Banner

Jazzfest Berlin 2018

1-4 november 2018, Haus der Berliner Festspiele

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 07 november 2018

Jazzfest Berlin, ontstaan uit de legendarische Berliner Jazztage, is intussen toe aan zijn 55ste editie. Een hele voorgeschiedenis dus, maar misschien was dit wel het ideale moment om in te pikken in het lange verhaal, want met de komst van nieuwe artistieke directeur Nadin Deventer waait er duidelijk een nieuwe wind door het befaamde evenement, wat zich vertaalt in een gelaagd en contrastrijk programma met een nevenprogramma dat al net zo divers en verrassend is.

Met meer dan 200 muzikanten uit 15 landen en een handvol thematische invalshoeken wordt de lat hoog gelegd bij Jazzfest Berlin, en dat mag ook wel voor zo’n stad. Toen Martin Luther King in zijn openingsspeech voor de eerste editie (1964) sprak over jazz en blues als ‘triumphant music’, was dat met een enigszins wrange bijsmaak. Drie jaar eerder was er immers een muur van 45 kilometer lang door de stad gemetseld en die zou er nog een kwarteeuw blijven staan. Intussen liggen die dagen gelukkig achter ons, en is Berlijn uitgegroeid tot misschien wel de meest leefbare metropool van Europa, een stad die nog altijd indruk maakt met zijn eindeloze uitgestrektheid, brede lanen en nog bredere stoepen. Een stad op mensenmaat, met functionerend openbaar vervoer en internationale flair, die bovendien ook nog eens betaalbaar is voor de gemiddelde (jazz-)toerist. Eat that, Londen en Parijs.

Het is duidelijk dat geen enkele moeite gespaard werd om van deze editie een succes te maken. Er werd stevig promotie gevoerd en met resultaat, want de vierdaagse was in zo goed als geen tijd uitverkocht. Het programma mocht dan ook ambitieus genoemd worden, met een gulle greep aanstormend Europees talent, een focus op het bloeiende Chicago, eentje op Afro-Amerikaanse muziek (van een historisch figuur als James Reese Europe tot het moderne Afro-futurisme van Irreversible Entanglements) en een artist in residence, Mary Halvorson, die tot de meest bejubelde jazzartiesten van het voorbije decennium behoort. Doe daar nog eens de panelgesprekken, films, artist talks en tentoonstellingen bij, en je krijgt een goedgevulde vierdaagse die je onmogelijk kan vatten in 500 woorden. Gelukkig maar.

1/11 – Grand Opening

Zoals dat hoort bij een grote opening was er een speech voorzien. Die werd gegeven door Dr. Bonaventure Soh Bejeng Ndikung, een biotechnoloog met een tweede carrière als curator (Documenta 14). De man had het over de gelaagdheid van jazz, niet enkel als muzikaal genre, maar als politiek statement, drager van geschiedenis, doorgeefluik voor solidariteit en zelfs enabler voor introspectie. Het was een forse, tweeledige uiteenzetting, maar de link met Berlijn werd ook concreet gemaakt met de overlijdens van Eric Dolphy (1964) en Johnny Mbizo Dyani (1986) na performances in deze stad, én hedendaagse artiesten wiens werk doordrongen blijft van een rijke dualiteit. Dat is ook het geval bij componiste/fluitiste Nicole Mitchell, die al jarenlang deel uitmaakt van de invloedrijke Chicago-scene en een oeuvre bij elkaar speelde en componeerde dat een voortdurende spreidstand aanhoudt tussen mystiek, politiek, technologie en filosofie, die misschien nog het mooist vormgegeven werd op haar album Mandorla Awakening II: Emerging Worlds (2017), dat zich situeert in een lange reeks van projecten over de Afrikaanse diaspora. In dat werk werd gedoken met het achtkoppige Black Earth Ensemble.

