Banner

Jazz Middelheim 2018

9-12 augustus, Park Den Brandt - Pagina 2

Bart Van Put & Guy Peters - foto's: Peter Duyts (9+10) / Bruno Bollaert (11+12) - 11 augustus 2018

10 augustus

Belgendag in Middelheim. Maar misschien toch even beginnen met de aanstootgevende gruwel die de vip-zone anno 2018 geworden is? Op het moment dat het concert van De Beren Gieren startte, waren de zijbeuken zo goed als volledig gevuld, maar de zone tussen de mixtafel en de paar voorste rijen, pakweg 400 plaatsen, was een lege woestijn van metaal en plastic. Voorbehouden aan vips en houders van het hospitality arrangement, die op dat moment ongetwijfeld van culinaire hoogstandjes stonden te smullen of te netwerken. Ronddwalende groepjes bezoekers konden niet anders dan beteuterd toekijken en vervolgens vijfentwintig rijen verderop een plaatsje zoeken, terwijl honderden stoelen leeg bleven (tot er nog een paar aangesloft kwamen of het signaal gegeven werd dat het plebs ook mocht plaatsnemen in de zone). Je zal als muzikant maar naar die leegte moeten kijken. Een beeld dat pijnlijk samenvat hoe fout het kan lopen. Valt het tij nog te keren? Doe het dan, in godsnaam.

Maar kijk, we waren er voor de muziek en voor de feestjes op de podia, want er waren een aantal speciale data/gebeurtenissen te vieren. Zoals de vijfentwintigste verjaardag van het Brussels Jazz Orchestra, dat een hele dag de Club Stage mocht inpalmen en doorheen vier concerten een staalkaart van z'n redelijk imposante kunnen bracht. We pikten daarvan de eerste drie sets mee. De eerste daarvan werd aangegrepen om een paar projecten uit de laatste vijf jaar in de kijker te zetten: The Music Of Enrico Pieranunzi, het Brel-project, Wild Beauty, met muziek van Joe Lovano, en Smooth Shake, een samenwerking met oude getrouwe Bert Joris. Zo de pakken, zo de muziek: klassiek en elegant.

Het BJO valt al jaren niet meer op een valse noot te betrappen, of het nu gaat om het ingetogen, exotische geschuifel van "Persona", de zwier van "Oud Daily Bread" of de weelderigheid van "Nasty Boy". De arrangementen zijn kleurrijk, maar nooit pompeus, de solo’s smaakvol en het samenspel hecht, met Toni Vitacolonna als motor en Frank Vaganée als dirigent. Erg hip en flashy is het natuurlijk niet, maar bij het BJO weet je wat je krijgt. Die elegante kern bleef ook bij de volgende twee projecten overeind. Met zangeres Fay Claassen en gitarist Peter Hertmans werd muziek gezet op gedichten uit de bundel Kaneelvingers van Stefan Hertmans (broer van).

alt

Het begon instrumentaal, met wat meer vaart en een iets compactere aanpak. Met de breed lachende Claassen erbij was het laveren tussen jazzorkest-met-zang en een poëzievoordracht met muzikale ondersteuning. Hier en daar doken treffende beelden op (vingers als levende asperges), maar het orkest deed als vanouds z'n ding, met muzikanten die af en aan liepen om hun solo te brengen, hier en daar als commentaarstem. Best wel fijn, al begon het vanaf "Kaneelvingers 3" misschien ook wat té gezapig te worden. Wat extra pit was er wel in set #3, die opgebouwd werd rond het recent verschenen We Have A Dream, waarvoor de band gezelschap kreeg van misschien wel -- naast Bert Joris -- zijn meest ideale partner: zangeres Tutu Puoane.

