Banner

The Ex Festival / 50 jaar Paradiso

30 september 2018, Paradiso, Amsterdam

Guy Peters - foto's: Mario Pollé - 01 oktober 2018

Op 30 maart van dit jaar vierde Paradiso z’n vijftigste verjaardag. Diezelfde avond stelde The Ex z’n recentste album 27 Passports (lijstjesvoer!) voor in Amsterdam-Noord, maar de uitnodiging volgde alsnog. De cultband speelde intussen al meer dan 30 keer in de legendarische concerttempel aan de Weteringschans en voegde met dit zelf gecureerde festival een zoveelste hoogtepunt toe aan de lijst.

“Alles zelf doen, dát is punk” was een paar dagen geleden nog de titel boven een interview met Terrie Hessels in het Noordhollands Dagblad. Het lijkt een vanzelfsprekendheid, misschien zelfs een cliché, maar het is niet zo eenvoudig om het te blijven doen, en als je bijna veertig jaar lang de daad bij het woord voegt (The Ex speelde zijn eerste concert op 31 augustus 1979), dan ben je uitgegroeid tot een unicum. Anno 2018 is de situatie ook een beetje anders. De krakersbeweging waaruit de band ontstond, is intussen verleden tijd en velen zijn de kroningsrellen van 1980 intussen alweer vergeten. Amsterdam heeft nog altijd z’n unieke karakter, maar je moet het steeds meer gaan zoeken achter hordes toeristen die er een modern Sodom en Gomorra in menen te vinden, een plek waar alles kan en mag (wat op zijn beurt weer leidt tot een hoop boertig gedrag), en met wijd opengesperde ogen in de val van de commercie lopen. De stad is, zoals MC Richard Foster het mooi samenvatte, een latte imperium geworden, een plaats die niet meer van het volk is, maar van het kapitaal, de ketens en de projectontwikkelaars.

Dat is misschien ook een van de redenen die een kentering teweegbracht in de filosofie van de band. Die is dezer dagen minder politiek expliciet, raast zelden nog over specifieke conflicten in landen hier ver vandaan, maar het engagement zit er nog steeds in. “Soon All Cities”, de opener van 27 Passports, handelt in niet mis te verstande bewoordingen over de monocultuur die steeds opdringeriger wordt ( “Soon all cities will have the same restaurants, roundabouts, governments, accidents, monuments, etc…”). Het alternatief wordt niet zozeer benoemd, maar in de praktijk omgezet. Wat te doen in een maatschappij die steeds individualistischer en egocentrischer wordt, die consumenten (want dat ben je meest van al) meer keuzes dan ooit biedt, maar tegelijkertijd angst en argwaan voor het onbekende aanleert? Het antwoord van The Ex: je gaat allianties aan, benadrukt de meerwaarde en rijkheid van diversiteit. En vooral: je houdt het allemaal zelf in handen. “Punk is whatever we made it to be” is hoe D. Boon, de in 1985 overleden zanger/gitarist van The Minutemen, hun eigenzinnige invulling omschreef. Een betere samenvatting van 39 jaar The Ex ga je ook moeilijk vinden.

Het vorige Ex Festival in Paradiso in 2014 liet al een behoorlijke weelde horen, maar daar werd nu eigenlijk nog een schep bovenop gedaan. Niet alleen de grote concertzaal, maar ook de kleine (boven) en de kelder van het gebouw werden gevuld met muziek. Keuze genoeg, maar het betekende helaas ook gemiste concerten van onder andere het Kaja Draksler Octet, King Ayisoba, Bazooka en meer. Maar laten we het even hebben over de optredens die we wél zagen, want alles begon op originele manier met de Drumband Hallelujah Makkum uit het Friese geboortedorp van Arnold De Boer/Zea, die met veel fanfare (boem) de concertzaal in gemarcheerd kwam. Aan de zijkant stond De Boer al klaar, geflankeerd door het vierkoppige Kosten Koper, waarin we onder anderen John Dikeman (tenorsax) en Joost Buis (trombone) herkenden.

