Banner

Jazzfest Berlin 2018

1-4 november 2018, Haus der Berliner Festspiele - Pagina 4

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 07 november 2018

4/11 – Melancholic Sunday

Na een bezoek aan de Julia Stoschek Collection voor een viscerale tentoonstelling van Arthur Jafa, een multidisciplinaire artiest wiens werk vaak draait om identiteit en ras (en dat daardoor naadloos aansluit bij een van de festivalthema’s), trokken we naar de Kaiser Wilhelm Gedächtniskirche, of toch de nieuwe versie: een achtzijdige constructie van beton, staal en 11.200 glasramen. Het geeft de ruimte een majestueuze openheid die op zijn beurt de ideale locatie vormde voor twee concerten onder de noemer Threads Of Estonia. De spits werd afgebeten door Maria Faust: Machina, en de match tussen muziek en plaats was meteen een ideale. Dat Faust opgroeide in Estland, is ongetwijfeld een van de hoofdredenen waarom haar muzikale persoonlijkheid al jarenlang opgemerkt wordt. Ze heeft duidelijk wortels in de jazz en improvisatie, maar hangt vaak uit in een niemandsland tussen Europese jazz, klassiek en soundscape, met een verankering in diverse folktradities.

alt

Het leidde in 2017 tot Machina, een album waarvan de suite-achtige structuur werd overgenomen voor het concert waarvan de harmonische en melodieuze weelde op maat van het gebouw en de akoestiek waren. Dat er geen drums aan te pas kwamen, versterkte die indruk alleen maar. In plaats daarvan hoorde je een opvallende combinatie van twee contrabassen (Nils Bo Davidsen en Adam Pultz Melbye), cello (Ida Nørholm), piano (Jacob Anderskov), altsax (Maria Faust) en tenorsax (Ned Ferm). Geen drums betekende evenwel niet dat de muziek zomaar wat vrij zwabberde, want regelmatig zat er een stevige puls in die het samenspel de nodige kracht bijzette of de etherische momenten iets meer body gaf. Herhaaldelijk werd aangeleund bij Baltisch getinte kamermuziek, zeker zodra drie strijkstokken aangewend werden, maar de saxen durfden ook vrijer gaan en scheurtjes met rauwe emotie toelaten.

Een vroege compositie had iets van staccato stampende marsmuziek, en iets later vormden de saxen een omfloerst tweespan, waardoor de muziek opschoof richting een meeslepende elegantie die niet zo ver verwijderd was van, pakweg, Ruben Machtelinckx’ kwartet bij ons. Het ene moment was de muziek gehuld in een pastorale mist die lonkte naar de Baltische ochtenddauw, iets verderop werd gespeeld met melancholie zonder aan hokjesdenken te doen. Het was vooral ook een zachtmoedige onderdompeling die het niet moest hebben van boude statements, maar van een afgewogen, harmonische taal die goed rendeerde binnen die specifieke akoestiek. Dat kon ook gezegd worden van het tweede concert, dat meteen volgde: Kara-Lis Coverdale: Shadow Encounter. Pianiste/organiste Coverdale woont in Montreal, waar ze aan de slag gaat met nieuwe muziek en experimentele elektronica. Ze werkte o.m. nog samen met Tim Hecker, maar is daarnaast ook organiste van de Estonian Evangelical Lutheran Church of St. John en speelde nu een korte soloperformance op het indrukwekkende orgel van de Gedächtniskirche.

alt

Doordat de kerk bij valavond stilaan in het halfduister gehuld werd, kreeg je meteen een bijzondere sfeer, die nog eens aangedikt werd door de wat sinistere, iele klankgolf waarmee Shadow Encounter, speciaal geschreven op maat van deze locatie, de hele ruimte vulde. De basistoon bleef een constante, maar daarop ontspon zich vervolgens een slow-motionbeweging, die soms iets frivoler oorden kon opzoeken zonder dat oorspronkelijke onheil helemaal kwijt te spelen. Even dook Coverdale in het terrein van de heavy drones, al werd ook dat alweer opzij geschoven voor een performance die soms een wat gefragmenteerde sci-fi-vibe kreeg. Het tweede stuk klonk daarna wat homogener, introduceerde een dalend motief en, iets later, een immense kopstoot door alle registers ineens open te trekken. Volume en kracht schoten haast door het dak en plots voelde je de waanzinnige kracht die in zo’n instrument huist, ging je je afvragen hoe het moet voelen om die beestachtige macht in handen te krijgen. Het was goed voor een turbulente trance in de intussen bijna verdonkerde kerk, die steeds meer ging aanvoelen als een oord van verlatenheid. De kracht van muziek kent eindeloze gedaantes.