alt

Meteen werd duidelijk dat Mitchells bewustzijnsverruimende emancipatie van een heel andere orde is dan We Insist (Max Roach, Abbey Lincoln e.a.) waar Ndikung het ook nog over had in zijn inleiding. Mitchells visie en geluid zijn soms ronduit onwerelds, futuristisch zelfs, en reiken tot ver buiten de jazztraditie, waar het instrumentarium – met o.m. harp, cello, shakuhachi en taiko (grote trommel) – al iets over suggereerde. Vanuit een elektronische onderlaag zwol de muziek stapsgewijs aan, ontstond er iets dat je misschien zou kunnen omschrijven als exotische, kosmische kamermuziek met een soms onaardse flair, waarbij het samenspel regelmatig collectief aan de kook gebracht werd, om vervolgens weer te vervellen in iets anders. Bassist Tatsu Aoki schakelde daarbij over op shamisen (een traditioneel Japans snaarinstrument) of grote trommel, terwijl driftig plukkende celliste Tomeka Reid een banjo op schoot nam.

Het zorgde ervoor dat je de muziek amper kon vastpinnen op een tijdperk of stijl, laat staan een plaats. Eerder werd er gezorgd voor een droomstaat die suiteachtig opgebouwd werd en regelmatig iets had van een onbezoedelde natuurlijkheid, een pas ontdekte volksmuziekader. Cello en gitaar werden vernuftig vervlochten, Mitchells fluit en de bamboefluit van Kojiro Umezaki voerden een delirische discussie en JoVia Armstrong stuwde geestdriftig en genereus met cajon en cimbalen (géén trommels!). Het had soms ook iets van de aardse folk van Digital Primitives, maar dan rijkelijk voorzien van franjes en strak in de hand gehouden door dirigente Mitchell. Echt pieken ging het helemaal doen zodra vocalist Avery R. Young na een goed half uur in actie schoot. De man zat al even ongeduldig te wiebelen op z’n stoel en leverde een even gloedvolle als theatrale bijdrage, waardoor de muziek ging fungeren als een (deluxe) hoorspel bij zijn van gospel en soul doordrongen performance, die steeds meer extatische James Brown-allure kreeg. In combinatie met een tintelende groove die in een stevig crescendo belandde, werd het een emotionele uitbarsting die ei zo na ontspoorde in de finale. Eén concert ver, en de eerste revelatie was al binnen.

Daarna werd het kiezen, want de muziek vond plaats op verschillende plaatsen doorheen het gebouw. We trokken naar de Oberes Foyer, waar artist in residence Mary Halvorson haar eerste concert speelde met Thumbscrew, een trio met bassist Michael Formanek en drummer Tomas Fujiwara. Die band klinkt helemaal niet zo agressief of gewelddadig als zijn naam doet vermoeden, maar droeg wel de overduidelijke stempel van Halvorson, een van de weinige hedendaagse gitaristen die een eigen vakje afgebakend heeft. Helaas werd het je aanvankelijk niet makkelijk gemaakt om dat ten volle te appreciëren, want vanuit de achterste rangen steeg voortdurend geroezemoes op en Formanek kreeg even af te rekenen met vervelende geluidsproblemen. Misschien was dat de reden waarom het eerste stuk vrij abrupt afgerond werd. Nochtans speelde het trio een sterke set, met een leider die voortdurend die herkenbaar kringelende lijnen uit de vingers liet glijden, hier en daar verpakt in subtiel effectengebruik.

alt

Aanvankelijk lijkt het alsof haar spel daardoor een beetje zwalpt, omdat de sound zo gekneed wordt dat er een soort oneffenheid of labiliteit ontstaat, zeker als het dan gebruikt wordt in een compositie vol dubbele bodems, zoals Herbie Nichols’ “House Party Starting”. Maar … misschien is die omschrijving niet helemaal correct. Door die gemanipuleerde verwringing aan het einde van een lijn heeft het gitaarspel eigenlijk meer iets van iemand die z’n laatste woorden weer probeert in te slikken, of een beetje slaapdronken communiceert. In composities met maffe tempowissels levert het een eigenaardig effect op, zeker als Halvorson ook nog eens begint te werken met schizofrene loops en lunaparkchaos.

