Banner

Jazzfest Berlin 2018

1-4 november 2018, Haus der Berliner Festspiele - Pagina 2

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 07 november 2018

2/11 – Friday Blast

Irreversible Entanglements mocht optreden voor een uitverkocht huis en dat leverde een markant contrast op, want de jonge, militante, hoofdzakelijk zwarte band keek uit op een zee van blanke gezichten in een cultuurtempel die doorgaans wat minder viscerale muziek in de aanbieding heeft. De aanwezigen lieten zich echter snel overrompelen door de urgente freejazz van een kwintet dat ontstond n.a.v. een Musicians Against Police Brutality-evenement in 2015. Sindsdien is alles in een stroomversnelling gekomen, want met hun ontvlambare debuut uit 2017 belandde de band op heel wat eindejaarslijstjes en kreeg ook label International Anthem (zie ook Jaimie Branch, Makaya McCraven, Jeff Parker e.a.) heel wat lof over zich heen gekieperd. Intussen is Irreversible Entanglements een gegeerde festivalact én uitgeroepen tot zowat het boegbeeld van het Afro-futurisme, een beweging die enerzijds een kritiek is op hoe wordt omgesprongen met zwarte levens, en dat gegeven anderzijds verbeeldt door te spelen met sciencefiction en parallelle werelden die het makkelijker maken om te spreken over identiteit en een maatschappij waarin engagement en waarachtige gelijkheid kunnen bestaan.

alt

Met Camae Ayewa (Moor Mother) als speerpunt beschikt de band ook over een XL-persoonlijkheid die de overgave, de presence én de stem heeft om een zaal op haar hand te krijgen. De muzikanten zijn duidelijk geworteld in de fire music van de jaren zestig en houden de vlam moeiteloos gaande, met driftig pulserende baslijnen en roterende/hypnotiserende ritmes, terwijl de frontlijn van Aquiles Navarro (trompet) en Keir Neuringer (altsax) unisono uithaalt, maar ook (en nog vaker) een schurende discussie op gang brengt met veel repetitieve elementen. Het is als het ware een ideale fond voor de precieze, en al even repetitieve declamaties van Ayewa, wiens onheilspellende woorden en slogans - sommige schijnbaar associatief gedebiteerd en andere voorgedragen uit een boek - aankomen als koortsige wapens, terwijl de band iets heeft van een explosieve versie van het William Parker Quartet.

Het is broeierige, bijna opruiende muziek die steeds in trancemodus gaat zodra Ayewa aan het woord is en raast over een stedelijk Amerika dat wordt geportretteerd als een grauwe, belegerde zone, een brutale politiestaat. Haar performance is er een van overgave en drama, ze grijpt voortdurend naar haar gezicht, debiteert een moderne blues waarin sommige lijnen (“It ain’t that easy”, “Right now, no one remembers” …) talloze keren terugkeren. De band kneedt intussen de verkrampende sound, durft hier en daar afdalen naar de abstractie, maar is vooral heel erg bedreven in het opzoeken van het kookpunt om er net onder te blijven hangen. Een overtuigende brandhaard. Het activisme van Ayewa mag vervolgens aangehouden worden, want het festival had nog een première in de aanbieding. Roscoe Mitchell en Moor Mother zouden samen The Black Drop uitvoeren, een korte voorstelling die twee markante artiesten aan elkaar koppelde. Ayewa zou hier misschien iets nadrukkelijker werken met elektronische stemmanipulatie, maar dat timbre en die onmogelijk weg te moffelen verontwaardiging bleven intact.

Mitchell wandelde het podium op met sopraan- en sopraninosax, maar zou het uiteindelijk bij die laatste houden. Wat hij ermee deed, was opmerkelijk: een aanhoudend onderzoek van het hoge register, dat startte bij schrille aanzetten als het hulpeloze gepiep van een stel kuikens, maar gaandeweg meer ‘body’ zou krijgen, met langere ademstoten en expressiviteit. Van haar kant startte Ayewa op sussende toon, alsof er een kind gerustgesteld moest worden, maar dook ze vervolgens in een associatieve bluestrip die werd opgebouwd rond Muddy Waters’ “I Can’t Be Satisfied”, maar ook passeerde via “Smokestack Lightning” en aanvoelde als een eerbetoon aan een reeks Afro-Amerikanen wiens nalatenschap over de jazzgemeenschap hangt en die bij naam genoemd werden, van Muhal Richard Abrams en Lester Bowie, volk uit de AACM-school, tot Duke Ellington en Nina Simone.

