Banner

Jazzfest Berlin 2018

1-4 november 2018, Haus der Berliner Festspiele - Pagina 3

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 07 november 2018

3/11 – Hyperactive Saturday

Het gaat snel voor zangeres Jazzmeia Horn. In 2015 was ze nog de winnares van de Thelonious Monk Competition, in 2017 debuteerde ze met A Social Call en dat leverde meteen een Grammynominatie op. Horn is nog maar zevenentwintig, maar niet bang om in de traditie te duiken, daar waar haar voorgangers al decennialang grote sier gemaakt hebben. Voor het festival werd ze gekoppeld aan de WDR Big Band, een instituut dat al decennialang standhoudt en momenteel geleid wordt door Bob Mintzer, ooit nog lid van het Thad Jones/Mel Lewis Orchestra, dus die man weet hoe een 17-koppig orkest moet klinken. Hij nam een deel van de arrangementen voor z’n rekening en laat de bigband regelmatig uitgebreid met de spieren rollen. Dat maakt indruk, op een old school manier, in de instrumentale opener, maar in “A Social Call” gebeurt het ook met zoveel overdonderende daadkracht, dat Horn met moeite stand weet te houden en meteen al te veel heil moet zoeken bij een overspannen bijna-gekrijs. Een start met een licht valse noot, die evenwel rechtgezet wordt.

alt

In het uurtje dat volgt, zal immers blijken dat het orkest zowel het energieke pompwerk aankan, als een meer ingetogen ondersteuning. Meerdere leden nemen uitgebreide solo’s voor hun rekening, wat soms gepaard gaat met een wat onhandig heen-en-weer-geloop, maar band en zangeres zijn steeds beter op elkaar afgestemd. “Lift Every Voice And Sing” is een song die doordrongen is van (zwarte) geschiedenis en heeft een enorme symbolische betekenis. Horn is zich daar ongetwijfeld van bewust, omdat voor het concert ook al expliciet werd meegegeven dat de boodschap voor haar ook belangrijk is, maar hier ging het wat snel over naar “Moanin’”, wat intussen zo’n beetje haar lijfsong werd. Net als bij “Up Above My Head” komt er misschien iets te veel gedoe aan te pas om de controle te bewaren. Dan zijn haar versies van klassiekers “The Peacocks” (Jimmy Rowles) en “Don’t Get Around Much Anymore” (Ellington), waarvoor ze enkel ondersteund wordt door ritmesectie en trombone, een stuk geslaagder. Hier komt elke nuance tot z’n recht.

Na dat intieme intermezzo moet natuurlijk opnieuw geknald worden, want waarom heb je anders zo’n band achter je staan? Dat gebeurt met “I Remember You”; op A Social Call een speels stukje acrobatie, maar hier opnieuw een veldslag van ronkende en schetterende blazers en uitgebreide scat. Horn heeft mede door haar prachtige outfit een opvallende presence en durft zeker risico’s nemen, maar het is nog even wachten tot ze kan doordringen tot het niveau waar Cécile McLorin Salvant momenteel nog de plak zwaait. Niettemin: een talent om rekening mee te houden.

Het meest ambitieuze project van deze editie moet ongetwijfeld toegeschreven worden aan Jason Moran & The Harlem Hellfighters, die uitpakken met James Reese Europe & The Absence Of Ruin, een eerbetoon aan bandleider, componist en organisator James Reese Europe. Die was actief toen jazz stilaan vorm kreeg, en was een van de bepalende figuren binnen de Afro-Amerikaanse gemeenschap in het tweede decennium van de 20ste eeuw. Hij speelde in Carnegie Hall lang voor andere jazzgroten er mochten optreden, en trok vrijwillig naar Europa om er te gaan vechten. Ondenkbaar voor een zwarte Amerikaan in tijden dat er nog volop drukbezochte lynchpartijen plaatsvonden. Naast de Europese loopgraven voerde hij de ‘Harlem Hellfighters’ aan, het eerste zwarte regiment, dat er ook muzikaal z’n sporen naliet. Dat hij vaak vergeten wordt, heeft deels te maken met het feit dat hij vooral herinnerd wordt als aanvoerder van militaire bands. Nochtans heeft hij zowel muzikaal als organisatorisch alles in huis om beschouwd te worden als een essentiële schakel in de jazzgeschiedenis. In een waardevol panelgesprek dat voorafging aan het concert, gaf Moran ook mee dat dit het meest onthutsend was: het feit dat Europe volledig weggegomd is uit de jazzannalen. Iets dat hij ten dele wilde compenseren met deze performance.

alt

Daarvoor werden alle registers opengetrokken. Er werd samengewerkt met gelauwerde filmmakers John Akomfrah en Bradford Young, en Moran deed naast zijn Bandwagon-kompanen (bassist Tarus Mateen en drummer Nasheet Waits) ook een beroep op een stel jonge Britse muzikanten uit het Tomorrow’s Warriors-programma; niet enkel omdat ze goed zijn, maar ook omdat ze de leeftijd hebben van de soldaten in Reese Europes regiment. Moran wilde de spirit en benadering die eigen is aan jonge artiesten. Speciaal voor dit Berlijnse concert werd de aftrap bovendien gegeven door een dertienkoppig, lokaal ensemble van tieners die een paar composities speelden die je meteen terugvoerden naar het begin van de twintigste eeuw, toen ragtime, vroege blues, fanfaremuziek en andere proto-jazz in een stoofpotje beland waren. Muziek met een speelse, naïeve uitbundigheid, gepast om bij Buster Keaton-films te zetten. Na die intro startte Moran met zijn trio en zeven muzikanten zijn meditation on the life of James Reese Europe, die werd opgedragen aan de pas overleden Roy Hargrove.