Formanek droeg een fraaie ballade op aan de slachtoffers van de bloederige aanval op een synagoge in Pittsburgh, een stad waarmee de band een sterke connectie heeft. De ritmesectie speelde verrassend sober, ondersteunde Halvorson met een verraderlijke eenvoud, terwijl de gitaartaal ineens wat herinnerde aan de John McLaughlin van “It’s Funny”, een van de pakkende hoogtepunten op diens Extrapolation (een referentie die drie dagen later nog eens zou terugkomen in een andere context). Door het stevige gebruik van spookachtige effecten en gedetailleerde schaduwtinten werd iets later vooral aangesloten bij het werk van meester-manipulator Gary Lucas. Wie behoefte had aan wat meer punch, die werd op z’n wenken bediend in de afsluiter, waarin Halvorsons gekapte spel de energie naar de voorgrond duwde, maar ook wat frivoliteit toeliet door even een jennend marsritme binnen te smokkelen.

De Franse gitarist Julien Desprez is intussen ook bezig aan een stevige opmars binnen de experimentele flank van de jazz en improvisatie, want vanuit zijn lokale scene duikt hij steeds vaker op in nieuwe, internationale contexten. Zo werd hij ingelijfd in Mats Gustafssons Fire! Orchestra, speelde hij in Teun Verbruggens B.O.A.T., en verscheen onlangs een release waarop hij te horen is in het gezelschap van Amerikaanse veteranen Larry Ochs en Mars Williams. Een tijd geleden speelde hij ook al met Rob Mazurek, net als Nicole Mitchell een sleutelspeler uit Chicago. Samen speelden ze een duoset die zou overlopen in een performance van Desprez’ trio Abacaxi. Het duo startte vanuit een onderbelichte ascese; Desprez voorzag een traag aanzwellende klankgolf die hij uit de gitaar leek te strelen, terwijl Mazurek aanvankelijk afwachtte en dan toch antwoordde met zachte, melancholische stoten op piccolotrompet die herinnerden aan solowerk als Mother Ode.

alt

Het was een spel van zinderende lijnen en aangehouden geluid, met een mijmerende en elegische sfeer. Of toch tot het samenspel de gave cohesie opgaf en meer reliëf toeliet. Mazurek blies dan korte spurtjes, liet de trompet sputteren en scheuren, terwijl de ontregeling van Desprez minstens even ingrijpend was: hij sloeg de vuist tegen de gitaar, liet iele, abrupte klanken knoestig ontsnappen. De vrijheid en dreiging van chaos namen toe, maar je bleef de interactie voelen, van de gelijk opgaande energie en volumes tot de spiegeleffecten tussen de twee instrumenten. Op een intense piek maakte Mazurek plaats voor de andere leden van Abacaxi -- bassist Jean-François Riffaud en drummer Max Andrzejewski -- met wie al snel een potje gestoofd werd dat het beste te omschrijven valt als hoekige en driftig uit de bocht schietende robotrock. En als Desprez zich in het duoluik al ontpopte tot een eigenzinnige ontregelaar, dan ging hij zich nu helemaal te buiten aan dolle ontsporing en manipulatie.

Wat chaos leek, bleek in werkelijkheid echter een indrukwekkende controle te zijn, waarbij Desprez behendig geluid- en lichteffecten bestuurde, zijn instrument liet klinken als een synth, of een toestel dat eigenlijk niets met muziek te maken heeft. Vrije rock, funk, improvisatie en noise belandden in een malende molen van overstuurd geluid, met samenspel dat steeds driester werd. Het drumwerk bleef doorgaans onverstoorbaar, had soms de Spartaanse eenvoud van Shellac, maar kreeg in combinatie met de loeiende bas een aanstekelijke agressie. Desprez bleef het vocabularium van zijn instrument uitbreiden door zich in bochten te wringen en als een dansmarieke rond te springen op de uitgestalde effecten. Voor maximale impact had dit misschien wat sneller afgerond mogen worden, maar het deed ook deugd om een band zo gretig en compromisloos z’n ding te zien doen.