alt

Mitchell bleef verzonken in zijn eigen wereld, liet de klanken steeds meer gehavend klinken, wisselde met intervalsprongen, bracht compromisloos het geluid van ontreddering voort, terwijl het discours van Ayewa langzaam omgevormd werd van een gedreven woordenstroom naar een druppelende herhaling van het woord ‘drop’. Met een lange, aangehouden toon, de eerste en laatste van de performance, rondde Mitchell af, en passant bewijzend dat hij nog altijd enkel zijn eigen taal spreekt. Geen evident spul, en voor sommigen misschien niet eens jazz, maar het zal Mitchell en Ayewa vermoedelijk worst wezen. De praktijk van het AACM (Association for the Advancement of Creative Musicians, opgericht in 1965) betekent als individu je stem vinden in een collectief dat zichzelf ondersteunt, en weinigen hebben een stem die zo persoonlijk, herkenbaar en intimiderend is als Mitchell. Of Ayewa.

Over naar die tweede revelatie van het International Anthem-label: trompettiste Jaimie Branch. We hebben Fly Or Die vorig jaar nog uitgebreid bezongen, dus het was uitkijken naar deze performance, waarvoor Branch werd bijgestaan door de ritmesectie van Jason Ajemian (bas) en Chad Taylor (drums), met cellist Lester St. Louis als sluitstuk (op het album was die rol voor Tomeka Reid). Het was vooral de vraag hoe goed dat compacte, zorgvuldig in elkaar gepaste album vertaald zou worden naar een live-context, en eigenlijk hadden we de vraag op voorhand kunnen beantwoorden: door de suite niet te beschouwen als een rigide model dat zo uitgevoerd moest worden, maar als een houvast voor een (veel) vrijere versie. Alle thema’s van het album keerden terug, maar ze werden langer tegen het licht gehouden en sterker van elkaar gescheiden door uitgebreide uitweidingen.

Branch had er dan ook een ideale band voor meegebracht, want Taylor ontpopte zich wat ons betreft tot de muzikant van de dag, met een onstuitbare creativiteit en energie. Snel en inventief in de vrije passages, en onwaarschijnlijk funky met die opzwepende ritmes. Maar ook Ajemian en St. Louis, naar elkaar gericht aan weerskanten van Branch, bouwden mee aan dat kleurrijke weefwerk dat Branch doorkruiste met haar unieke persoonlijkheid en stijl, vaak door korte frasen in de lucht te mikken, terwijl de band vernuftig stokjes naar vervolgende delen doorgaf en er mee voor zorgde dat je een voortdurende afwisseling kreeg van gecomponeerde en vrije elementen. En wanneer “Theme 001” opdook, dan was dat meteen met een aanstekelijke souplesse, iets dat “Theme 002” nog wat uitbundiger overdeed, met cello en bas die onbezorgd rond elkaar dansten en Chad “motherfuckin’” Taylor die liet horen wat je zoal kan doen met rim shots. Iets later leek het even alsof Branch geruggensteund werd door drie percussionisten, terwijl ze zelf de elegische melodie van “Leaves Of Glass” binnenhaalde.

alt

Ook “The Storm”, op het album een stuk waarmee Branch diep in de geluidsmogelijkheden van de trompet duikt, werd hier verwerkt, met dreunende klankgolven die meer gemeen hadden met zware staalindustrie dan jazz. Maar er zat ook passie in, want de stampvoetende en soms wat morsig musicerende Branch voerde de band door “Theme Nothing”, dat grondig binnenstebuiten gekeerd werd. Het was een concert dat niet de aangehouden militante furie van Irreversible Entanglements had, maar ook Branch was duidelijk politiek geïnspireerd, zag in haar muziek een wapen om fascisme te bestrijden, een eerbetoon te zijn voor Michael Brown en anderen. Het leidde tot een zinderende finale die de eerste staande ovatie opleverde. Te begrijpen, want Branch heeft een ongepolijste, maar overtuigende visie en beschikt vooral ook over de ideale muzikanten om die gestalte te geven. Haar moment is gekomen, hopelijk houdt ze het vast.

Het Art Ensemble Of Chicago is al decennialang het vlaggenschip van het AACM en een van de luidst ronkende namen uit The Windy City. Het gezelschap bestaat intussen een halve eeuw, al maakte het een immense evolutie door (die o.m. na te lezen is in het klassieke werk A Power Stronger Than Itself (2009) van George Lewis), en zijn voormalige leden als Phillip Wilson (vanaf 1970 opgevolgd door de nog steeds spelende Famoudou Don Moyé), Lester Bowie en Malachi Favors intussen overleden. Vermoedelijk was dit dan ook een heel andere band dan bij het vorige concert in Berlijn, intussen 27 jaar geleden. Vaste waarde is nog altijd Roscoe Mitchell, een van de stichters en het boegbeeld van de band, die er nu stond met een elfkoppige bezetting. De instrumentatie – viool, altviool, cello, twee bassen, fluit, trompet, rieten, drums, percussie, en een gevulde tafel met o.m. sampler, theremin, duimpiano, autoharp en meer voor Christina Wheeler – beloofde meteen dat het geen doorsneeconcert zou worden. Zo gebeurde.