Samen speelden ze een handvol songs van De Boer die in nieuwe blazersarrangementen gestoken waren en door al die trommels en rinkelende glockenspiels een enorme drive kregen. “Efter it gerdyn” met die start/stop-dynamiek en “I Build My Own Town”, volgestouwd met machinegeweerroffels, waren uitbundige songs met knoerten van melodieën die snedigheid aan goedlachse energie koppelden. Al net zo aanstekelijk was “Wipe Out”, de surfklassieker van The Surfaris uit 1963, terwijl “Bourgeois Blues” nog eens De Boers status als moderne folkie in de kijker zette. Een originele opener, meteen goed voor een brede grijns. Daarna was het reppen naar de kleine zaal boven, waar de andere Ex-leden uitpakten met projecten. De eerste daarvan was Andy Moor, die aantrad met dichtende kompaan Anne-James Chaton. Net als op het recent verschenen, uitstekende livealbum Tout Ce Que Sais leverde dat een gespannen en redelijk duistere interactie van woord en beeld op, ook al kan je de monotone voordracht van Chaton beschouwen als een klankbord waar Moor z’n repetitieve en soms explosieve spel meester op laat afkaatsen.

Met rollende patronen op tape, snijdende explosies en dissonante accenten creëert de gitarist een trance die al net even opmerkelijk is als de performance van z’n kompaan. Intussen werden eeuwenoude prenten geprojecteerd, beelden van vraatzucht en fellatio, die pasten in de ketterij-insteek die de twee hanteerden. De dwingende hypnose van “Coquins coquettes et cocus” was een eerste hoogtepunt en werd nog gevolgd door “Heidsieck’s Chords”, waarmee Chaton een lijst auteurs aframmelde en Moor de bijhorende akkoorden kon aflezen van het scherm. Tijdens “The Things That Belong To Willam”, met een akelige, vertraagde sample van William Burroughs, stak Moor een metalen lat tussen de snaren, wat een zinderend effect opleverde dat even herinnerde aan zijn Rebetika-project met Yannis Kiriakidis. “Casino Rabelaisien” puurde de duo-sound met maximale impact uit tot op het bot.

Tijdens het 33 1/3 Festival in 2012 speelde Ex-drumster Katherina Bornefeld een duoset met rietblazer Ditmer Weertman. Deze keer werd het sparren met George Hadow, een van de sterkste nieuwe aanwinsten voor de Amsterdamse muziekscene van het voorbije decennium. Hier geen voorzichtig afwachten en aftasten, maar snel erin vliegen met recht-voor-de-raapse ritmes vol variaties, franjes en hier en daar een Afrikaans getinte drive. De twee drumden onafhankelijk, maar met een gemeenschappelijke focus. Ze waren niet zozeer één organisme als twee verschillende visies op een voorwaartse stuwing, waarbij Hadow regelmatig de ruimte opvult in Bornefelds performance. De set was even kort als vetvrij.

Lena Hessels was er de vorige festivals ook al bij, maar deze keer speelde ze een hele set met eigen materiaal, dat binnenkort verschijnt op de Billow EP. Op die release, die ze deze zomer in elkaar knutselde in haar zolderstudio, worden heel wat geluiden gecombineerd. Een aantal sfeervolle samples stond klaar, maar Hessels had ook geen schrik om naakt op het podium te staan, met niet veel meer dan woorden (“Falling”) of minimale inkleuring. Moeilijk om er een label op te plakken. Er zat pop, folk en poëzie in, maar er was steevast een hoek af en het was eigenlijk opvallend origineel voor een artieste die nog achttien moet worden. Klonk “Sunflowerbby” aandoenlijk licht en romantisch, dan was “Welter” meteen erna al wat bitsiger (met de zinsnede “Luck is everyone in disorder” die meteen z’n werk doet) en “First” met dat aanhoudende gekraak ronduit creepy.

