Banner

DOUR 2018

De pin uit de handgranaat

Matthieu Van Steenkiste en Evert Peirens - foto's: Peter Duyts - 13 juli 2018

Dour wordt dertig, Dour ondergaat een make-over. Op een nieuw terrein, op een boogscheut van het oude, vervelt het tot een nieuw festival. Wat dat geeft? Dat zoeken uw verslaggevers één dag lang uit.

Waar zijn de terrils? Waar is la Plain du Machine à Feu? Hell, waar is die machine à feu zélf, eigenlijk? Zeggen dat we ons op het nieuwe Dour een beetje ontheemd voelen, is niet gelogen. Dit is een ander festival geworden. Eentje waar blaffende drugshonden en grommende veiligheidsmensen de dienst uitmaken. Waar je aan vijf verschillende checkpoints je bandje moet scannen, zodat de organisatie je zéker niet uit het oog verliest.

Natuurlijk draait het nog altijd om de muziek, al staat er jaar na jaar meer 'hiphop' als genre-omschrijving achter elke bandnaam en niets anders. Franstalige hiphop, welteverstaan. En toch staat er vandaag gelukkig toch ook wat anders op de affiche. Gitaren? Welja, die van Electric)noise(machine, bijvoorbeeld, een band voor wie de jaren negentig nooit geëindigd zijn. Misschien was het zo ook beter, toen gitaren nog vet en zwaar mochten zijn, de ritmes naar Rage Against The Machine geurden en R&B iets was voor Spice Girls.

Zes jaar geleden is het dat BRNS ons op dat oude -- toen van modder vergeven -- terrein omverblies. Vandaag schijnt de zon ongenadig, zo zonder bomen of andere natuurlijke beschutting (de schaduw van een terril, we zeggen maar iets) en is BRNS al lang niet meer opwindend. Ook vandaag meurt alles wat het vier- en soms zestal fabriceert vooral naar het pietepeuterige laagjesleggen van Alt-J, zijn de opzwepende ritmes van weleer ver te zoeken. Nergens krijg je het gevoel dat het gefröbel van de muzikanten de vorm van een song krijgt, het blijft bij oeverloos meanderen. Gelukkig is één ding gebleven: de onweerstaanbare drive van het ketelgerammel dat "Mexico" heet. Krijgen we dan toch een eerste lichtpuntje.

"Shame, shame, shame, shame, shame. The name of this band is Shame." Tiens, zou dat daar Shame zijn, misschien? Alsof ze een pin uit een handgranaat trokken en het onding met een sierlijke boog richting het publiek gooiden, zo klinkt het Britse vijftal. De riff van "Concrete" zet alles in de fik, frontman Charley Steen heeft tegen dan al lang en breed zijn eerste crowdsurftrip afgelegd. Dit is punk zoals God het bedoeld heeft; met herwonnen bezieling en genoeg energie om die windmolens boven ons hoofd te vervangen.

altWat een gitaristen overigens. Steen mag dan niet de beste zanger zijn –- dat was Mark E. Smith ook niet, en gaan we dié in vraag stellen? -- wat Eddie Green en Sean Coyle-Smith uit hun zes snaren persen, is van het opruiendste én meest melodieuze dat we hoorden sinds Nevermind. Ja, dat is 25 jaar geleden, mogen we zeggen dat Shame voelt als een teug verse lucht in deze van beats verstikte tijden? Ja, dat mogen we, dit is ons magazine. En dat Steen overigens interessante dingen te vertellen heeft. "Do you ever help the helpless? (…) Do you bully your conscience", vraagt hij je in "Friction"; een terechte vraag in tijden waarin gelatenheid en passiviteit soms te gemakkelijk de plaats innemen van engagement.

Sillyness mag ook. "The Lick" is een absurdistisch verhaal over een bezoek aan de gynaecoloog, de catchphrase van "Tasteless" is een massaal meegebruld "I like you better when you're not around"; speels maar net zo goed recalcitrant. Er zijn ook nieuwe nummers. Ze zijn nog niet af, maar ze doen vooral hopen dat het niet te lang duurt voor Shame met een tweede plaat komt. Omdat punk die niet in vijfde versnelling staat geen punk is. En dat we hopen dat het nog beter kan worden. Shame voelt als een wissel op de toekomst.

