Banner

Konfrontationen 2018

19-22 juli 2018, Jazzgalerie Nickelsdorf

Guy Peters - 29 juli 2018

Het derde weekend van juli is voor heel wat landgenoten onlosmakelijk verbonden met de Gentse Feesten, de Tour de France of een strandstoel op Gran Canaria, maar bij ons staat het sinds enkele jaren bekend als het moment waarop Konfrontationen plaatsvindt. Het is altijd even twijfelen – doordat we zowat in het wereldcentrum van de live muziek wonen hebben we het gros van de artiesten al enkele keren gezien, en wat zou je toch weer vier dagen gaan zweten op die Oostenrijkse steppe? -, maar voor de zesde keer waren we van de partij. En maar goed ook, want deze 39ste editie van het legendarische festival voor vrije muziek was een uitstekende editie.

Een van de mooie aspecten van het festival is de ironische spanning die er voortdurend heerst. Vier dagen lang worden het restaurant en de achtertuin van Hans Falb omgevormd tot een altaar voor de vrije muziek, een plaats waar de creatie en beleving van het moment centraal staat. Tegelijkertijd krijg je de indruk dat er weinig verandert. De tuin krijgt een likje verf en net zoals elders gaan de drankprijzen beetje bij beetje omhoog, maar het podium, de inkleding en stoelenrijen blijven zowat hetzelfde. Idem voor de bezoekers: het is een weerzien met een publiek dat voor minstens 80% elk jaar opnieuw van de partij is. Dat getuigt van een verwarmende loyaliteit en maakt het makkelijker, ook voor contactgestoorden, om aan de praat te geraken met andere improvisatiefanaten, maar het roept ergens ook wel de vraag op hoe dit festival niet enkel z’n programma kan vernieuwen, maar ook z’n publiek verjongen. Naast het bij elkaar scharrelen van de nodige subsidies om het allemaal waar te maken, lijkt dat zowat de grootste uitdaging.

Large en extra large

“If the music is true the form takes care of itself” was de leuze die dit jaar op een van de tuinmuren en de festivalshirts prijkte. Woorden van pianist Cecil Taylor, die er in de jaren tachtig en negentig meerdere keren bij was, maar in maart van dit jaar overleed op 89-jarige leeftijd. Als een van de grote iconen van het genre kreeg Taylor op de eerste dag een eresaluut van een achtkoppig gezelschap. (what would we be) without Cecil was de eerste van vier grotere bezettingen op het festival, en de line-up was niet de minste, met Evan Parker, Joe McPhee én Peter Evans in de frontlinie. Het leidde niet geheel onverwacht tot een stevige hap, waarbij het niet lang duurde of de muziek over je heen raasde als een onstuitbare golf van verstrengelde interacties. Voor vibrafonist Orphy Robinson was het duidelijk ook even zoeken naar een plaats tussen uitgesproken persoonlijkheden als Pat Thomas (piano) en Tristan Honsinger (cello), maar zodra het achttal de startbaan achter zich gelaten had, bleef de vuist gebald.

De blazers traden regelmatig naar voren met een harmonisch rijke gelijkgezindheid, maar er was ook volop ruimte voor solo-excursies, die al te graag aangegrepen werd door Peter Evans, die er zowaar in slaagde om een tuba toe te voegen aan het klankbeeld (zo klonk het althans), en de absurdistische gezangen van de opvallend assertieve Honsinger. Lovens sprak een eigenzinnige taal vanachter z’n antieke drumkit, en vond in Joe Williamson een ideale kompaan. Het was muziek die zich regelmatig boven je hoofd afspeelde, ongrijpbaar bleef, rondtollend als een intergalactische windhoos, maar ondanks een spanningsboog van vijftig minuten toch de aandacht vasthield. De kloeke bis was lichtvoetiger en theatraler, kreeg hier en daar zelfs een speelde ICP-zwier, maar je kon je ook niet van de indruk ontdoen dat de band hier en daar in herhaling viel en moeite had met afronden. Misschien wel een herinnering dat bissen na een performance van dit kaliber eigenlijk niet hoeft.

Van een heel andere orde was het Prague Improvisation Orchestra, een zevenkoppige formatie met bekende gezichten als Petr Vrba (trompet, elektronica) en George Cremaschi (bas), die voor de gelegenheid werd aangevuld met gasten Xavier Charles, Didi Kern, Burkhard Stangl en Tamara Wilhelm. Een bijna-apocalyptische regenbui had ervoor gezorgd dat het orkest pas een uur later dan gepland kon beginnen, en dat werd gecompenseerd met een muzikaal startschot dat meteen duidelijk maakte dat er dynamiet op het podium stond. Toch werd het geen gratuit geweld, want het uitbundige startsalvo van trombonist Jan Jirucha en baritonsaxofonist Zdenek Zavodny werd snel afgewisseld met ingetogen passages op fluisterniveau, met etherische ruis van Vrba en gemurmel van pianist Vojtech Prochazka (een van de jonge, veelzijdige ontdekkingen op dit festival).