Het eerste luik van de performance had meer te maken met hedendaagse muziek dan met jazz. Er werd wel gespeeld met repetitieve thema’s, maar het had weinig uitstaans met de rauwe, soms volks getinte muziek waarmee de band grote sier maakte in zijn beginjaren. Mitchell dirigeerde en zou het eerste half uur geen instrument aanraken. Het had kunnen uitgroeien tot een wat droge, cerebrale bedoening, maar een bezoek van Moor Mother gaf het concert extra pit, terwijl de percussie van Don Moye en Dudu Kouate voor levendigheid en kleur zorgde. Een volgend stuk zou het geluid stapsgewijs openbreken, met elegante kamermuziek die overvleugeld werd door Mitchells spel op de sopraansax dat steeds heftiger werd. Circulaire ademhaling leidde tot een turbulente stroom, haast een kakofonie van geluid, zeker toen Nicole Mitchell ook nog eens extatisch aan het zingen sloeg. Hedendaagse muziek, jazz, vrije expressie en Afrikaanse oerfolk werden samen in de lucht gehouden, terwijl het samenspel steeds aardser en soulvoller werd, en dichter aansloot bij de beginjaren.

alt

Had het concert in z’n eerste beweging een stugger, afstandelijker karakter, dan kreeg het samenspel nu een warmere en meeslepende bezwering, met een majestueuze, spirituele tint; een wentelende droombeweging die Mitchell aangreep om zijn muzikanten voor te stellen. Het was zeker geen doorsnee kost en voor sommigen was het vast even slikken, maar het kwam wél opnieuw tegenmoet aan dat intussen legendarische motto: Great black music, ancient to the future. Een aantal van de vroege kernmuzikanten zijn er al een hele tijd niet meer, maar je zou kunnen zeggen dat het Ensemble nog altijd werkt volgens de principes van weleer en blijft exploreren, innoveren en combineren, met een zoektocht naar nieuwe vormen van muziek en expressie.

Alsof dat nog niet voldoende was, kreeg je aan die Seiten Bühne ook nog Théo Ceccaldi’s “Freaks” voor de kiezen, een explosief sextet dat complexloos rock, punk, jazz, kamermuziek, prog én improvisatie aan elkaar naait, tot leven wekt en er vervolgens een paar gigantische stroomstoten extra doorjaagt. In z’n wildste, meest extravagante momenten heeft het iets van een dolle muziekencyclopedie die in je gezicht ontploft, terwijl drums, bas, gitaar, twee saxen en viool met wiskundige precisie zitten te fileren. Het is de herrie van The Flying Lüttenbachers, Little Women en andere jazzpunkterroristen, maar dan in een Frans rockgetint jasje. Denk Jean-Luc Ponty in zijn Zappa-dagen, maar dan na een cursus mathcore. Muziek ook die met een brede grijns over het publiek gekieperd werd, want zelfs hun enige ‘love song’ is er eentje die wordt aangegrepen om even volledig over de rooie te gaan.

alt

“Freaks” is het resultaat van een optelsom van zes buitensporig getalenteerde muzikanten die alles hebben moeten opsparen tot dat ene moment waarop ze zich eindelijk mogen laten gaan, en er wordt de hele set lang gespeeld met een breed grijnzende gekte. De saxen gieren en schallen en scheuren, terwijl de gensters van Ceccaldi’s snaren springen. Net zo indrukwekkend is (zoals altijd) ook zijn broer Valentin, die zowel op basgitaar als cello hypernerveus stuntwerk uithaalt, al moet eraan toegevoegd dat ook de performance van drummer Etienne Zemniak memorabel is: de man gaat loos als Animal in The Muppet Show, stuurt de kamerrockgekte met een niet aflatende, manische energie. Heel even neigt het naar pastorale oorden, en zelfs even naar melancholische wave waar een paar saxen doorheen waaien die er zowaar een pakkend slot aan breien, maar uiteindelijk kan je enkel concluderen dat dit sextet onder het lemma ‘gesjeesd’ thuishoort. Indrukwekkend knotsgek, dat wel.



E-mailadres Afdrukken