Het avondprogramma van de slotdag stond in het teken van de gitaar, met in elk concert de focus op een paar gitaristen, van verschillende generaties met verschillende achtergronden. Zo was er eerst Kim Myr, het voorbije decennium uitgegroeid tot een gelauwerde figuur binnen de wereld van de experimentele muziek. Op zichzelf al een fascinerende figuur, maar hij had voor zijn project You|Me maar liefst drie extra gitaristen meegebracht – zijn broer Adrian, Håvard Volden en de Zweed David Stäckenas, die zich sinds de millenniumwissel ontpopte tot een van de meest eigenzinnige Scandinavische artiesten op dat instrument - net als drie drummers, en niet de minste: Tony Buck (The Necks), Hans Hulbækmo (Atomic, Moskus) en Ingar Zach (Dans Les Arbres en het uitgebreide Linus). Het septet speelde een relatief korte set die het niet zozeer van complexe structuren of grote dynamische verschuivingen moest hebben, maar van een duik in textuur en uitdieping van een aantal afgelijnde ideeën. Zo startte het eerste deel vanuit een combinatie van intiem gefriemel (Myhr) en lang gehouden gitaarklanken (Stäckenas), waaronder de drie percussionisten een ingetogen, maar gedetailleerd web van rotaties, wrijvingen en rinkelingen plaatsen.

alt

Ze creëerden een weefwerk van metalige klanken waarop zich zachtjesaan een soort van monotoon schuifelende gitaarrock ontvouwde die gestaag op- en afgebouwd werd, met schimmig en fonkelend gitaarspel. In het tweede luik werd een heel andere gedaante aangenomen; hier trokken vier 12-snarige, akoestische gitaren de kaart van gezwinde folkrock met een aangehouden hypnose. Natuurlijk beschikte Myhr over drie uitgelezen kompanen om dat extra in de verf te zetten, want Hulbækmo ontpopte zich tot een creatieve klankengenerator, terwijl de andere twee al jaren bij de meest bedreven beoefenaars van de langeafstandsbeweging zijn, in welke genre dan ook. Akoestisch en elektrisch, gaaf en gemanipuleerd gingen snel hand in hand, werden verpakt in dromerige, droney loops, waarbij de band minutenlang bleef hangen op die uitgebeende aanpak. Het was soms wat flirten met het onderontwikkelde, maar dan werd je je bewust van hoe die geluidsmassa voortdurend lichtjes bijgestuurd, uitgedund en aangevuld werd, als een verhaal dat nooit helemaal af was. Ook al eindigde het dan met een abruptheid die haaks op de trance stond.

Iets totaal anders bij de Europese première van het Mary Halvorson Octet: Away With You, waarin een fascinerende combinatie van muzikanten bij elkaar stond, met naast Halvorson ook pedal steel gitariste Susan Alcorn, trompettist Dave Ballou, saxofonisten John Irabagon (alt) en Ingrid Laubrock (tenor), trombonist Jacob Garchik, bassist John Hébert en drummer Tomas Fujiwara. Stuk voor stuk kleppers die er allerlei projecten op nahouden, van mainstream jazz tot vrije improvisatie en zowat de hele zone ertussen. Halvorson heeft intussen een reputatie opgebouwd voor eigenzinnige muziek met weerhaken die regelmatig naar taaiheid neigt, maar als je verwachtte dat ze met dit Octet een Braxton zouden doen, dan kwam je voor een verrassing te staan, want deze band speelde verrassend traditionele, transparante muziek, of nee, wacht even … deze band creëerde soms de illusie dat je naar een vrij conventionele jazzvorm zat te luisteren, maar bood ook meer dan voldoende elementen aan waarmee dat allemaal tussen haakjes geplaatst werd.