Het werd een concert met een knoert van een dynamiek en waarbij een aantal basisafspraken leidden tot een overkoepelende, suite-achtige coherentie. De combinatie van kracht – opjuttende stuwing van Kern en Cremaschi, spierballengerol van de blazers – en detail, herinnerde hier en daar een beetje aan Vandermarks Territory Bands of enkele projecten van Otomo Yoshihide. Sommige passages slalomden tussen soundscape en filmmuziek, maar keerden steeds opnieuw terug naar een afwisseling tussen verschroeiende intensiteit en detailspel. Lome grooves en pakkende melancholie trokken het gezelschap soms ook in de richting van Fire Orchestra, zonder te klinken als een afkooksel. Integendeel, dit orkest was als een veelkleurig buffet dat nooit ging smaken naar fabriekskost. Sterk.

Vergelijkbaar qua omvang, maar compleet anders van klankkleur, was het Castelló Tentet, dat met The Dark Blue een ambitieus project voorstelde. Met Angélica Castelló, Jérôme Noetinger, Billy Roisz en Marta Zapparoli stonden er maar liefst vier muzikanten op het podium die in de weer waren met elektronica, recorder, tape-machines, Revox, effecten en meer. Dat suggereert meteen een duik in een ongebruikelijke klankenwereld, wat het ook werd. Samen met blazers Liz Allbee (trompet) en Isabelle Duthoit (klarinet, zang), celllist Noid, bassiste Rozemarie Heggen en drummers Steve Heather en Martin Brandlmayr werd vertrokken vanuit een obscure, drone-achtige start om vervolgens te verschuiven naar een openvouwend arsenaal met tribaal getinte ritmes, junglegeluiden en allerhande onheilspellende tikjes en plofjes.

Met Duthoit erbij krijgt je muziek steeds ook een sensuele of akelige lading, die in combinatie met de voortdurende regenval (ook op het podium) een trance-effect creëerde. Het geheel evolueerde op een vrij laag tempo, volgens de aanwijzingen van een uitgewerkte, grafische score die aandachtig gevolgd werd. Een paar keer kreeg de performance een donkere, opzwepende vibe, maar elke toegift aan de toegankelijkheid werd in balans gehouden met abrupte klankeffecten, lagen op elkaar gestapeld onheil en uiteindelijk ook een kolkende lavastroom. Het klankbeeld werd bewust donker en monochroom gehouden, waardoor niet altijd even duidelijk was wat er precies gaande was, een beetje jammer met zoveel getalenteerd volk bij elkaar. Anderzijds getuigde dit wel van durf en de zoektocht naar een eigen geluid. Een geinige bonus was de start van een sirene in de buurt, die perfect samenviel met het einde van het concert en zo meteen wat druk van de ketel haalde.

Onze persoonlijke favoriet bij de grotere ensembles was SKEIN, opgebouwd rond het bekende trio Frank Gratkowski (rieten, fluit), Achim Kaufmann (piano) en Wilbert De Joode (bas), aangevuld met Richard Barrett (elektronica), Kazuhisa Uchihasi (gitaar, daxofoon), Liz Allbee (trompet) en Tony Buck (drums). Net als bij het octet van de eerste dag beschikte je over een stel kleppers dat in geen tijd verwikkeld was in een muzikale conversatie vol kruisverbanden, voortdurend verschuivende verhoudingen en opvallende persoonlijkheden. De volièreklanken van Barrett, de intense expressiviteit van Allbee, de repetitieve elementen van Buck, het krachtige snarengetrek van De Joode, etc… Apart zijn ze al opmerkelijk, maar zet ze bij elkaar en je krijgt een excentrieke taal die vreemd is, maar wel gedeeld wordt.

Muzikanten zochten gretig de mogelijkheden op – Kaufman dook in de piano, De Joode werd een percussionist, Allbee haalde haar instrument uit elkaar – wat regelmatig leidde tot een tsunami van klanken en ideeën, die nog het meest verwantschap vertoonde met het gedrag van een spreeuwenzwerm. Ze tollen rond en naast elkaar zonder duidelijk aanwijsbare leider, zonder voorspelbare structuren of duidelijke afspraken, maar tegelijkertijd lijkt het wel alsof ze gestuurd worden door dezelfde, externe kracht, waardoor ze steeds weten waar naartoe en hun synchrone bewegingen zorgen voor pure hypnose. Het is vrije muziek in z’n meest gewaagde vorm, voorzien van een radicale openheid, avontuurlijke elasticiteit én een samenhang die moeilijk met woorden te beschrijven valt. Soms kan je het ook gewoon over je heen laten komen.

Think local

Bekijk je de affiches van de eerste tien edities, dan valt natuurlijk op dat ze veel sterker dan nu gekleurd worden door grote(re) Amerikaanse namen als Cecil Taylor, Roscoe Mitchell, Anthony Braxton en Henry Threadgill. Figuren van dit kaliber zijn nu niet meer realistisch voor een festival van dit formaat, dat elk jaar opnieuw alles uit de kast moet halen om maar te kunnen overleven. Dat heeft ervoor gezorgd dat de nadruk in de voorbije recente jaren wat is opgeschoven in de richting van de lokale scenes, met de nadruk op Wenen en Berlijn. Net als vorige keren hoeft dat niet te leiden tot een verschraling. Integendeel. De nadruk mag dan wel minder op de jazz-kant van de improvisatie liggen, het experiment en de aangeboden kleuren blijven opmerkelijk. Zoals bij Eye Can Dance, waarvan de vier leden al jaren actief zijn in de Oostenrijkse experimentele scene.