Met “Days” ging het even richting conventioneler terrein, maar dan wel met een dreiging van geweld onder het oppervlak. Voor het einde van het set werd ze bijgestaan door goed volk. “Best wel eng”, lachtte vader Terrie Hessels toen hij het podium betrad (en dat voor iemand die ruim over de 2000 concerten speelde) en “Standby” versierde met abstract gewrijf en gefrunnik. Voor het slotstuk werd het familie-onderonsje aangevuld met Ken Vandermark, die samen met Terrie al even hintte naar wat er iets later te wachten stond, maar vooral ook ten dienste van de jonge artieste speelde. En daar sta je dan, te blinken naast twee zwaargewichten met materiaal dat eigenlijk moeiteloos overeind blijft.

Lena had het podium amper verlaten of Terrie stuiterde al richting Vandermark met een drumstok en een teveel aan energie dat hij dringend kwijt moest. Het was dan ook maar een kwestie van seconden voor de twee het volle pond gaven in die merkwaardige combinatie van schijnbaar onverenigbare tactieken die toch in elkaar pasten. De ritmische accenten van Vandermark waren messcherp en woelig, en werden uitgevoerd met dezelfde knetterende energie waarmee Hessels de snaren mishandelde. De interactie was springerig, voortdurend in beweging, voorzien van een stevige stoot humor (vooral door een ontketende Hessels, die z’n gitaar en het podium bewerkte met de hamer (!) die z’n dochter achterliet), maar vooral ook een instinctieve interactie die ondanks een enorme vrijheid ook tot een set leidde die even kort als gebald en consistent was.

Snelsnel naar beneden om nog een stukje mee te pikken van het concert van Zewditu Yohannes, Endris Hassen & Misale Legesse. Die laatste zijn leden van Fendika, de band waar The Ex al vaker mee samenwerkte. De kebero drums van Legesse en de masinko (een luit met één snaar die bespeeld wordt met een strijkstok) van Hassen zijn eigenlijk vrij rudimentaire instrumenten, maar ze volstonden om een opwindend feestje te bouwen. Samen met Yohannes, een zangeres die in de jaren negentig vaker te horen was in Nederland, brachten ze de boel aan de kook met tranceachtige en opzwepende muziek die nog eens aangedikt werd met de kleurrijke vocalen en dans van Yohannes. De muzikanten stonden twee avonden eerder pas voor het eerst samen op het podium, maar het leek wel alsof ze een populaire Best Of uitvoerden, zo enthousiast werd de muziek onthaald.

Voor wie The Ex al langer volgt, is Brader Musiki misschien geen onbekende naam. Musiki is een Turkse Koerd die intussen al een paar decennia in Nederland woont en in 1991 de “Millîtan”/ “Çeme Rynê” single uitbracht met de band. Het was niet de eerste keer dat die met een Koerdische muzikant werkte -- in 1984 deed ze dat al met de groep Awara -- maar rond 1991 was de Koerdische kwestie wel voorpaginanieuws geworden en was The Ex al helemaal in andere culturen gedoken. Ethiopië was nog niet in zicht, maar dat zou snel volgen. Deze keer deed Musiki het alleen, met stem en saz, een snaarinstrument dat een heel andere toonschaal heeft dan Westerse instrumenten en daardoor ook een heel eigen flair. De stem werd er in de loop der jaren voller en lager op, terwijl zijn rijke vibrato en lang aangehouden lettergrepen op maat zijn van het lome tempo van zijn songs. Afwisselend meanderend en wat ritmischer woog de man je in een trance met zijn muzikale hypnose, een soort van mysterieuze blues die voor deze oren nog altijd vreemd klonk, maar intrigeerde.

