Banner

Ry Cooder

11 oktober 2018, Stadsschouwburg Antwerpen

Björn Weynants - 13 oktober 2018

Het is niet zo heel erg vaak dat Ry Cooder de oversteek maakt naar Europa voor een reeks concerten. De aankondiging dat hij zijn nieuwe plaat kwam voorstellen met twee concerten in België zorgde er dan ook voor dat de prijzige tickets vlot van de hand gingen. In de Antwerpse Stadsschouwburg wist Cooder echter waar voor zijn geld te brengen.

Eerst kreeg zoonlief Joachim Cooder een klein half uur de tijd om te laten horen wat hij in zijn mars heeft. Joachim Cooder werkt al sinds de jaren ’90 mee aan de platen van zijn vader, eerder dit jaar verscheen zijn soloalbum Fuchsia Machu Picchu waarop de rollen omgedraaid waren. Voor zijn korte set kreeg hij de assistentie van Sam Gendel op gitaar, terwijl Cooder zelf de array mbira, een in de jaren ’60 in de VS ontwikkelde variant op de Afrikaanse duimpiano, ter hand nam. Hoewel de nummers van Joachim Cooder net zoals die van zijn vader diep in de rootsmuziek geworteld zijn, zorgt hij met loops en spaarzame electronica voor een geluid dat moderner maar ook wat hermetischer klinkt. Met songs als het titelnummer en een mooie versie van Doc Boggs’ “Country Blues” toonde hij dat hij meer is dan enkel “de zoon van”.

Er zijn maar weinig artiesten met een zo indrukwekkend en divers CV als Ry Cooder. Hij speelde mee op platen van schoon volk als Captain Beefheart, The Rolling Stones, Neil Young en Van Morrison. Gedurende de jaren ’70 bracht hij een hele reeks albums uit die bestonden uit een combinatie van covers en eigen werk, waarop hij de rootsmuziek op zijn eigen manier herinterpreteerde. Hij bracht ook heel wat soundtracks uit, waarbij vooral die van Paris, Texas een klassieker in het genre geworden is. In de jaren ’90 trok hij de wijde wereld in op zoek naar artiesten om mee samen te werken, gaande van Ali Farka Touré tot het Cubaanse Buena Vista Social Club. De voorbije vijftien jaar was zijn werk meer maatschappelijk bewogen en politiek geïnspireerd. Eerder dit jaar bracht Cooder het uitstekende The Prodigal Son uit waarop hij onder invloed van zoon Joachim terugkeerde naar de traditionele rootsmuziek, gospel en country waar de Heer vaak het onderwerp is.

De band die Cooder vergezelde, bestond naast Joachim Cooder op drums ook uit Sam Gendel (saxofoon) en Mark Fain (bas). Meest opvallend was echter de aanwezigheid van het uit North Carolina afkomstige vocale trio The Hamiltones, die de nummers van een flinke scheut soul en gospel voorzagen. Opener “Nobody’s Fault But Mine” van Blind Willie Johnson werd eerst ingeleid door Gendel die omineuze, raadselachtige klanken uit zijn saxofoon haalde waarna Cooder inviel en het nummer verder uitgewerkt werd tot een masterclass in sfeerschepping. Het was niet de laatste keer dat Cooder met minimale middelen een maximaal effect zou weten te bereiken. Voor het tweede nummer, “Everybody Ought To Treat A Stranger Right” – weerom van Blind Willie Johnson – kwam de hele band op het podium. Het was blues, maar dan van het soort dat swingt.

“Straight Street” uit zijn nieuwe album was traag en breekbaar, de zachte korrel in Cooders stem zalvend. Daarna volgenden een aantal nummers uit z’n jaren ’70-werk (“Go Home Girl”, “The Very Thing That Makes You Rich (Makes Me Poor)”, waarbij het Detroit van Motown even prominent aanwezig was als Nashville of de Mississippi Delta. Halverwege kregen we een kort intermezzo (“ik moet even wat zuurstof gaan halen”, zei Cooder) waarbij The Hamiltones twee eigen nummers brachten. Bij het tweede nummer (“Gotta Be Lovin Me”) stond Cooder alweer op het podium, maar in een dienende rol. Ook dat typeert Cooder, de bescheidenheid zelve.

Toen de band daarna het podium verliet voor een solomoment liep het even mis, en viel plots de elektriciteit op het podium weg. Cooder improviseerde en bracht zonder versterking en op akoestische gitaar helemaal alleen vooraan op het podium een hilarische versie van Chuck Berrys “13 Question Method”. Nadat het euvel verholpen was, bracht Cooder een lang uitgesponnen, uitgebeende versie van Woody Guthries “Vigilante Man”, waaraan hij een strofe over Trayvon Martin had toegevoegd. Het bijtende venijn van het origineel maakte plaats voor een terneergeslagen bluessong. Een absoluut hoogtepunt. Het hoge niveau werd eigenlijk het hele concert aangehouden. Van gedreven gospel (“Jesus On The Mainline”) tot speelse swing (“Down In The Boondocks”), met schijnbaar gemak wisten Cooder en co de vaak oude nummers een heel nieuw leven te geven. Het gitaarspel van Cooder riep beelden op van weidse vlakten tot modderige rivierdelta's, terwijl ook Gendel prachtige dingen liet horen op saxofoon (“You Must Unload”).

Nadat The Hamiltones de reguliere set mochten afsluiten met “99 ½ Won’t Do” kreeg het publiek nog twee nummers. Met het van Elvis Presley bekende “Little Sister” was er een publiekslieveling en middels “I Can’t Win” mochten The Hamiltones afscheid nemen. Een perfect concert was het misschien niet -- vier nummers voor The Hamiltones was net iets te veel van het goede op een concert waar het publiek voor Ry Cooder kwam -- maar wel een waar Cooder toch de hooggespannen verwachtingen wist in te lossen. Ry Cooder is niet alleen een meesterlijk gitarist, maar ook iemand die als geen ander nummers uit de blues en folk van lang vervlogen tijden weer tot leven weet te brengen. Een concert om in te kaderen.

E-mailadres Afdrukken