Opvallende combinatie van instrumenten ook, met Juun die ‘pianoguts’ bespeelt. Het binnenwerk van een piano ligt uitgestald op een tafel, zodat ze dat percussief kan bespelen, of bvb. draden tussen de snaren kan trekken, zoals hier ook wel eens gedaan wordt door Heleen Van Haegenborgh. Daarnaast zijn er nog turntablist Wolfgang Fuchs (niet te verwarren met de in 2016 overleden rietblazer), drummer Bernhard Breuer en zanger Didi Bruckmayr, ooit nog actief bij lokale legendes Fuckhead (met ook Didi Kern), en een in het oog springende figuur die herinneringen oproept aan Phil Minton, Mike Patton en Scott Walker, het ene moment stotterend en kermend met wartaal, maar net zo gretig verkrampend met bombastische cabaretuithalen of onwerkelijke keelklanken.

Op zich al een garantie voor een excentrieke combinatie, maar de geproduceerde klanken van de vier werden nog eens volop bewerkt, waardoor zachte strelingen soms iets hadden van industrieel-getinte salvo’s en het geheel een ritualistische draai kreeg. Nu en dan stak er ook een sjamanistische wending of een demonisch trekje de kop op, maar voor lange duur bleef het allemaal behapbaar door de gehanteerde dosering, die kon voorkomen dat het uitdraaide op een zotte grand guignol. Toch leek Bruckmayr het zeil steeds meer naar zich toe te trekken, wat de balans deed overhellen naar het theatrale, en in de compacte bis tenslotte voluit het terrein van de humor opzocht. Ondenkbaar met de gecontroleerde, donkere start in het achterhoofd.

Ook Möström zorgde voor een boeiende les in contrastwerking. Basklarinettiste Susanna Gartmayer, intussen ook al een vaste waarde, werd geflankeerd door Elise Mory (keyboards) en Tamara Wilhelm (DIY electronics). Misschien een wat eigenaardige combinatie, maar een hechte interactie en inventiviteit leidden opnieuw tot een intrigerend samengaan met een behoorlijk brede dynamiek. Het trio startte met laag gebrom en circulaire klarinetpatronen met een vaag Oosterse flair. Zachtjes golven zou het echter niet doen, want Mory introduceerde snel een percussieve agressie, terwijl Wilhelm soms iets had van een wereldvreemde uitvinder die eindelijk naar believen haar ding kon doen op een podium. Gartmayer refereerde aan paar keer aan het jazzidioom, maar net als noir-tinten en pure sound art-momenten waren het slechte korte haltes op een bochtig parcours.

Gartmayers knoppengeklik deed het even regenen en het was slechts een van de vele momenten waarop vooral het speelse element in de verf gezet werd. Dat en de gretigheid om buiten het traditionele kader te denken, want het passeerde allemaal: pruttelpingpong, bonkende techno-met-basklarinet, heftige noise. Een paar keer herinnerde het aan de ontsporende chaos van een Talibam!, maar dan meer door de geest dan door vergelijkbare sound. Op andere momenten klonk het dan weer minimaal of zelfs doordrongen van een verrassende melancholie. Het was duidelijk dat de drie goed voorbereid waren, maar elkaar ook de ruimte gunden om van deze combinatie een evenwaardige groepsperformance te maken. Een aantal veteranen in het publiek haakten voortijdig af, maar wij konden deze verfrissende vrijbuiterij enkel toejuichen.

De noise-explosie waar J77D13X442 mee opende, maakte meteen duidelijk dat ook zij niet naar die Sonnenseite Österreichs gekomen zijn om slappe pap te spelen. Het is trouwens ook een trio dat er mag zijn. Turntablist Dieb 13 groeide intussen uit tot een van de centrale artiesten van de Oostenrijkse avant-garde, en vond in Jerome Noetingen (Revox, radio, elektronica) en klarinettist Xavier Charles (o.a. Dans Les Arbres, en samenwerkingen met The Ex) twee partners met een al even eigenzinnige persoonlijkheid. Noetingers spel is geen digitale goochelarij op een scherm, maar een ouderwets fysieke ambacht, terwijl Charles door het gebruik van drie micro’s en een voorliefde voor ongebruikelijke technieken de taal van het trio aanzienlijk uitbreidt.

Het is muziek die in opperste concentratie geproduceerd wordt en die nog eens onderstreept dat goede muziek en mooie muziek vaak weinig met elkaar te maken. Of beter nog: muziek die je dwingt om schoonheid ook buiten het kader van behaaglijke melodieën en voorspelbare harmonieën te (h)erkennen. Dit is een spel van densiteit en spanning, volume en textuur, aanraking en afstand. Soms homogeen golvend, maar net zo vaak verstrikt in een schijnbaar systeemfalen, waar vervolgens verloren radiosignalen in opduiken. Een web van interacties dat je bij de lurven greep, meenam op een trip die sonisch avontuur én bolwassing in één was, en je achteraf weer in je stoeltje dumpte, een heel klein beetje van de kaart. Erg knap.