Het plaatje klopt helemaal bij Puoane: ze heeft het charisma, de stem en vooral het inlevingsvermogen om een song nog net een niveau hoger te krijgen. Met een orkest als het BJO zal de muziek nooit helemaal barsten van verontwaardiging -- daarvoor wordt er te veel gemikt op serene klasse -- maar Puoane voegt wel de kleur toe, of het nu gaat om een liefdevol eerbetoon aan Martin Luther King of songs van Joni Mitchell, die ze intussen volledig beheerst. "They Dance Alone" van Sting blijft iets dat we met de beste wil van de wereld niet doorgeslikt krijgen, maar "Four Women" (Nina Simone) was net als op het album een hoogtepunt, een aanklacht met geheven hoofd en lichtjes bittere ondertoon.

FONS., dit jaar de afvaardiging van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen, vierde op het hoofdpodium zijn entree door de grote poort met mentor/saxofonist Logan Richardson. Hopelijk hebben ze ook begrepen dat de grote leegte in het middenblok van de tent weinig te maken had met de kwaliteit van hun spel, want dat mocht er wel zijn. Richardson gaf aan het einde van het concert mee dat hij niet het gevoel had te werken met studenten, maar met professionals. En zo voelde het ook aan, want het kwartet durfde het aan om composities ver te laten uitwaaien. Tenorsaxofonist Lennert Baerts speelde veel unisono lijnen met de coach, maar kreeg (of nam) ook volop de tijd om uitgebreid te soleren, terwijl gitarist Jeroen Reggers en drummer Gert-Jan Dreessen even gretig aan de slag gingen.

Hier en daar misschien zelfs iets te gretig, want de gebalde kracht van een "Reindeer" (een verwijzing naar de Nederlandse gitarist Reinier Baas) was soms een beetje zoek in andere stukken, ook al dreven ze op lome grooves die konden omslaan in knappe versnellingen. Het was nog een beetje onwennig en de compacte spanningsboog werd soms wat uit het oog verloren (misschien omdat de band z’n gekregen 75 minuten ook volledig volspeelde), maar er werd niettemin geëxperimenteerd met zijstappen die geurden naar funk, donkere processies of zelfs de rockende onheilssirene van Nordmann. Talent zat, het is nu al uitkijken naar wat komt.

"Benieuwd wat de toekomst gaat geven" was acht jaar geleden ook onze commentaar toen we De Beren Gieren voor het eerst zagen in de Gentse Vooruit. Het antwoord kregen we intussen: een indrukwekkend parcours met een handvol opvallende samenwerkingen, bevlogen concerten en sterke albums die bulkten van het spelplezier en experimenteerdrift. De Beren Gieren heeft intussen ook wel een transformatie ondergaan. De baldadig botsende jazz vol kwieke wendingen en prikkelende humor zit er nog altijd in, net als die overduidelijke invloed uit klassiek (vooral dan in het spel van Fulco Ottervanger), maar het groepsgeluid is wat opgeschoven. Elektronica en minimale elementen hebben zich meer naar de voorgrond gewurmd, wat leidt tot een meer uitgesproken hedendaagse flair.

alt

Dat heeft het trio een jonger publiek bezorgd en een reputatie van het heetste Belgische jazzsnoepje in het buitenland. Op het hoofdpodium werd die status moeiteloos ingelost. "Rebel Jazz To Rebel Against" en "Vakantiebestemming" vormden een prachtig een-tweetje dat duidelijk maakte dat de drie intussen met hun composities spelen alsof ze deeg zitten te kneden. Er waaien (post-)klassieke geluiden door, maar via oogcontact en indrukwekkende instincten jagen ze de muziek langs vieve tempowissels en bonte stijlbreuken. "We Dug Out Skyscrapers" en "De Belofte Treurwals" van het recentste album lieten horen waar de band anno 2018 voor staat. Het speelse zit er nog in, maar er wordt veel langer uitgeweid en uitgehangen in oorden van nevelige soundscape en minimale abstractie. Toch wel een opvallend contrast met oudere composities als "Oude Beren" of "Asbrokken", die het meer moesten hebben van hoekigheid en jeugdige energie. De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat ze ons bijna een paar keer kwijt waren in die nieuwere stukken, maar toch: wat zijn De Beren goed geworden. Het zou meteen het hoogtepunt van de dag worden.

