Banner

TW Classic 2018

Helden in het park

Matthieu Van Steenkiste - foto's: Timmy Haubrechts - 16 juli 2018

Je kunt niet eeuwig op babyboomers blijven bouwen en dus gooide TW Classic het voor editie 2018 over een andere boeg. De line-up appelleerde regelrecht aan de dertigers en veertigers, het resultaat was een festivaldag als alle andere. Alsof Rock Werchter gewoon een weekje pauze had genomen. U hoort ons niet klagen.

Had het Classic-opzet alvast begrepen: Richard Ashcroft, die voor de gelegenheid meer uit zijn The Verve-verleden put dan ooit. "Sonnet" is even een reminder dat die spichtige figuur, die er meer en meer uitziet als een figurant uit een Rolling Stones-documentaire, exact is wie u niet had mogen vergeten: de songschrijver van een van de beste platen van de jaren negentig. Om dat punt te bewijzen, wordt uit dat Urban Hymns zelfs een machtig "Space And Time" bovengehaald waarin Adam Phillips de weidse, psychedelische gitaarsound van oorspronkelijk Verve-gitarist Nick McCabe aardig eer aandoet. Ashcroft zingt ondertussen zoals hij altijd doet: onwerelds goed, en dat op de meest achteloze manier. Alsof hij weet dat enkel Liam Gallagher hem qua cool kan voorgaan, maar hij het toch beter wil doen.

"Hold On", van laatste plaat These People, draagt Ashcroft wat droogjes op aan de hardcore fans; niet helemaal ok met het concept dus, en dat is begrijpelijk. Wie twee decennia ver in zijn carrière nog zo'n nummer schrijft, verdient het niet om tot een soort golden oldies jukebox te worden herleid. Zo bewezen eerder ook "Song For Lovers" en een begeesterend "Break The Night With Colour", maar het is niet anders. "The Drugs Don't Work" is het moment waarop even de akoestische gitaar bovenkomt, maar het zal uiteindelijk -- natuurlijk –- "Bitter Sweet Symphony" zijn dat als een anthem over de wei spat. Wat een song en wat een performance! The Verve had hier in 1998 moeten headlinen, maar splitte luttele weken voordien, Ashcroft weet dat. In zijn hart moet het pijn doen; hij is immers nog altijd de ster die hij ooit was, maar de wereld moet er nog eens aan herinnerd worden. Bij deze dus: held!

Als dit het aperitief was, dan is de troostfinale van de Rode Duivels natuurlijk meteen de hoofdmaaltijd. "We hadden gehoopt om het voorprogramma van morgen te zijn, maar in plaats daarvan zijn we het dessertje", grapt Tom Barman. En toch is het een eerder wankel dEUS dat hier nieuwe gitarist Bruno De Groote komt voorstellen. Het geluid is lang een soep, de setlist een die te vroeg piekt om daarna te gaan zwalpen.

Hoe besta je het immers, om na een opwindend begin met "The Architect", "Theme From Turnpike" en "Instant Street" over te schakelen naar B-materiaal als "Quatre Mains", "Sun Ra" en "Bad Timing", en daar niet meer van terug te keren? De Groote staat er maar peentjes bij te zweten: last van de zenuwen of toch eerder de hitte? De nieuwe, opwindende draai die hij aan "Fell Off The Floor, Man" geeft doet eerder het laatste vermoeden. Een nieuwe creatieve injectie kan dit dEUS geen kwaad doen en iedereen die Barman kan overtuigen nog eens "Hotellounge (Be The Death Of Me)" van stal te halen, deugt. Zonde dus dat een strenge stage manager de groep dwingt een net begonnen "Suds & Soda" af te breken wegens over tijd; deze set miste zijn broodnodig orgelpunt. Ach, revanche volgt, ongetwijfeld.

Wraak heeft The National dan alweer lang genomen. Op iedereen die hen na drie albums had afgeschreven. Op zichzelf, die bij het schrijven van Boxer dachten dat het wel niets meer zou worden. En toen bleek net die plaat de doorbraak. Vorige herfst nam de groep een liveversie op van dat album in Vorst Nationaal, vandaag ligt de focus toch eerder op het recente Sleep Well Beast. En dus begint alles zoals gewoonlijk met de solipsistische piano van "Nobody Else Will Be There". Matt Berninger is dan al lang en breed even de lange catwalk gaan uittesten. "Too soon", grijnst hij. Net als wij voelt de zanger zich in deze avondzon een beetje loom, ietwat je m'en foutistisch en vooral lichtjes aangeschoten. En toch klinkt hij meteen goed bij stem, laat hij zijn mood –- op een zeldzaam ferme uithaal richting gitarist Aaron Dessner -– de boel niet verstoren. Als niemand anders slaagt hij er in zijn focus te houden.

Dat is een verdienste, want post-diner lijkt iedereen op de wei ietwat suf, maar net op dit moment lijkt The National zo goed te werken. Achter ons zakt de zon in de Hagelandse velden en terwijl de lucht lichtroze en oranje kleurt, croont Berninger zich door die verhalen vol sociaal ongemak, gebroken harten en zelfkennis. "I'm no holiday", beseft hij in "Guilty Party" en diezelfde Dessner komt met de gitaar van achter zijn piano om snel even de solo te spelen. Even later is er het bloedmooie riedeltje van "I Need My Girl" en moeiteloos als het klinkt, vraag je je af hoe het kan dat dit na vijftig jaar rock-'n-roll nog niet eerder werd bedacht.