Akoestisch: jazz & co

Natuurlijk kan je in Nickelsdorf ook nog altijd terecht voor improvisatie van kleinere, akoestische ensembles, die duidelijker in de jazz verankerd is, vrij van digitaal en ander gefoefel en liefhebbers van de ‘klassieke’ Europese improvisatie op hun wenken bedienen. Er is voldoende volk actief om ook binnen die context nog het verschil te maken. Zoals Dave Rempis (alt- en tenorsax) en Tim Daisy (drums) bijvoorbeeld, twee kleppers uit Chicago die intussen al twintig jaar samenspelen en met Dodocahedron onlangs nog een duoalbum uitbrachten. De vorige editie werd ook nog geopend door een rietblazer en drummer (Joris Roelofs en Han Bennink), maar deze twee schakelden nog een versnelling hoger. Geen verrassing voor zijn die de jazz/improvisatie uit de Windy City een beetje volgen, want in een stad die gevuld is met een schijnbaar eindeloze stroom aan talent, zijn deze twee absolute zwaargewichten.

Meteen hangt er elektriciteit in de lucht, met Rempis die kiest voor lange uithalen, afgewisseld met die kenmerkende, razendsnelle spurtjes, terwijl Daisy net niet kiest voor een antwoord vol spierballengerol, maar lichtvoetig begint te dansen op de kit. De man is zich in de loop der jaren minder exclusief gaan richten op het ritmisch potentieel en is nu sterk in de weer met textuur, verstopte grooves en contrastwerking. En dat zorgt deze keer ook weer voor een bevlogenheid die er met schijnbaar gemak uit rolt. Rempis’ slierten blijven bewegen als kwikzilver en op altsax herinnert hij nog altijd aan knallers als Jackie McLean en Julius Hemphill, maar hij ontwikkelde intussen ook een taal en stijl die herkenbaar zijn als de zijne, met licks, schreeuwen en herhalingen die naadloos aan elkaar gepast worden. Een kwartier ver, en die start was al een succes.

Het duo trekt vervolgens de kaart van de variatie, met even vrij spel voor metaalresonanties die snel gaan klinken als een weldadig klokkenspel. Hier is Rempis ineens bedeesder, zachtjes golvend, terwijl Daisy brushes en rods laat spreken in een serenade die gaandeweg meer Afrikaanse invloeden toelaat, expressiever wordt, met een indrukwekkende opbouw waarbij de twee steeds driftiger buiten de lijnen kleuren. Het is een terrein dat recent ook nog opgezocht werd door o.a. James Brandon Lewis en Chad Taylor, maar deze twee gaan vrijer te werk. Dat is het duidelijkst in het slotstuk, waarin schrille klik- en plopeffecten in een timmeratelier belanden en grote intervallen overspand worden. Steeds sterker ga je denken aan een spel van punten en lijnen, start/stop-bewegingen als spastische krampen, elektrische stoten die je niet ziet aankomen. Indrukwekkend.

Al net zo goed een dag later: het Blue Reality Quartet. Het wordt duidelijk dat vaste klant en veteraan Joe McPhee een nadrukkelijk link met het verleden vormt. Vorig jaar was hij nog betrokken bij een eerbetoon aan Clifford Thornton, dit jaar aan Cecil Taylor. Deze combinatie met rietblazer Michael Marcus en drummers Tollef Østvang (Universal Indians) en Jay Rosen (Trio X) leek ook een poging om in de diepere wortels van de vrije jazz te duiken. Deze muziek had een uitgesproken roots-karakter, teerde soms op even simpele als dwingende ritmes, was doordrongen van een waarachtige spiritualiteit (niet het holle/hippe modewoord waar je dezer dagen mee om de oren geslagen wordt als je ook maar even je kop durft buiten steken), en was er vooral op uit om naar de essentie te gaan: beweging, dans, trance, interactie, groove, blues. De drummers vormden de centrale spil, kregen ook ruim de tijd om het concert op gang te brengen. Rosen fungeerde daarbij vaak als de gangmaker van dienst, de metronoom, de rollende factor, met Østvang die van weerwoord diende, varieerde op het basismateriaal, franjes toevoegde, in de weer was met metalen en houten hulpstukken.

Marcus herinnerde op tenorsax herhaaldelijk aan de toon van Coltrane (maar even later ook het romige van Webster), terwijl McPhee tekende voor onversneden emotie en intense blues. De man nadert intussen de tachtig, maar speelt nog altijd met een bevlogenheid en puurheid die onwaarschijnlijk is. En zo wordt het een concert dat opzwepend en elegisch is, met lichaam en geest in een vanzelfsprekend verbond, in én buiten de traditie. In de bruisende momenten voelde je de energie, tijdens de stiltes kon je een speld horen vallen. Een prachtige uitvoering van “Naima” én een expliciet eerbetoon aan “masters” als Max Roach, Art Blakey, Elvin Jones, Coltrane en Cecil Taylor. Maar je zou net zo goed kunnen denken aan figuren als Dolphy, Mingus, Rollins, Byard, Hemphill en meer. Een eerbetoon aan de traditie leidt soms tot een oefening in goedbedoelde, maar weinig onderhoudende nostalgie. Dat het ook anders kan, met een puur, tijdloos geluid, bewees het Blue Reality Quartet.