The Ex is een groep die er altijd wel staat, maar als je ze kan meepikken in de juiste context, dan levert het altijd dat ietsje meer op. Zo waren ze anderhalve week geleden goed op dreef in Les Ateliers Claus, het soort compacte club waar hun energieke concerten perfect tot hun recht komen. Paradiso is wat groter, maar het was wel een thuismatch voor een uitgelaten publiek dat er samen met de band een uitbundig en zweterig feest van maakte. De setlist was een ingekorte versie van die van vorige week, maar eigenlijk moet je steeds opnieuw vaststellen dat ze die songs steeds opnieuw ander leven inblazen, hier en daar met rafelige randjes, maar altijd met een niet kapot te krijgen verbetenheid en overgave.

Het een-tweetje “This Car Is My Guest” (traag daverend en onheilspellend) en het instrumentale “Footfall” (breed uitwaaiend en afgerond met een vrij botsend gitaarduet) bakende het speelveld af. “The Heart Conductor” was meteen een schop onder de kont, een catchy brok energie waarvan alle onderdelen in voortdurend schurende verhoudingen de zaal in gekletst werden. Nog een opmerkelijk contrast: het door Bornefeld gezongen “Birth”, dat steeds opnieuw opvalt door z’n ritmische schijnbewegingen, gevolgd door “The Sitting Chins”, dat door een steeds wilder dansend publiek onthaald werd als een volbloed klassieker. De gitaarsalvo’s kregen hier iets van withete fusillades. Mooi moment: Hessels brak een snaar, probeerde die te repareren, besloot toch om verder te spelen, zette vervolgens een stap achteruit, verving toch de snaar, draaide ‘m vast en was nét op tijd terug om het offensief opnieuw in te zetten. Het adrenalinepeil schoot door het dak.

“New Blank Document” walste als een bulldozer over de zaal en afronden gebeurde met “Soon All Cities”, een song die al klonk als een klassieker toen we ‘m voor het eerst hoorden. Misschien nog altijd een perfecte dwarsdoorsnede van waar The Ex voor staat: engagement verpakt in eindeloos geestdriftige en aanstekelijke muziek die aan de kook gebracht wordt met intense ontsporingen. Een spannend en knallend concert waar niets op af te dingen viel, of het zou moeten zijn dat het wat kort was. Maar ook dat is The Ex: ze hebben liever dat je iets nieuws ontdekt.

En voor dat ontdekken trokken we snel nog eens naar boven, waar het Zwitserse trio Massicot uitpakte met een speelse en ontbeende combinatie van minimalistische postpunk en krautrock. Ruggengraat van de meeste nummers kwam van de babybasgitaar (met drie snaren) van Mara Krastina, terwijl gitariste Simone Aubert zelden te betrappen viel op conventioneel spel. Door een gebruik van talloze effecten en merkwaardige speeltechnieken, met veel tapping, bracht ze constant wisselende effecten en texturen aan. Soms deed het zelfs wat denken aan het gesjeesde rotzooien van Adrian Belew. Drumster Colline Grosjean herinnerde regelmatig aan Katherina Bornefeld, met een voorkeur voor kleurrijke ritmes en bonte kleuren (koebel en een paar andere speeltjes). Je moest denken aan The Slits, The Raincoats en misschien ook wat Young Marble Giants, maar Massicot had z’n eigen puntige sound die ondanks wat schoonheidsfoutjes nooit inboette aan charme en herhaaldelijk een intensiteit ontwikkelde die twijfelde tussen manisch en mechanisch. Een ontdekking.

We hadden graag nog wat van King Ayisoba of Bazooka meegepikt, maar de laatste metro riep. U laat ons maar weten wat we gemist hebben. Wat we wél zagen, bevestigde alleszins nog maar eens dat het nog altijd zalig rondhangen is in het avontuurlijke universum van The Ex. 2019 zou wel eens een bijzonder jaar kunnen worden, dus hou die concertagenda in de gaten en doe er uw voordeel mee.

E-mailadres Afdrukken