Het is alleszins ook een verdienste van Halvorson dat ze ten volle het potentieel van dit gezelschap benut, want elk lid kwam uitvoerig aan het woord, kon composities eigenzinnig op gang brengen en liet een tegenstem horen. Zo mocht Alcorn solo openen met spooky slide, waarna de andere leden zich bij de band voegden, Irabagon het boeltje bijna aan flarden mocht soleren, tot het collectief haast hymnegewijs afrondde. Meteen erna klonk het als opgewekte pop, met vier blazers die kwieke arrangementen uitstrooiden en Fujiwara die even z’n gematigdheid liet voor wat het was met een knetterende solo. Een ballade is in Halvorsons handen ook nooit helemaal dat, want werd uit elkaar getrokken met een baldadige gretigheid. Zelf leek Halvorson haar minzame zelf en hield ze het relatief conventioneel, maar zodra je je aandacht op haar richtte, werd je je bewust van die eigenaardige tics, tricky timing en eigenzinnige contrasten, met stekelige wandelingen over de gitaarhals die kunnen omslaan in bijna botte akkoorden of opgesmukt worden met die verslikkende effecten die aangestuurd werden via die linkervoet.

alt

Even indrukwekkend als altijd: Hébert, die een introductie omvormde tot een indrukwekkende solomoment, waarvan de grote intervallen de aanzet vormden tot een massief thema (opnieuw: stuk voor stuk composities die bleven hangen), leidden tot kringelend samenspel van Halvorson en Alcorn, die zich in de semi-cartooneske gekte ontpopten tot echte evil twins. Het slotstuk teerde opnieuw op kloeke, repetitieve elementen en kreeg daardoor haast een rock-vibe, maar vormde ook een aanleiding voor Ballou om zijn kunsten tentoon te spreiden. Een muzikant die in deze contreien een pak te weinig aandacht krijgt, het bekende verhaal. En dan was het even plots ook gedaan. Halvorson was er duidelijk van overtuigd dat er nog een stuk vanaf kon, maar het bleek het einde te zijn. Jammer, want dit was een klasseconcert dat op eender welk festival, traditioneel, avant-garde of ertussen (zoals hier), tot de hoogtepunten zou behoren. Dus hou maar op met al dat geleuter over Halvorson als ‘aanstormend talent’. Die fase is intussen allang voorbij. Hier kreeg je een artieste te zien die niet enkel een origineel en begenadigd muzikant is, maar ook een uitstekende componiste en een genereuze bandleider. Straffe kost.

Headliner Bill Frisell is zo’n muzikant die in de loop der jaren zowat uitgegroeid is tot een genre op zich. En zoals zo vaak het geval is, levert dat een discografie op die in het slechtste geval wat inwisselbaar is, maar op z’n best een heel nieuwe wereld doet opengaan. Frisells invloed reikt ook zo ver dat het voor sommigen vermoedelijk een reden is om voortijdig af te haken, maar dat zou tegelijk ook jammer zijn, want als dit soloconcert iets bewees, en dat geldt ook voor zijn recente soloalbum Music Is, dan is het wel dat Frisell na een carrière van meer dan vier decennia uitgegroeid is tot een meester die spontaan en complexloos kan spelen, vanuit het besef dat er niets bewezen moet worden en hij gewoon zichzelf kan zijn. Dat betekende in dit geval een innige verkenning met elektrische gitaar en effecten (de akoestische gitaar die klaarstond bleef onaangeraakt), al duurde het even voor de manipulatie uitvoerig werd aangewend. Daarvoor voelde het aan alsof Frisell even nog de temperatuur van het water wilde testen, met voorzichtige schaduwaccenten en die minzame twang in de schemerzone tussen folk, country en jazz, tussen Chet Atkins en Jim Hall.