Het was Moran zelf die opende met een elegante aanzet en zijn jonge band begon te dirigeren. Door die combinatie van tuba, trombone, trompet, sax en fluit beschikte hij over een instrumentarium om opnieuw die vroege jazzdagen tot leven te wekken, terwijl ook Waits zijn anders zo vloeiende stijl opzij zette door zijn spel een militaristische insteek te geven, met stampende basdrumslagen en strakke roffels. Mateen bleef intussen z’n onderkoelde zelf. Terwijl de tien muzikanten zich een weg baanden langs bijna-cartooneske ontsporingen van een op hol geslagen marching band, maar ook terugplooiden in tragere secties met slepende blazersaccenten, werden fraaie beelden geprojecteerd; van de band in deep listening-modus bij Pauline Oliveros, maar ook van landschappen en plaatsen zonder al te duidelijke aanknopingspunten. Samen met archiefmateriaal, sober gebruik van titels, spaarzame elektronica en opnames van de (vermoedelijk) authentieke band, leidde het tot een vernuftige combinatie van geschiedschrijving en hedendaagse, creatieve invulling.

alt

Het basismateriaal waar Moran & co. mee werkten, werd doorgaans opvallend intact gehouden. Hier geen hard botsende genremix of doorgeslagen, krampachtige poging om het een moderne zwier te geven, maar een respectvolle trip waarbij werk van Reese Europe, maar ook W.C. Handy’s “St. Louis Blues” en heel even zelfs wat flarden van Albert Ayler passeerden. De proto-jazz miste vaak de rijkheid, nuance en syncoperingen van de latere varianten, maar daar werd geen probleem van gemaakt. Ook de wat stugge, maar vitale hoempapa werd naadloos geïntegreerd in een geheel dat regelmatig aan het galopperen sloeg. Het was trouwens pas helemaal aan het einde, toen archiefmateriaal getoond werd van militairen die na hun legerdienst thuis opgewacht werden door een mensenmassa, dat je het gevoel had dat de muziek écht op maat was van die beelden. Het was ook toen dat ineens duidelijk werd dat het zwarte vlak dat regelmatig opdook in het nieuwe filmmateriaal, kon gelden als een gepaste gedenksteen voor Reese Europe.

Het ontroerende slotakkoord was een moment waarbij alle muzikanten verzamelden rond Morans piano, als het ware om nu voor écht afscheid te nemen van een figuur die al te lang moest wachten op wat erkenning. Want ook dat gaf Moran aan in het panelgesprek: je kan het bestaan en de betekenis van een figuur als James Reese Europe niet ontkennen, want de bewijzen (opnames, foto’s, getuigenissen) zijn er. Het komt er enkel op aan om die nalatenschap ook de plaats te geven die ze verdient. Een les die brandend actueel blijft.

Het contrast met het slotconcert dat we die dag meepikten, van het Maciej Obara Quartet, was behoorlijk groot. Deze Pools-Noorse band onder leiding van altsaxofonist Obara stelde zijn in 2017 verschenen album Unloved (ECM Records, 2017) voor. Daarmee wordt enerzijds aangesloten bij de befaamde ECM-esthetiek, door middel van soms impressionistische uitweidingen en een elegantie die vooral in het gestroomlijnde blaaswerk van Obara een constante is, maar tegelijkertijd wordt er ook een grote vrijheid toegelaten, kan voorzichtig geschuifel zachtjes overlopen naar het terrein van een trappelende intensiteit die voor je ’t weet belandt in een kolkende stroom van geluid. Vooral de dosering waarmee het allemaal gebeurt, is bij dit kwartet behoorlijk indrukwekkend, en heeft regelmatig iets van de hechte synergie die vaak voorbehouden blijft aan working bands die al jarenlang samenwerken.

alt

Bassist Ole Morten Vågan en drummer Gard Nilssen bewegen als één organisme, het ene moment met een ingetogen oog voor details, iets later met een majestueuze zwier die bijna op ontploffen staat. Heel knap ook hoe je voelt dat de vier de teugels kunnen en willen vieren, maar altijd de kern van de composities in het oog blijven houden. Die kernen fungeren als houvast waar de band zijn samenspel rond construeert, en meer dan eens levert dat een imponerende en intense vrijheid op. Als de ritmesectie van jetje geeft met pianist Dominik Wania als speerpunt, dan zorgt dat voor een onstuitbare energie. Zodra Obara inpikt met zijn bevlogen spel, vaak met lang aangehouden tonen die een sterk contrast vormen met het klaterende spel van de ritmesectie, slaat het boeltje aan het leviteren. Een geluid dat fors én etherisch was en afgerond werd met een strakheid die nog eens bevestigde hoe goed deze band op elkaar ingespeeld is.



E-mailadres Afdrukken