Toen Rob Mazurek in 2005 het Exploding Star Orchestra oprichtte, was het een project dat een brug leek te willen slaan tussen verschillende stromingen die de underground van Chicago bepaalden, waardoor het leek alsof een verbond gesloten werd tussen uitwaaiende postrock en kosmische strategieën die verder bouwden op het werk van Sun Ra & co. Dertien jaar later is het een gezelschap dat regelmatig van bezetting wisselt en niet meer te labelen valt. Voor dit festival werd een band samengesteld met negen muzikanten uit Chicago en zes uit Berlijn onder de noemer Exploding Star International. Het gezelschap repeteerde enkele dagen en bracht Galactic Parables, Vol. 2, een vervolg op het gelijknamige album (Vol. 1) uit 2015. Snel werd duidelijk dat hier niet aan toegevingen of voorgekauwde kost zou worden gedaan. Het zou uiteindelijk een goed half uur duren voor het orkest iets liet horen dat vaag op exploderen leek, want daarvoor was het aftasten, rondhangen in ritualistische sferen, broeien in een aandikkende en weer uitdunnende geluidssoep als een lichtjes kierewiete space jungle. Opvallend: ook nu weer geen saxen in het orkest, maar wel fluiten, trompetten, cello’s en viool, vibrafoon, gitaar, toetsen, bas, twee drummers (Hamid Drake én, Chad Taylor, alsjeblieft!) en de stem en elektronica van Damon Locks.

alt

Het resulteerde in een borrelend samengaan van kleine geluiden, roterende strijkstokken, sci-fi-bliepjes en ruisende vellen, opgewekt door dirigent Mazurek, die het volume soms liet dalen tot bijna-volledige stilte. Drake was de eerste om eens het vuur aan de lont te steken en al snel voelde de muziek aan als een filmscore, waarbij strak gecomponeerde passages vlotjes afgewisseld werden met momenten van individuele vrijheid en extensieve solo’s, o.m. van landgenote Els Vandeweyer (vibrafoon). En dan ging je plots recht zitten, was die massieve molen aan het draaien met dat rollende drumwerk en die onstuitbare stuwing vol herhaling en staccato accenten. Dat betekende echter niet dat het vanaf dan draaide om lompe rock power, integendeel, want Mazurek bleef zweren bij een eb- en vloedbeweging, met knisperende funkaccenten, een hecht trompetduet met Jaimie Branch en stokjes die voortdurend doorgegeven werden, van strijkers naar fluiten, waarbij zelfs zonder ondersteuning van drummers de trance intact bleef.

Heel even verkeerde de band zelfs in droneland, een bewegend klankbos dat vertimmerd werd tot een machtige storm van geluid, die vergezeld ging van extatisch flikkerende projecties. Je zou kunnen stellen dat die heen-en-weerbeweging een paar keer te veel gemaakt werd, want je belandde tussen een collectieve, intergalactische groove (zo mooi om Tomeka Reid en Lester St. Louis daar zo broederlijk zij aan zij te zien genieten) en tijdelijke respijt, voor er weer opnieuw gedaverd werd, maar dan zou je voorbijgaan aan de weelde die hier bij elkaar gesprokkeld werd, van het delicate inside piano-spel van Magda Mayas tot het verbluffende fluitwerk van Mitchell, de groezelige keyboards van Elias Stemeseder en de kleurrijk-absurdistische bijdrages van Locks. De lange ademstoot die achter ons ontsnapte nadat de laatste noten weggestorven waren, vatte het mooi samen: in z’n beste momenten was dit Exploding Star International eigenlijk adembenemend.



E-mailadres Afdrukken