijk geklasseerd kan worden, maar dankzij menig invloed uit de canon -- van Dusty Springfield over Motown tot beach rock -- bijgekruid werd tot een charmante collectie oorwurmen die makkelijk in het oor lagen maar door een markante riff of onverwachte volta toch weer konden verbazen. Dat we bij “Stare At The Sun” afwisselend aan Mazzy Star, Gabrielle en Fleetwood Mac dachten, toont dat we met Friedberger in goed gezelschap waren. De combo van een Motown stomp met spoken word gaf in “Roosevelt Island” het klassieke geluid plots toch een nieuwe vernis. Met haar driekoppige begeleidingsband deelde de warmgevooisde, live duidelijk doorgewinterde frontvrouw een tomeloze liefde voor muziek die ze moeiteloos op het publiek overbrachten. De doorbloede vocals, lekker diepe drums en gezapige riffs pimpten “Inn Of The Seventh Ray” met kilo’s charme.

Beklijven deed Eleanor Friedberger echter niet, maar daar hadden we meteen nadien Joan As Police Woman wel voor. Zij bracht haar Damned Devotion tour al voor de derde keer naar Belgische bodem en mikte dus niet op verrassingen, maar leverde opnieuw bloedmooie kwaliteit. Sinds Cactus verkeert ze in topvorm en verdween elke kinderziekte uit het nieuwe materiaal dat tot de top van haar oeuvre behoort. "Damned Devotion" stond er live eindelijk als de aanstekelijke soulpop die het op de gelijknamige plaat is; "Rely On" rolde ronkend uit de boxen en begint zich steeds rockender en funkier te outen; op "Steed" tikte Wasser eindelijk elke hoge noot moeiteloos aan waardoor het nummer echt een orgelpunt vormde -- de geest van Donna Summer kijkt goedkeurend toe. Wanneer met "I Defy" het eerste oudje middenin de set opdook, stond deze even hard te stralen als de nieuwelingen. Zelfs Anohni hoeft niet meer tussen te komen; anno 2018 heeft Joan As Police Woman het exacte kruispunt tussen soul, funk en rock gevonden én de band die deze mix live ijzersterk kan vertalen.

Het duo Cate Le Bon en Tim Presley, samen opererend als Drinks, dreef het tempo opnieuw op in afwachting van de curatrice. Hun act laveerde tussen rauwe artrock en art fart. Had de podiumenergie wat meer peper in het gat gehad, dan had hier een opportuniteit ingezeten; nu had je vaker een wtf-gevoel dan een euforiemoment.

Mevrouw Courtney Barnett gidste Sonic City gezapig haar set in met "Hopefulness", de opener van haar meest recente, die aandikte van rauwe solosong tot band effort. Het tempo mocht meteen verder de hoogte in met "City Looks Pretty". Barnett trapte zichtbaar goedgeluimd de finale van haar avond in gang. Zelfs aanhoudende technische problemen bij de start van de set konden de mood niet killen: haar enige doel was een sterke festivaldag met een good ole time af te sluiten. Met klassieke rocksongs als “Avant Gardner” en “Charity” onder de arm lukte dat wonderwel; Barnett overwon als headliner op haar festival haar awkwardness en ontpopte zich tot een knallende frontvouw die een charmant alternatieve, live lekker gekorrelde stem bood aan al te vaak door testosteron aangedreven songs. Lyrics als “I have better things to do than shave my legs for you” droegen hier alleen maar toe bij en knalden de zaal in met een sterke instrumentatie (die finale van “History Lesson"!). Met hier en daar een stevige portie riot grrrl (“I’m Not Your Mother, I’m Not Your Bitch"), aanstekelijke poprefreinen (“Need A Little Time”) en een geut grunge (“Nameless Faceless”) gaf Barnett een gevarieerde, energieke en gewoon fucking sterke rock show. Niet dat het altijd volle gas vooruit hoefde te gaan; het zalig lang uitgesponnen “Debbie Downer” mocht zich ook gerust tussen de hoogtepunten scharen. Wanneer het hard ging, ging het echter nog een pak knallender hard dan op plaat. Met de vuist in de lucht werd voor de tigste keer getoond dat het heden al ijzersterk female is; op naar de future maar!



E-mailadres Afdrukken