Meer gierende gitaren bij Preoccupations, al tappen de Canadezen wel uit een ander vaatje: dat van de niets ontziende postpunk die de menselijke geest als een schrale woestenij beschouwt. 't Is nog altijd drukkend warm buiten, maar binnen in La Caverne vormt zich al snel een dreigende onweerswolk. Die komt twee songs ver in de set al tot uitbarsten op "Continental Shelf", uit de periode dat de groep zich nog met de (ach wat) minder politiek correcte naam Viet Cong liet aanspreken. De riff, de beukende drums als zijn het donder en bliksem, de vocale uithalen van zanger-bassist Matt Flegel, het onbehaaglijke gevoel van diep conflict: het plaatje klopt en vraagt ontzag.

Verder krijgt het gortdroge New Material, dat eerder dit jaar een moeilijke derde bleek, hier natuurlijk een prominente rol. "Disarray", de meest toegankelijke song uit de plaat, doet het wel goed als het jongere broertje van "Continental Shelf". Hier vallen opnieuw die ontregelende drumpartijen op van Mike Wallace, die hier een uitstekende beurt maakt. Wallace is trouwens stukken spichtiger dan de kracht die hij uitoefent op zijn instrument zou doen uitschijnen. Van Preoccupations, de goeie tweede, mogen we het uitgesponnen "Memory" onthouden, met "your favorite feeling was the ground falling out from beneath your feet" als kenschetsende zinsnede. Zware kost was zelden lekkerder.

Wie zich even bekaaid voelt en met een vreemde smaak in de mond zit, kan zijn batterijen opladen bij het Australische Parcels, dat ondertussen een feestje bouwt in La Petite Maison Dans La Prairie tegenover La Caverne en daar flink wat meer volk mee trekt. Dat volk doet duidelijk niets liever dan zich een breuk dansen op de zomerse electropop met een hang naar disco en soul uit de seventies. Ja, het is vluchtige pret zonder inhoud, maar dansen doen we toch, dus mission accomplished, vermoeden we.

Wie dan weer met een lege maag zit, heeft de tijd om daar iets aan te veranderen, maar een paniekaanval bij (mvs) volgt: waar moet hij zijn broodje kefta gaan zoeken? Dour 2018 stelt oude gewoontes danig op de proef. Helaas. Zijn traditionele Dourmaal is voor het nochtans geoefende oog niet te vinden op dit nieuwe terrein. Vijftien minuten hysterie later settlet hij dan maar voor een "gewone" hamburger, die op vijf minuten verorberd wordt: er moet gewerkt worden.

altDe beloning is groot. Slowdive mag dan twintig jaar hebben stilgelegen, die vijf jaar reünie hebben ondertussen een goed gerodeerde band opgeleverd die feilloos zijn klassiekers brengt en een greep werk uit het vorig jaar verschenen Slowdive. "Slomo", bijvoorbeeld, een dot van een shoegazenummer dat doet wat het in zijn titel belooft: de werkzaamheden langzaam op gang brengen. Voorzichtig zwelt de gitaar al eens een beetje aan, maar de groep trapt het pedaal al snel steviger in. In "Catch The Breeze" staat zelfs Rachel Goswell dubbel over haar gitaar gebogen om de storm mee aan te wakkeren.

Het is even slaan, waar Slowdive verder voornamelijk zalft. Mogen we overigens van deze gelegenheid gebruik maken om La Petite Maison Dans La Prairie te prijzen? Deze nieuwe tent voelt geweldig ruim aan, zelfs al staat ie aardig vol, én hij klinkt geweldig. Dat horen we in "Star Roving", waarin Goswell zich aan een voorzichtig dansje waagt. Excuses overigens voor die focus op de sirene aller sirenes, maar: die vier anderen zijn in de beste shoegazetraditie zoutpilaren. Niet dat ze niet goed spelen, ze dragen gewoon geen rood opvallend jurkje en dat lijkt ons eigenlijk het beste zo.

Het mooist is Slowdive kort voor de finale, wanneer "Sugar For The Pill" drijft op een bloedmooie gitaarlijn en Neil Halstead zo zacht zingt dat het voelt als een troostende arm om je schouder. Dit is waarom Slowdive misschien wel de beste shoegazeband is: door niet alleen op geweld in te zetten, maar uit zijn gitaarwolken ook schoonheid te puren. Zo gaat het ook met afsluiter "Golden Hair", een cover van Syd Barrett die Goswell zachtjes inzet, waarna de band collectief walvisgezang oproept. Gitaren loeien, drums mokeren, een bas ploegt. Het is een grootse finale, aan wat hier kwansuis verloren wel eens het mooiste optreden van het weekend zou kunnen zijn.