Maar dit is dan ook The National: de band die sowieso het onmogelijke deed en rockmuziek maakt die voor één keer niet om jongeren draait, maar net die dertigers en veertigers op wie dit festival mikt in het hart treft. De verlatingsangst van "The Day I Die", gebracht van op het einde van die catwalk, liegt er op dat vlak niet om, de dansende piano van "Fake Empire" en zijn triomfantelijke trompetjes,… ze draaien maar om één ding: de zelftwijfel van wie beseft dat alles wat hij ooit dacht altijd op losse schroeven kan komen te staan. En dat hij dus niet zoveel nodig heeft om te flippen. Een foutgelopen verkiezing, we zeggen maar iets: in "Mr. November" -- ooit geschreven over George W. Bush, nog altijd relevant –- schiet Berninger het publiek in en een intense, krachtige versie van "Terrible Love" volgt wanneer hij opnieuw het podium bereikt. "It takes an ocean not to break", bezweert hij en voor de zoveelste avond op rij klotst de mensenzee voor hem als troostbaken. Er hoeft voorlopig nog niet gebroken te worden.

Met Kraftwerk heeft TW Classic een lukraak misplaatste legende staan. Want natuurlijk hoort het viertal uit Düsseldorf hier af te sluiten, al was het maar op basis van pedigree en om na Editors de dansspieren los te wrikken. Je kunt je nog vragen stellen -– zoals: Hebben ze echt nog vier man nodig om deze muziek live voort te brengen? En trouwens: Wat is hier nog live? -– maar dat is zoveel als het hele concept op losse schroeven zetten. En je zegt ook niet tegen Gert: "Heb je die hond nu echt nog nodig?" Ja, James heeft een functie. Geloof dat nu maar.

Is dit live? Zie onze opgehaalde schouders. Houdt dit ons 75 minuten geboeid? Zeker. Dat iedereen een 3D-brilletje op zijn snoet heeft, zorgt er sowieso voor dat dit ergens een individuele trip wordt. Een geschiedenisles ook, die laat horen waar techno, house, en elektronica hun wortels hebben. "Computer World", een nummer uit 1981, is alleen al in zijn tekst over datacaptatie visionair: KGB, FBI, Deutsche Bank,.. allemaal waren ze toen al op onze gegevens uit. Wie heeft WikiLeaks nodig als vier Duitsers het ons eigenlijk al hadden gezegd?

Die 3D, vraagt u? Dat is wel degelijk een gimmick, maar één die op zeldzame momenten werkt. De satelliet die tijdens "Space Lab" uit het scherm komt, de UFO nadien, ze doen je voor je uit grijpen. Het is een overbodig grapje, maar als één band hiermee mag experimenteren, dan wel deze. Alleen al de overweging hoe revolutionair iets als "Radio-Activity" moet geklonken hebben in 1975, zo tussen Neil Young, ABBA en The Eagles in, is genoeg om te beseffen dat hier helden staan. De pulserende techno van "Tour De France" laat het nog eens horen: dit is nog geen dag versleten. Vanaf nu willen we elk jaar Kraftwerk als afsluiter van Werchter. Want het moet niet altijd Chemical Brothers zijn.

Dit is echter TW Classic. De pauzemuziek meurt naar MNM of erger: Qmusic. Editors is mee met het grapje en jaagt net voor showtime loeihard ABBA's "(Gimme Gimme Gimme) A Man After Midnight" door de boxen. Het doek valt en Tom Smith -– zo'n 3D-brilletje op de neus -- zet rustig "Cold" in. Het duurt niet lang of die kalmte maakt plaats voor opwinding, energie en een explosie aan witte slingers.

Het is simpel: Editors weet heel goed wat hier gebeurt. Smith en de zijnen beseffen dat ze van Herman Schueremans een volledig festival cadeau hebben gekregen, dat fucking Kraftwerk in hun voorprogramma stond. En dat ze dus iets te bewijzen hebben. Een spervuur aan hits moet dat werk maar doen. "Blood" volgt "An End Has A Start" op, "Life Is A Fear" danst er polonaisegewijs achteraan. Het voelt belachelijk moeiteloos. Editors mag dan verguisd zijn om zijn pomp and circumstance, het is een groep die songs mee heeft die daar doorheen prikken.

Niet dat de effecten deze keer afwezig zijn. Natuurlijk is er vuurwerk, al tijdens een machtig exploderend "Hallelujah (So Low)" -- nog veel industrial gehoord op een TW Classic de voorbije jaren, anders? Tijdens "The Racing Rats" gaat het vuurgordijn neer als vanouds. En toch heb je het gevoel dat de heren begrepen hebben dat het voorts wel een tikje minder mag. De hitmachine doet het zo wel, zeker als Smith er nog wat kushandjes richting publiek bijgooit.

De dansende outro aan "Violence" is nieuw in het klankenpalet en pleit ervoor dat Editors blijft zoeken naar verbreding van zijn sound. Halverwege de show treedt de herkenbaarheid immers toch op. Na zeven zomers op rij waarin de band ons land aandeed, kunnen we bepaalde versies wel dromen. Ook de tekortkomingen van deze groep gaan niet weg: te veel vorm, te weinig inhoud. Hoe geladen "A Ton Of Love" akoestisch ook blijft, het blijft ook nergens over gaan. Je snakt naar een nummer dat ook iets zégt, maar daarvoor is het wachten op setsluiter "Magazine", een snoeiharde afrekening met het soort Brexitpolitici die de hoop van een generatie voor eigen carrièregewin op de brandstapel gooiden. Terwijl de sneeuwwitte confetti neerdwarrelt, zijgt Smith neer en Schueremans ongetwijfeld met hem. TW Classic heeft zijn verjongingsoperatie met glans doorstaan. Nu is het aan Editors om écht classic te worden en die plaat te schrijven die daarvoor nodig is.

E-mailadres Afdrukken
Tags: TW Classic