Banner

GENT JAZZ 2018

Schoon vanbinnen en vanbuiten - Pagina 5

(kvp), (mvs), (qc), (jvs) en (mba) - foto's: Geert Vandepoele - 30 juni 2018

Zaterdag 7 juli

”To blow or not to blow?” Die vraag moet door het hoofd van Pharoah Sanders gespookt hebben. De legendarische saxofonist die ooit furore maakte in het kwintet van Coltrane, loopt er wat verstrooid bij.

Of eerder: sleept er wat verstrooid bij. Op blauwe sportslippers gaat Sanders een slakkengangetje, steeds van solo naar de stoel achterin om even te rusten. Aan elke beweging lijkt een uitputtingsslag vooraf te gaan. Maar blazen kan hij nog. De 77-jarige saxofonist -- goeroe van de free jazz en spirituele muziek – start het concert met vrije, breed ontrolde klanken. Oli Hayhurst laat de snaren van de bas brommen, Gene Calderazzo roffelt de cimbalen warm en pianist William Henderson zoekt Spaanse regionen op. Nicholas Payton is gast van dienst, een enorm veelzijdige trompettist met roots in New Orleans. Hij neemt de eerste solo en lost meteen lange en forse hoge noten. Sanders wacht zijn beurt af, om daarna in enkele tellen tijd de aardse grond vanonder onze voeten te trekken. De man laat zijn sax huilen, tieren, sputteren en spuwen. Na bijna zestig jaar aanwezig op de planken heeft hij het nog altijd: de kunst om een ander universum te creëren.

Tot dan blijkt Sanders complete ernst en focus. Maar wanneer Calderazzo een shuffle inzet, wordt de show over een andere boeg gegooid. “Klap maar lekker mee”, gebaart Sanders ons terwijl hij behoedzaam de benen los zwiert. Ambiance ten top en Sanders geniet zichtbaar van zijn entertainerstatus. Dansjes à la aerobics voor gepensioneerden of woorden murmelen in de beker van de sax: het is een leuk zicht. Maar ondertussen zwoegt de band om er ook muzikaal nog iets van te maken, want Sanders laat vanaf nu de sax niet echt meer zingen. Hij start een eerste scatronde met het publiek en stelt de muzikanten tweemaal voor en prijst 'the power of God'. Ondertussen probeert Nicholas Payton een einde te breien, maar komt daar noodgedwongen op terug, Sanders weet van geen stoppen. Gelukkig lukt dat bij het volgende nummer met een Caribisch karakter wel. Nee, dit was niet hoofdact waardig. Pharoah Sanders vatte scherp aan, maar verloor de focus voor de muziek gaandeweg.

"My name is Vijay Iyer and I play the piano." Voor iemand die kopt aan de New Yorkse jazzscene is dat een bescheiden introductie. Brengt hij voor ons mee: Graham Haynes (cornet, flugel, elektronica én de zoon van die iconische drummer), Mark Shim (tenorsax), Steve Lehman (altsax), Stephan Crump (bas), Jeremy Dutton (drums) en tig nummers van zijn nieuwe plaat "Far from Over". Het zestal schiet meteen met volle gas uit de startblokken. Onregelmatige ritmes doorkruisen de polyfone harmonieën en bouwen op naar epische hoogtes, met een drumsolo van de nieuwbakken drummer Jeremy Dutton als onovertrefbaar kookpunt. Maar het is Steve Lehman die de tent écht laat ontploffen. Hij zoekt de meest onverwachte plekken op en inspireert de ritmesectie tot ongekende hoogtes. Iyer kiest voor bombast en dissonante zijwegen. De blazers roeren in een spanningsveld en Dutton vult de gaten maniakaal op. Wanneer Haynes naar zijn bugel grijpt en Crump zijn snaren strijkt, kunnen we terug even rustig ademhalen. Iyer trok de kaart van bombast en dissonante zijwegen, en vulde de zaal met ingenieuze composities. Maar de drukte verdrong de subtiliteit soms. Edoch een meesterlijk concert, waarin we zowel flarden Monk als Miles Davis' elektronische periode herkenden.

De meest romantische muzikant was zonder twijfel Jason Moran. Met The Bandwagon koos hij voor een fragiel repertoire waarin, in tegenstelling tot alle andere bands, rust en subtiliteit het voortouw namen. Als een brabbelende koter roert bassist Tarus Mateen zijn snaren en Nasheet Waits (drums) schuurt kringetjes met de borstels. Het wordt een concert van odes. Een ode aan Monk, getiteld "Thelonious". Een ode aan Robert F. Kennedy ("RFK In The Land Of Apartheid") en een aan de pianiste Gerry Allen. Moran leidt de band naar een schijnbare chaos. "Blessing The Boats" is geschreven door zijn vrouw, Alicia Hall Moran, op een gedicht over slavenhandel. Moran, ondertussen even rechtgestaan want zijn pianostoeltje laat te wensen over, merkt op dat de meeste muzikanten die vanavond op het podium kruipen, afstammen van vluchtelingen. De zaal wordt er stil van. Een ideaal moment voor Tarus Mateen om de intro van het volgend nummer te spelen. En voor een keer wordt er niet gebabbeld tijdens de bassolo. Dat wil wat zeggen. Moran bewees een van de spannendere pianisten van vandaag te zijn. Hij bracht zijn equivalenten op drums en bas mee en verzorgde een uitstekende set.

Vandaag rolden de spierballen over zowel de Main als de Garden Stage. Vooral de opgehitste drummers vielen op. Vooral die van Ambrose Akinmusire (trompet), Justin Brown, liet geen zestiende rust onbenut om er minstens een dubbelslag in te murwen. Er was geen speld tussen te krijgen. Een andere drummer, Dan Weiss, sloot de festivaldag af met zijn Starebaby, Metal Jazz. Best wel nerdy, metal op een jazzdrumstel. En pupiters. En een zittend publiek. Maar toegegeven: het had wel iets. We spotten Craig Taborn aan de toetsen. Denk aan een mengelmoes van Twin Peaks, wiskunde, het Mario Bros--themalied en geleerdenmetal.



E-mailadres Afdrukken
Tags: Gent Jazz