Het werd een verkenning, een aangehouden meditatie eigenlijk, die hem in een lange beweging voerde langs recent werk (Music Is), maar waarin ook materiaal verwerkt werd van een oude leermeester als Paul Motian, nog zo’n artiest die in een zee van collega’s een heel eigen muzikaliteit had. Frisell speelt doorgaans op een manier die aansluit bij z’n karakter: voorzichtig, wat bedeesd, verlegen zelfs, met een voorkeur voor (schijnbare) eenvoud, terwijl hij de snaren soms streelt alsof hij op het laatste moment dan toch begint te twijfelen. Maar hij is ook een geheimzinnige figuur met een dubbele, onvoorspelbare bodem, die soms spinachtig huppelt over de snaren of door middel van een reeks subtiele, maar met meesterlijke controle gehanteerde loops een schimmige blues of zelfs Afrikaanse flair binnensmokkelt, het instinctief-explorerende van een Jerry Garcia (echt!) koppelt aan de spooktonen van Gary Lucas en de old school roots van Doc Watson, Wes Montgomery en Johnny Smith.

alt

Frisell is ook de man die andermans werk geweldig laat klinken (leg gerust die wonderbaarlijke Have A Little Faith nog eens op), en na de lange meditatie speelde hij een reeks meesterlijke, gefragmenteerde uitvoeringen van “Lush Life” (Strayhorn), “Epistrophy” (Monk), “Arjen’s Bag” (John McLaughlin) en “What The World Needs Now Is Love” (Bacharach, en vooral bekend in de versie van Jackie DeShannon), dat zo mogelijk de perfecte match is voor zijn kinderlijke verwondering. Stuk voor stuk composities die liefdevol tegen het licht gehouden werden, compleet gedemonteerd werden en Frisell-style weer in elkaar gepast werden, hier en daar een beetje scheef, vervreemd of ietwat onthutst. Als uitsmijter werd Halvorson terug het podium opgeroepen en het duo speelde een versie van “Maid With The Flaxen Hair” als eerbetoon aan Johnny Smith, maar eigenlijk ook als eerbetoon aan de muziek en het samenspel, want dit duet was een bloedmooi slot voor een prachtconcert; muzikale innigheid van gelijkgestemde, verwante, en toch weer zo verschillende geesten, in een vorm die nooit gaat vervelen.

Dus …?

Het was een slot dat elk festival op z’n conto wil schrijven en een hoogtepunt in een aaneenrijging van waardevolle, uitdagende en vervoerende performances. We moesten een paar dingen laten schieten (het Tania Giannouli Trio, God At The Casino, de Berlin-Chicago-London Special met Nubya Garcia en Makaya McCraven, het kwartet Halvorson/Saito/Allbee/Dahlgren …) maar wat we wél meepikten, was steevast de moeite en regelmatig ijzersterk. De programmatie ging breed, bracht premières, ontdekkingen en bevestigende zware kleppers, jong en oud(er), traditie en experiment bij elkaar, zette in op rode draden die steek hielden en had in de marge een aantal waardevolle extra’s in de aanbieding, waarbij we vooral terugdenken aan het panelgesprek over James Reese Europe en A Series Of Utterly Improbable, Yet Extraordinary Renditions, de tentoonstelling met werk van Arthur Jafa, Ming Smith en enkele anderen (nog even te bezichtigen).

Je moet er natuurlijk de kans en het budget voor krijgen, maar dit goed georganiseerde festival was kleurrijk, gevarieerd en een pluim op de hoed van artistiek leider Nadin Deventer en haar team. Na vier dagen rondhangen op het festival kunnen we niet ontkennen dat een jazzfestival nog altijd een speeltuin is voor vooral oudere mannen (al was de zweterige party night met Garcia, McCraven & co. naar verluidt de uitzondering), maar als deze koers verdergezet wordt, dan kan je maar hopen dat de verjonging die zich de laatste jaren op het podium doorzet, ook een effect zal hebben op wat ernaast gebeurt. Dat jazz een veelkoppig en eindeloos boeiend beest kan zijn, is alleszins weer bewezen.



E-mailadres Afdrukken