Banner

Southside Johnny and The Ashbury Jukes + Steve Earle & The Dukes

12 juli 2018, OLT Rivierenhof

Björn Weynants - foto's: Geert Vandepoele - 14 juli 2018

Terwijl het park van het Rivierenhof kreunt onder de aanhoudende droogte, zorgden de organisatoren van het openluchttheater ervoor dat het dankzij een straffe programmatie er grote namen blijft regenen deze zomer. Met de double bill van Southside Johnny and The Ashbury Jukes en Steve Earle zorgden ze voor een intrigerende combinatie.

Het is onvermijdelijk om in bespreking van een optreden van Southside Johnny and The Ashbury Jukes te refereren aan Bruce Springsteen. Net zoals The Boss kwam de band rond frontman John Lyon -- want zo heet Southside Johnny als hij op het gemeentehuis zijn reispas gaat afhalen – immers op het voorplan in het Jersey van de jaren ’70, was er in de loop der tijd heel wat heen en weer geloop van muzikanten tussen beide bands en is ook hun muziek nauw verwant. Niet dat de groep, ondanks het gebrek aan echte hits, niet op haar eigen naamsherkenning kan steunen, want het amfitheater van het Rivierenhof was al van bij de start van het optreden aangenaam volgelopen.

Met rockmuziek die -- met dank aan de driekoppige blazerssectie -- geïnjecteerd is met een flinke scheut soul zorgde de band voor een pretentieloze, maar lekker aangenaam wegswingende set. De ene keer waren het de blazers die “Love On The Wrong Side Of Town” naar een hoger niveau tilden, terwijl wat later de mondharmonica van de frontman op “Strange Strange Feeling” een heel andere sfeer opriep. “Can’t Stop Myself From Loving You” zat dan weer mooi tussen soul en gospel in. Al waren het misschien toch wel de Springsteen covers die uiteindelijk het meeste indruk maakten. “Talk To Me” met dat knappe orgelmelodietje was een meezingmoment, terwijl “The Fever” stevige rockte. Met “Hearts Of Stone” zorgde een bijna croonende Southside Johnny voor een kippenvelmoment. Een toepasselijk getiteld “I Don’t Wanna Go Home” sloot een iets te korte, maar sterke set passend af.

De ondertussen 63-jarige Steve Earle mag zonder meer de peetvader van de hele alt.country/americana muziekscene genoemd worden. Sinds hij midden de jaren ‘70 samen met zijn makkers Townes Van Zandt en Guy Clark zijn opwachting maakte in Nashville heeft hij een hele weg afgelegd. Naast een reeks klassieke platen is hij ook de auteur van twee boeken, acteerde hij in reeksen als Treme en The Wire -- waar zijn personage niet toevallig Waylon heet -- en spendeerde hij als gevolg van zijn verslavingen begin jaren ‘90 zelfs wat tijd in de gevangenis.

Steve Earle maakte haast in de hem te kort toegemeten tijd, want de intromuziek van Johnny Cashs versie van “Rusty Cage” was nog maar net afgelopen of hij begon al aan zijn eerste nummer. Vorig jaar bracht Earle met het prima So You Wannabe An Outlaw een hommage aan de outlaw country-muziek van de jaren ‘70. Het was uit dat album dat Earle de songs plukte om de set mee te openen. Klonk het titelnummer nog een beetje afwachtend, dan was het met “Looking For A Woman” en vooral een ziedend “The Firebreak Line” duidelijk dat Earle er wel degelijk goesting in had.

Na enkele nieuwe nummers dook Earle dieper in zijn oeuvre. Een traag en pakkend “My Old Friend The Blues” was ook deze keer weer een voltreffer waarbij de pedal steel van Ricky Ray Jackson de extra sfeermaker van dienst was. Waar de rockposes van gitarist Chris Masterson soms wat over the top waren, zorgde Eleanor Whitmore op viool wel voor vuurwerk -- het duet dat ze aanging met Earle op “I’m Still In Love With You” was daar een mooi bewijs van. Naast bevlogen versies van usual suspects als “Johnny Come Lately” of “Copperhead Road” kreeg het publiek ook prima uitvoeringen van misschien wat minder evidente keuzes zoals “Acquainted With The Wind”.

Maar het beste kwam Steve Earle misschien nog wel uit de hoek op de nummers met een boodschap. Er was het al eerder vernoemde “The Firebreak Line”, dat vertelt over brandweermannen die hun leven wagen om de huizen van rijke klootzakken -- zijn woorden, niet de onze -- te redden die daar eigenlijk niet hadden mogen bouwen, en een geestdriftige versie van zijn opnieuw actuele Bush-song “Little Emperor”. Of “Jerusalem”, dat voorgegaan werd door een pleidooi voor verdraagzaamheid, tweede kansen, waarheid en liefde. In de cover van “Hey Joe” waarmee Earle het concert afsloot, had hij nog een niet mis te verstane verwijzing naar zijn president verstopt. Dit was misschien geen onvergetelijk optreden, maar het toonde wel aan dat Earle zijn status als grand old man van de americana scene nog steeds verdient.

Nog een laatste bemerking: als iemand weet waarom de organisatoren het een goed idee vonden om nog een voorprogramma aan deze double bill toe te voegen -- ook al gaat het om de prima Britse band Curse Of Lono -- waardoor beide hoofdartiesten genoodzaakt waren een veel te korte set te moeten spelen, dan mag die ons dat altijd laten weten.

E-mailadres Afdrukken