Van een heel ander laken een pak is The Bronx. De hardcore-punkrockers hebben als Amerikanen natuurlijk redenen te over om ziedend te zijn en ze laten dat graag horen en zien. Ze gunnen subtiliteit dan ook geen schijn van kans: zanger Matt Caughthran botst wild tussen zijn manschappen en ja, het publiek door. "I wanna see some self-expression", spoort hij het publiek gretig aan terwijl hij persoonlijk kennis met ons komt maken. Zijn uitstap eindigt in een tentmast, van waar hij -– hoort erbij zoals ook het constante gemosh op de twintig vierkante meter voor het podium -– het publiek in duikt. Een lefgozer is het wel.

Terug naar La Petite Maison dan, waar opperpostrockers van Mogwai nogmaals de gitaren alle ruimte mogen geven zoals alleen zij dat kunnen. Dat begint met "Mogwai Fear Satan", 21 jaar oud ondertussen, en eenmaal die uitbarsting der uitbarstingen er komt, is het bijna van Dour fear Mogwai. Ging het hele publiek nu een halve stap achteruit of alleen wij? Wel wat vreemd dat de Glaswegians deze keer tijdens een handvol nummers hulp krijgen van een niet nader verklaarde dame op percussie. Niet dat het stoort, want zo zit er flink wat extra beuk in de set.

Niet dat ze die hulp uitdrukkelijk nodig hebben ook, trouwens. De mannen stampen elke kubieke millimeter van La Petite Maison vol met geluid in een gepaste luid-stildynamiek. Op de luidste momenten doet de bas onze organen tot verpulveren na vibreren, op de stillere schreeuwen we massaal voor die fix. Die rijgen we met het recentere "Remurdered" uit Rave Tapes, dat hier zijn plaats in het Mogwaifirmament verdient. Mooie liedjes duren soms wél lang.

Aan de overkant van de gortdroge vlakte ontbindt Atari Teenage Riot ondertussen zijn duivels. Nu ja, ontbinden? Duivels? De tijd dat de digital hardcore van dit gezelschap resoluut gevaarlijk klonk, ligt al even achter ons. Zijn wij taaier geworden of zij soft? Na een half optreden weten we het wel zeker: it's them, not us. Recenter werk als "Reset" heeft refreintjes die Linda van Milk Inc. had kunnen zingen en wordt zo fragmentsgewijs losgelaten dat we snakken naar een volledige song -– wat is dit, een heel gek trouwfeest of zo? We moeten het uiteindelijk stellen met een min of meer ok versie van "Speed", maar dat is het zowat. Atari Teenage Riot is zo passé dat zelfs de jaren negentig al eens doen alsof ze er niets mee te maken hebben. Buiten merken we wel op dat dit terrein bij nacht wél sfeer heeft gekregen, maar moet dat nu echt, bonnetjes per elf euro kopen zodat het twijfelen is tussen "dit was de laatste" en "meteen nog vier"?

Geen mens die er aan dacht, toen Soulwax twee jaar geleden zijn drie-drummers-show voorstelde in de Dance Hall van Pukkelpop, maar vandaag is dit een geoliede Main Stage-machine geworden. Als een Chemical Brothers met echte instrumenten –- en een hoop knoppen, dat spreekt -– serveren de Dewaeles een set die het beste van hun latere periode herwerkt.

Om te beginnen natuurlijk vooral songs van From Deewee, de plaat die in één zit van vijftig minuten werd ingeblikt en het sjabloon voor dit concept uittekende. Het blijft dan ook fascinerend hoe de band digitaal en analoog aan elkaar weet te rijmen tot het één stompende groove is. Daarbij draait het al lang niet meer om iets als nummers. Stephen en David zijn dj's van hun eigen werk, gooien alles in de mix tot het één lange trip is die hoogstens af en toe een steviger accent krijgt. Er is een moment waarop Victoria Smith zich in het zweet drumt alsof ze haar trommels een lesje wil leren, elders streelt ze met voorzichtige roffeltjes. De "whoowhoo" van Telex' "Moscow Diso" passeert in "Here Come The Men In Suits", een flard "E Talking" gaat over in "Miserable Girl", dat culmineert in een knallend "NY Excuse". De wei mag dan erg gevuld zijn, het is pure opwinding. Voor onze neus huppelt een meisje vrolijk op de beat richting haar vrienden; het mooiste dat we dit weekend zagen.

In het buitengaan zien we dan toch La Machine à Feu branden. Oef, er zijn nog zekerheden. We zijn thuis. Dour, c'est nog steeds l'amour, maar het is soms een taai, ambetant lief aan het worden.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Dour