Aan het kwartet Up Umeå is een verhaal verbonden dat niet onvermeld kan blijven. In januari 1969 belandde Phil Minton, de vocalist die al decennialang een vaste waarde is op het festival, maar op dat ogenblik vooral actief was als trompettist, met een Zweeds jazztrio in de nationale tv-studio voor een vrij traditionele jazzopname. Die zat dertig jaar lang achter slot en grendel, tot het in 1999 het daglicht zag na inspanningen van ene Mats Gustafsson om het onder de aandacht te brengen. Recent kwam de band opnieuw bij elkaar voor wat concerten. Altsaxofonist Lars-Göran Ulander en drummer Sten Öberg zijn daarbij nog steeds van de partij, terwijl bassist Lars Gunnar Gunnarsson vervangen werd door Joe Williamson (drie keer op post deze editie). Het werd alleszins een opmerkelijke concert: bij momenten het meest traditionele van deze editie, maar regelmatig ook balancerend op de wip tussen verleden en radicaal experiment.

Met de trompet in de hand vormde Minton een opmerkelijk tweespan met Ulander. De twee kaatsten motiefjes heen en weer, vonden elkaar in weldadige harmonieën, en Mintons lichtjes sjofele klank paste prima bij het no nonsense-verhaal van de band. Öberg speelde als een drummer die opgroeide in het swingtijdperk: hard en rudimentair, om boven het lawaai van blazers uit te komen. Zijn stijl had vaak meer gemeen met pre-bopdrummers dan met dat van de vrije zielen. Ulander hanteerde een vloeiende stijl, rijk aan melodieën en met een sappige sound. Het effect was dan ook opmerkelijk wanneer Minton de trompet opzij legde voor zijn bekende vocale capriolen vol eigenaardige keelklanken, astmatische doodsreutels, kekke trienenpraat en wezenloos gemurmel. Dit was met mijlen voorsprong de meest toegankelijke context waarin we Minton al hoorden, maar het oversteeg zijn status van curiositeit met sprekend gemak.

Een ander concert dat fraai balanceerde tussen verschillende werelden, was dat van het kwartet BZSS, met trompettist Thomas Berghammer, gitarist Martin Zrost, bassist Oliver Steger, drummer Paul Skrepek en een jonge saxofonist die het blaaswerk overnam van Zrost. Wat erg lyrisch begon, werd gaandeweg aan de kook gebracht met een vurige freejazzstijl en vervolgens weer in omgekeerde beweging. Het kwintet pakte uit met een directe lyriek die je op een festival als dit eigenlijk vrij zelden te horen krijgt: puur, ongedwongen, recht naar het hart. Daarnaast waren er ook heel wat potige grooves met vette baslijnen en spinachtig gitaarspel, waarmee het geheel naar een kloeke grootstedelijke vibe lonkte.

Grootste troef was misschien wel de variatie, want de band liet zich meevoeren op de deining en ging steeds meer vrijheid opzoeken zonder de onderliggende houvast compleet op te offeren. Dat maakte het ideale muziek om met spanning te werken, wat leidde tot straffe secties die op- en afgebouwd werden. Geinig was ook het moment waarop gitarist Zrost in een stille fase het geluid van kwetterende vogels opmerkte en hen van weerwoord diende zonder de flow van het geheel in gevaar te brengen. Voor een spel van ‘kleine’ geluiden was trouwens ook plaats. En net als je begon te denken dat ze misschien iets te lang ter plaatse zouden trappelen, stuwen ze het samenspel ineens naar een nieuw platform, van waar wordt gewerkt aan een spiritueel getinte ontlading met een massieve kracht. Je zag een kwintet, je dacht een tentet te horen. En de laatste ontlading, na een walsend intermezzo van gitaar en drums, kwam aan als een kopstoot in een punkconcert.

John Butcher speelde zijn eerste concert in Nickelsdorf in 1992. Dat was met Frisque Concordance, een kwartet rond pianist Georg Graewe, met ook Martin Blume en Hans Schneider. Anno 2018 worden Graewe en Butcher vergezeld door bassist Wilbert De Joode en drummer Mark Sanders. Leg de geloofsbrieven van die vier veteranen van de vrije improvisatie bij elkaar en je beschikt over een band die, als je hem zou overzetten naar het rockmilieu, beschouwd zou worden als een super group en een natte droom voor liefhebbers. De stilistische uithoek waar de vier zich in ophouden werd nu opnieuw opgezocht, dus dat was geen verrassing. Hoe ze die keuzes invullen, verschilt natuurlijk wel van concert tot concert, en dus was ook deze performance weer een hoogstaande interactie van vier technisch virtuoze muzikanten die er in slaagden om de democratische principes in ere te houden.

