Banner

Joe McPhee, John Edwards & Klaus Kugel

21 oktober 2018, Parazzar

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 23 oktober 2018

Er zijn zo van die concerten waarvoor zo’n term eigenlijk tekortschiet. Soms is dat omdat de kwaliteit van de muziek zo buitengewoon is dat een term als ‘concert’ te alledaags lijkt, maar het kan ook zijn omdat er gewoonweg zo veel aan vasthangt. De performance die veteraan Joe McPhee met zijn twee kompanen in de Parazzar gaf, was er zo eentje: een gebeurtenis met afwisselend rauw-emotionele en opruiend-militante muziek, veel grote emoties en een paar extra betekenislagen die de aanwezigen om allerhande redenen niet licht zullen vergeten. Het was er eentje die je moet meegemaakt hebben om het allemaal te kunnen vatten.

Maar eigenlijk moest je eerst terug naar 1 oktober 2017, toen het trio z’n eerste, verbluffende concert speelde in de Brugse club. Het was het laatste concert van een reeks, zo’n moment waarop je voelt dat al de lessen en hoogtepunten uit de voorgaande concerten nog een laatste keer samengebald werden in een laatste, messcherpe eindspurt op leven en dood. Het was muziek en geschiedenis, engagement en extase dat er bij elkaar kwam in een concert dat moeiteloos tot het beste behoorde dat we in 2017 zagen. Het zou voor de muzikanten en over-emotionele uitbater Joeri Hostens echter nog een bijzonder vervolg krijgen.

Daags na het concert gingen zij immers op bezoek bij Rik Bevernage, concertprogrammator en labelman van W.E.R.F., die een cruciale rol speelde in het culturele leven van Brugge en voor de Belgische jazz, maar ook voor heel wat internationale artiesten. Het was mede door zijn baanbrekende werk dat heel wat mogelijk werd in dit kleine landje, waar goede intenties vaak onder de voeten gelopen worden door al te veel onnodige en verlammende complexiteit. De ontmoeting en het kleine concertje dat gespeeld werd bij Bevernage, maakten ook grote indruk op McPhee, die het live-album met opnames uit Oekraïne prompt Journey To Parazzar (Not Two Records) noemde. De terugkeer naar Brugge was niet enkel om de cd-release te vieren, maar ook een eerbetoon aan Bevernage, die begin maart overleed na een afmattende ziekte.

Net als vorig jaar bestond de avond uit twee korte(re) sets, maar die zaten zo volgestouwd met jazz, improvisatie, gospel, poëzie en opruiende kreten, dat het boeltje regelmatig het kookpunt naderde en eenvoudigweg uit elkaar dreigde te barsten. Maar het liet bovenal ook horen wat een begenadigd artiest McPhee is. Die leidde het trio met verve en vuur, maar ruimde regelmatig ook baan voor die frenetieke, op hol geslagen ritmesectie, met een lijfelijke, intense performance van Edwards (zagen we het ooit al anders?) en een al even bevlogen prestatie van een wat meer beheerste Kugel, die niettemin schitterde met een feilloze flow en warmbloedige soul die bij momenten herinnerde aan het organische spel van een Hamid Drake.

Het begon nochtans ingetogen, met resonerende metaalklanken die aan een rij gongs ontfutseld werden, terwijl Edwards inpikte met strijkstokvegen en McPhee op een witte trompet ruisende lucht binnensmokkelde. Het geluid dikte zachtjes aan, het volume ging omhoog, en zodra Edwards zijn stok inruilde voor driftig plukkende en trekkende vingers, kreeg het sacraal getinte exotisme een dwingende, lijfelijke drive. McPhee schakelde over naar tenorsax, herinnerde aan Coltrane-in-spirituele-modus en voerde het trio vervolgens langs een sensuele slalombeweging tussen een elegisch “My Funny Valentine” en bevlogen freejazz die voortdurend het vuur aan de lont stak. McPhee schreeuwde en zong, vuurde z’n ritmesectie aan, leunde achterover en liet de sax schallen met woeste verbetenheid, terwijl afronden gebeurde met een compacte, maar bloedmooie versie van Coltrane’s “After The Rain”.

De tweede set sloot nauwer aan bij het concert van vorig jaar, al was het allemaal net iets minder gebald. Hier trad de militante McPhee op de voorgrond, die de “racist fascist in The White House” op de korrel nam (zonder hem bij naam te noemen), donderend debiteerde dat we in gevaarlijke tijden leven en zijn steun uitschreeuwde voor uitgesloten en in de hoek gedrukte minderheden (van slachtoffers van seksueel geweld en de LGBTQ-gemeenschap tot Black Lives Matter en meer). Het werd een voortdurend heen en weer bewegen tussen woord en muziek, met een ritmesectie die het boeltje moeiteloos witheet hield en een voorman die -- met frequente ondersteuning van een al even ontketende Hostens -- predikte en verketterde, sputterde en schetterde, en The Staple Singers en zijn eigen Nation Time weer tot leven wekte. “What time is it? Nation time! FOR REAL this time!”, en zo werd het heel even weer 1970, terwijl het feit dat McPhee volgende week 79 wordt op geen enkel moment aannemelijk klonk. Dit was een ziedende performance van een barricadebestormer die nog maar eens doordrongen was van het Heilige Vuur en kon rekenen op de steun van een tweespan dat tot de krachtigste behoort dat we in tijden zagen, met een knoert van een climax die op zijn beurt nog eens in een poëtisch uitroepteken van Hostens verpakt werd.

Het was even slikken, al die buitensporige emoties en rauwe extase voor een publiek van (vooral) grijze(nde) bleekscheten, maar tegelijkertijd was het ook weer niet zo vreemd dat zich net in deze Parazzar iets ontspon dat herinnerde aan de tomeloze trance die doorgaans voorbehouden blijft aan zwarte kerkdiensten of andere rituelen die te veel zielsverrukking bevatten om gelabeld te worden als 'concert'. Journey To Parazzar, inderdaad.

E-mailadres Afdrukken