Exact vierenveertig jaar geleden zat Philip Catherine in een Brusselse studio om met een Europees-Amerikaanse band September Man op te nemen. De plaat werd hier en daar omschreven als een "geniale lp", maar laten we eerlijk zijn: het was een plaat van z’n tijd, op de wip tussen pastoraal getinte ECM-jazz en de fusion die in 1974 grote sier maakte. Voor het eerst zouden de muzikanten van toen ook het podium delen als de Philip Catherine Reunion Band. En eerlijk, dat viel eraan te horen. Geen idee of het iets te maken had met het feit dat niet gekozen werd voor een integrale albumuitvoering. Slechts drie composities uit de plaat werden door de set gestrooid, die voor de rest een aantal stukken van verschillende leden bij elkaar bracht.

Het concert kwam erg moeizaam op gang. Er stond heel wat klasse en ervaring op het podium, maar je hoorde nooit de eenheid die De Beren Gieren wel toonde. Voor de muzikanten hun draai gevonden hadden, was Catherines "Kwa Heri" alweer voorbij en belandde je bij het eerste deel van "When It Is" uit September Man, een moment voor het ijle trompetgeluid van Mikkelborg, die zowel muzikaal als qua lichaamshouding een paar tics overnam van Miles Davis (waarmee hij nog samenwerkte op diens Aura). Het stuk ging naadloos over in zijn "Glass Painting", dat een paar keer hopeloos dreigde de mist in te gaan. Catherine gaf meermaals teken aan toetsenist Jasper Van 't Hof om in te vallen, maar die begreep duidelijk niet wat van hem verwacht werd en perste dan maar wat schreeuwlelijke synthklanken uit z’n klavier. Tandpijn.

En helaas was dat soms ook van toepassing op het geheel: Catherine speelde met die befaamde, vloeiende lyriek (van de verrassende agressie die hier en daar op September Man te horen was, viel hier minder te merken), maar loste vaak op in richtingloos fusiongefriemel. Als de studioversie van "Nineteen Seventy Fourths" vierenveertig jaar na opname nog klinkt als een degelijke variant op de elektrische Miles, dan was deze versie ronduit bombastisch en belegen. En dat kon je helaas ook zeggen over dit concert, alle goede intenties ten spijt.

Het was duidelijk dat Melanie De Biasio de hoofdattractie was. De tent barstte ei zo na uit z'n voegen voor het concert begonnen was en het was meteen ook de eerste keer dat het geleuter in en rond de tent verstomde (ligt het aan ons, of wordt zo’n festivaldag met grote headliner steeds meer een toeristische uitstap?). Het paradepaardje van de Belgische jazz, dat zowel mocht opdraven op Gent Jazz als Jazz Middelheim, bracht wat van haar verwacht werd: een duistere, sensuele trip van anderhalf uur. Sinds het succes van No Deal is haar sound nog meer uitgebeend en herleid tot de essentie: die donkerbruine fluisterstem en bakken eromheen gemetselde sfeer. De woorden worden gepreveld met de intimiteit van een biecht en mikken samen met het ronddrentelende fluitspel op maximale trance.

alt

En dat lukt, want de bedwelmende jazzchanteuse van weleer schurkt dezer dagen dicht aan bij het doemerig minimalisme van Bohren & der Club of Gore, maar dan met een Alice Coltrane/Yusef Lateef-twist. Dat klonk bij momenten ("Gold Junkies", "With All My Love") best indrukwekkend, maar je miste wel de spontaniteit en levendigheid van weleer. De befaamde naakte naturel van De Biasio voelde intussen ook wat geaffecteerd aan. Het was een vlekkeloos uitgevoerde show, maar niet de overstijgende ervaring, het was geen parcours om samen met haar af te leggen. Er werden geen trappen, laat staan risico’s, genomen, geen extase gezocht. Er werd gestart en geëindigd bij zwarte romantiek, ook in "Afro Blue", even beklemmend als verlammend. Je miste de belofte van meer. En zo werd de zo geroemde minimale sound van De Biasio ineens verleidelijk én pompeus, alsof ze verloren gelopen was in haar zelfgecreëerde mythologie.



E-mailadres Afdrukken