Met zo’n Butcher in de band beschik je over een aandachtmagneet, maar het is natuurlijk een bezetting waarin elke deelnemer zich een deel van de taart kan toe-eigenen en elke bijdrage mee de koers bepaalt. Een enkele keer klonk het verrassend jazzy, maar doorgaans was dit een verkenning van dynamische mogelijkheden, met ingetogen passages die afgewisseld werden met duizelingwekkend complexe zijstappen en ongebruikelijke technieken, van Graewe’s hinkstapsprongen op het ivoor tot De Joode’s hardhandige percussie en natuurlijk Butchers fenomenale techniek en vermogen om tijd te vullen zonder ook maar een keer iets traditioneels te laten horen. Intussen doet dat niet meer zo sterk de wenkbrauwen fronsen als dat ooit deed, maar het blijven muzikanten van een bijzonder kaliber. Dat ze een bis uit de mouwen schudde die voor een keer wél een mooie toevoeging was (een prachtig brokje lyriek), was een fijne bonus.

Het is, toegegeven, wel een opgave om dat soort kerels aan het werk te zien na meer dan vijftien concerten die je concentratie- en waarnemingsvermogen op de proef stellen, dus het werd zeker uitkijken naar wat Falb in petto had als uitsmijter. Een trio snaarinstrumenten, daarbij denk je niet meteen aan lijfelijke spanning of goedmoedige ontlading. Nochtans was schrik voor een droge bedoening niet nodig, want Szilárd Mezei (viool, altviool), Tristan Honsinger (cello) en Joel Grip (bas) wisten vernuft en vrijheid te koppelen aan het eeuwige gouden wapen: humor. Kamermuziek, improvisatie, jazz, folk en de liederentraditie werden naadloos samengesmolten, met soms enorm vurige passages en collectieve snedigheid. Strijkstok en pizzicato, dramatisch en lichtvoetig, virtuoos en rudimentair, technisch gaaf en rauw, het werd allemaal gecombineerd.

Maar als het concert in de toekomst ter sprake komt, dan zal men het vooral hebben over de nonsenspoëzie van Honsinger, zo mooi in combinatie met de poker face ernst van Mezei. Of de absurde conversaties tussen Honsinger en Grip, puur theater waarbij Grip zijn kruk op- en afklom, de onzin van zijn collega pareerde met de brede grijns en een stukje toneel opvoerde dat schuddebuikend onthaald werd door een publiek dat al lang en vaak genoeg de adem ingehouden had. Hier werd zonder goedkoop of flauw te worden nog eens duidelijk gemaakt dat er wel degelijk in plaats is voor humor binnen de vrije muziek, inclusief wisselen van instrumenten en onzin over bagels en Gefillte Fisch.

The High Priest(ess)

Je komt soms opvallende combinaties tegen tijdens het festival. Doorgaans zijn het welgekomen afwisselingen, en heel soms zijn ze zo opmerkelijk, schieten ze zo radicaal van het ene uiterste naar het andere, dat het je naar adem doet happen. Dat deed zich voor in de Evangelische Kirche op zondagnamiddag. Met Radu Malfatti had de organisatie een van de seigneurs van de Oostenrijkse avant-garde in huis gehaald. Malfatti is een wat raadselachtige figuur die ooit nog sier maakte binnen de vrije improvisatie van de jaren zestig en zeventig, maar die scene eigenlijk de rug zou toekeren, om zich toe te leggen op componeren en improviseren in wat regelmatig de school van het ‘reductionisme’ genoemd wordt. Zijn solo op basharmonica was fysiek gezien vermoedelijk de minst arbeidsintensieve performance die in 39 edities te horen viel.

Hij zat er sereen bij, met gesloten ogen, en blies (middel)lange noten, die regelmatig van elkaar gescheiden waren door stiltes die konden oplopen tot een minuut en meer. Kortom: muziek die de opperste concentratie en stilte afdwingt, en dan was een probleem na drie festivaldagen en in een krakende kerk. Het was soms onduidelijk of de stiltes te maken hadden met het onophoudelijke geruis, gestommel en gezucht van de aanwezigen, of met de zorgvuldige plaatsing van de resonanties, maar het was, voorzichtig uitgedrukt, een redelijk eigenaardig moment. En een waanzinnig contrast ook met de soloperformance van Peter Evans. Toen we hem een jaar geleden leerden kennen was hij ‘het fenomeen Peter Evans’, de aanstormende virtuoos die een frisse wind liet waaien door de moderne jazz en improvisatie, een status dat intussen bezegeld is met een hele reeks projecten die ’s mans onwerkelijke instrumentbeheersing in de kijker zetten.

Een vuist in het gezicht, dat is misschien nog de beste vergelijking voor de start van zijn concert. Een keiharde, monsterlijk uitvergrote PLOF die iets had van een industriële waarschuwing, en de voorbode was van een onstuitbare vloed van ideeën en klanken, uitgevoerd met een onwaarschijnlijke beheersing en controle. Evans sputterde, bromde, scheurde, gierde, ruiste, floot, stotterde, boorde, piepte, golfde, zeurde, reutelde, gonsde, huilde, jammerde, blèrde, gilde, brulde, knetterde. Met en zonder mondstuk. Met staccato ritmes en circulair aangehouden, manische herhalingen. Het ene moment hoorde je die beatboxer uit de Police Academy-reeks, in de weer met complexe multiphonics, even later een onheilspellende fabriekssirene met een haast orkestrale grandeur. De paar momenten dat je een gave, ‘normale’ trompetklank hoorde herinnerden je eraan hoezeer de man zijn territorium verlegd heeft naar gebieden waar anderen zelfs geen weet van hebben.

Het is, kortom, iets bovenmenselijks. Evans speelt met thema’s op een manier die zo vanzelfsprekend aanvoelen als ademen voor gewone mensen. Dat is het natuurlijk niet – je ziet zo wat een fysieke inspanning het vergt – maar de inventiviteit is onstuitbaar. Het is waanzinnig, grensverleggend en onbevattelijk, maar dat kon ook niet voorkomen dat het na een tijd ook gewoon… vermoeiend wordt. Herhaaldelijke keren zou je willen dat hij even z’n tijd zou nemen om een simpel idee rustig uit te werken en zichzelf én het publiek even op adem liet komen, maar niets van dat alles. Evans spetterde en schetterde, met en zonder microfoon, op trompet en pockettrompet, als een onaantastbare God die een speekselregen liet neerdalen op zijn gewillige onderdanen. Maar dat is vermoeiend. Je wil een mens niet constant zien pieken, want dan mis je de menselijkheid, de openheid, ongedwongenheid en de naaktheid.

Een dag eerder maakte het Peter Evans Quartet ook indruk, maar op een heel andere manier. Natuurlijk schudde de leider talloze hoogstandjes uit de mouwen waar andere trompettisten enkel een beetje meewarig naar kunnen luisteren, maar hoe dominant hij ook kan zijn, het was wel een kwartet dat bereid was, en in staat, om hem te volgen tot aan de meet. Bassist Tom Blancarte was er meer dan een decennium geleden ook al bij, maar nieuw waren zangeres Sofia Jernberg en pianiste Kaja Draksler. Het was uitkijken naar hoe zij hun plaats zouden kunnen vinden. Het kwartet maakte gebruikt van behoorlijk wat gecomponeerde elementen en afspraken, en zette die vervolgens volledig naar z’n hand. Dat zorgde ervoor dat de vier in geen tijd al een tour de force lieten horen, een drukke wirwar van motieven en variaties, excentriek uitvergroot door het expressieve zangwerk van Jernberg.

Ook hier kreeg je topsport van Evans te zien, met snelle glissandi, percussieve staccato effecten en razendsnelle spurtjes die zijn oneindige vocabularium nog eens in de kijker zetten. Draksler opteerde aanvankelijk voor minder acrobatie, maar een even groot bereik, met een duik in de pianobuik, manipulaties waardoor de piano klonk als een klokkenspel en flexibel gebuitel op het ivoor. Jernberg kirde en kraste, Blancarte leek die bas in twee te willen zagen met een strijkstok. Het was muziek om in verloren te lopen, maar die toch telkens weer op de rails belandde of een ankerpunt aanreikte. Muziek ook, waarin Draksler na haar solomoment steeds meer assertiviteit toonde en zelfs met een combinatie van slechts enkele noten indruk maakte. Met een elegant toucher en bruut gebeuk, kies maar, groeide ze steeds meer uit tot de evenknie van Evans. Hij stond er zelf ook van te kijken. Het laatste kwartier was ronduit fenomenaal, herinnerde herhaaldelijk aan heel wat muziek van Anthony Braxton, die zich zo moeilijk laat labelen of ontleden, maar gewoon al imponeert door de feilloze executie ervan, ook al heb je soms het gevoel dat je hersenen elk moment kunnen kortsluiten.

Een van de mooiste kansen die je tijdens het festival kreeg, was het spel van Kaja Draksler in het vorige concert vergelijken met dat in haar trio met Ab Baars en Terrie Ex , twee kompanen uit de Amsterdamse scene. Dat de combinatie van Draksler en Ex werkt, konden we vaststellen toen ze onlangs een duoconcert speelden in Oostende. Op papier gaapt er een grote afstand tussen de geschoolde, klassieke achtergrond van de pianiste en het DIY-parcours van de gitarist. Die is technisch eerder beperkt, maar compenseert dat door een kwieke intuïtie en een zwak voor ongebruikelijke interventies die altijd garant staan voor kleur, vaak ook voor een relativerende humor. Het was echter Baars die de lyrisch en fragiel de toon zette. Hij beschikt over een excentriek vibrato, maar het is ook een van de meest emotionele kreten uit de geïmproviseerde muziek. Draksler reageerde met repetitieve elementen, melodieus en in een heel andere, meer ingetogen gedaante dan bij Evans. Hier hoorde je plots een onbevangenheid en gevoeligheid die haast romantisch klonk.

Het is ergens grappig om te spreken over melancholie en melodie als Terrie Ex meedoet, want die speelt geen noten en geen motiefjes, maar is in de weer met een drumstok, staalwol of staat het podium te stofzuigen met die versleten gitaar. Het is wél een attente gesprekspartner, die heel goed aanvoelt hoe hij een teneur kan kaderen, aandikken of, indien gewenst, overboord kieperen. Zijn gefriemel tijdens een paar van de verrassend ingetogen passages leek de breekbaarheid van die interactie nog in de verf te zetten. Dat maakte van hem een ideale joker. Baars gebruikte ook de klarinet, waarmee hij zelfs rustmomenten voorzag van een sluimerende intensiteit die stap voor stap gevolgd werd door Draksler. Zodra Baars de shakuhachi hanteerde kreeg het samenspel een elegante sereniteit, waarbij Drakslers zachtaardige toets al net zo efficiënt was als die van haar kompanen, ook al leek haar bijdrage minder excentriek. Kortom: Draksler maakte indruk tijdens haar debuut in Nickelsdorf en dit trio tekende voor een van de – durf ik het zeggen? - mooiste concerten van deze editie.

Een kloppend hart

Binnen de jazz en improvisatie is het niet anders dan in andere genres. De ene heeft het liefst dat grenzen genadeloos afgebroken worden, de ander houdt van een omfloerste aanpak. Sommigen zweren bij techniek en instrumentbeheersing, anderen bij instinct en zeggingskracht. De revolutie van de ene is het patserige geharrewar van de ander, en bedachtzaamheid kan ook meligheid worden volgens een ander paar oren. Het blijft subjectief en als niet-muzikant kan je sommige dingen niet van je afzetten. Zo heb je een zwak voor bepaalde muzikanten door eerdere ervaringen of vorige contacten, of blijven sommige andere artiesten ondoordringbaar. Maar heel soms gebeurt het ook dat je, terwijl een concert nog maar net bezig is, volledig in de ban geraakt van het samenspel, een teneur, een sfeer. Dat overkwam ons dit jaar op de slotdag bij het concert van Disquiet, het kwartet van Christof Kurzmann (lloopp, zang) met Sofia Jernberg (zang), Joe Williamson (bas) en Martin Brandlmayr (drums).

Het was een concert dat bedachtzaam van start ging en die teneur ook zou aanhouden, ondanks een handvol uitweidingen. Williamson maakte gebruik van de strijkstok, Brandlmayr was in de weer met z’n dunne sticks, en Jernberg ging zich deze keer niet te buiten aan excentrieke technieken om haar kompanen bij te benen zoals in het kwartet van Peter Evans, maar bleef ingetogen, vaak op fluisterniveau. Kurzmann zorgde intussen voor een lichtjes sudderende saus van ruis. Het riep aanvankelijk beelden op die met de zee te maken hebben. Muzikanten, dobberend op golven. Maar plots dook er een extra Belg op, hoorde je een speech van Guy Verhofstadt in het Europees Parlement over de “Not in my backyard”-visie van een aantal Europese leiders, waaronder die van Oostenrijk en Hongarije. De muziek kreeg meteen een andere lading en werd het eerste expliciet geëngageerde concert van deze editie.

Kurzmann zong ook, net zoals hij dat deed tijdens zijn El Infierno Musical-project van enkele jaren geleden. Er is geen groot zanger aan hem verloren gegaan, hij heeft soms iets van een prevelende, Europese Kurt Wagner, maar het getuigde van moed om die kwetsbaarheid niet te ontwijken. Vanaf dan werd ook duidelijk dat ook deze band enkele duidelijke afspraken had, zowel tekstueel als muzikaal, maar die stonden nergens in de weg. Brandlmayr bleef inventief in de weer, met drumkit en resem hulpstukken en zorgde met Williamson voor een voortdurend transformerende trance. De teksten werden door Kurzmann, Jernberg en Williamson na en over elkaar gepreveld, met veel herhalingen. Een oproep tot actie en meer menselijkheid, maar dan wel eentje die zelden z’n meditatieve kracht verloor. Het was een bijna ascetische sound die er in combinatie met de bekommernissen voor mens en planeet (“we have sucked the planet dry”) voor zorgde dat de boodschap klaar en duidelijk overkwam. Eentje die snel onder de huid kroop en niet meer wilde wijken. Het soort concert waarvoor je jaar na jaar de afstand wil afleggen.

Het was een van de absolute hoogtepunten van alweer een uitstekende editie van Konfrontationen. Het festival heeft de voorbije jaren niets van z’n charme ingeboet en staat nog steeds garant voor muzikaal avontuur in een onvergelijkbare omgeving. Dat de verjonging die zich langzaamaan op het podium heeft ingezet voorlopig niet weerspiegeld wordt bij het publiek is een beetje verontrustend, maar zeker niet enkel hier het geval. Konfrontationen programmeert nu eenmaal geen muziek waar de mainstreammedia oor naar heeft en door z’n ligging is het ook geen plek waar je snel even gaat citytrippen. Dat het festival wel beschikt over een uniek karakter en een groot, kloppend hart, dat hebben we wel weer mogen ondervinden. Het valt dan ook te hopen dat de veertigste editie van 2019 mag leiden tot een zoveelste bijzondere gebeurtenis.

E-mailadres Afdrukken