Banner

Moers Festival

20 mei 2018, Moers (D)

Guy Peters & Geert Vandepoele - foto's: Geert Vandepoele - 21 mei 2018

Sinds mensenheugenis vindt rond Pinksteren het Moers Festival plaats, een meerdaagse happening die ooit ontstond als een jaarlijks platform voor de freejazz, maar die na een woelig parcours is uitgegroeid tot een ontdekkingsfestival voor hongerige oren. We pikten er slechts een dag van mee, en die was een schot in de roos.

Het duurt niet lang voor je de charme van het festival begrijpt. De hoofdlocatie, de ENNI Eventhalle, wordt omringd door een klein festivaldorp waar zowat de hele wereldkeuken vertegenwoordigd wordt en live muziek te horen valt, terwijl iets verderop in Moers zelf ook concerten meegepikt kunnen worden. Het is een gemoedelijk festival dat anno 2018 relatief weinig grote namen in de aanbieding heeft, maar toch een ruim en gevarieerd publiek aantrekt, misschien net door die rijke geschiedenis. Je weet dat je er geen voorgekauwde pap krijgt. Onbekende bands kunnen er niet enkel optreden voor een goedgevulde zaal, ze worden ook steevast enthousiast onthaald. En die focus mag nu dan minder liggen op (free) jazz, de uitdaging is er niet minder om, want de avontuurlijke muziek staat centraal. Niet enkel op de talrijke nevenpodia of ad hoc-improsessies die je kan meemaken, maar dus ook op het grote podium, dat naargelang de noden aan de kop of centraal in de zaal wordt opgesteld.

Het was daar dat we Ralph Alessi’s ‘This Against That’ te zien kregen, nog geen 24 uur nadat we de band een sterke set zagen spelen in Gent. Een band twee dagen na elkaar gaan kijken, dat is doorgaans iets voor hardcore fans, maar binnen de jazz is dat een ander verhaal. Zeker als je goed volk in huis hebt, zoals Alessi. We kregen immers een gebalde set voor de kiezen (40 minuten korter dan die van een dag eerder) die absoluut geen kopie was van de voorgaande. Nieuwe composities werden geïntroduceerd, de verhouding werden nog eens door elkaar geschud, en opnieuw met klinkend resultaat.

Met “Fun Room” werd meteen gekozen voor een redelijk turbulente start, waarbij trompet en sax springerig rond elkaar stuiteren en de interactie wat meer schuurde. “Pittance” vertelde vervolgens een lijziger verhaal met een vage noir-tint en de leider die het laken naar zich toetrokmet een bonte solo die stijf stond van de ideeën, met stevig uitgewerkte melodieuze cellen, statige uithalen en speelse loopjes. Het was voorzien van een statigheid die helemaal op maat is van ECM, waar het nieuwe album zal verschijnen. Maar het moest niet altijd ernstig en/of etherisch, want “Howling” was broeierige exotica waarin een opvallende rol weggelegd was voor Ravi Coltrane op sopranino-sax. Heel even keek het Midden-Oosten om de hoek.

De vierde compositie vormde meteen ook het slotstuk en was het meest ‘klassiek’. Het kwintet schoot uit de startblokken in hechte hardbop-modus om vervolgens vrij extreme contrasten uit te werken, met een ritmesectie die de boel smeulend hield met voortdurend oogcontact, pianist Andy Milne die iedereen even in slaap dreigde te wiegen met een sussende solo, maar vervolgens een eerste van een reeks hoekige wendingen uit de mouw schudde. De finale was er eentje om duimen en vingers bij af te likken: vurig, met een smeltkroes van lijnen en noten die in een kleurrijke weelde rond elkaar wentelden. Opnieuw een straf concert.

Over naar de Dorfplatz, een openluchtpodium op het festivalterrein voor het kwartet Keir Neuringer, Luke Stewart, Aquilus Navarro en Tcheser Holmes. Of eigenlijk Irreversible Entanglements zonder Moor Mother. Met haar dwingende persoonlijkheid staat in het kwintet Moor Mother min of meer centraal, hier kregen de muzikanten zelf alle ruimte. Met een strakke set van zo'n drie kwartier, vrije muziek stevig geworteld in de traditie, bewezen ze dat de 'free'-beweging ook na het wegvallen van de pioniers nog lang niet uitgespeeld is. Bevlogen, potige jazz met soul en weerhaken. "Thank you for the good notes", ondertekend Ron Carter, staat in viltstift op de achterzijde van Stewarts bas. Inderdaad.

Iets later wordt de zaal helemaal ingepakt door Sebastian Gramss’ States Of Play, een internationaal gezelschap dat nog eens het ontdekkingskarakter van het festival in de verf zet. Van het nonet is enkel klarinettist Rudi Mahall een artiest die in onze contreien (relatief) bekend is, maar wat een performance krijgen we hier voor de kiezen. Het ensemble wordt gestuwd door een dubbele ritmesectie, wat het meteen het potentieel van een kleine kerncentrale geeft, maar is ook veel meer dan dat. Gramss’ composities maken herhaaldelijk gebruik van een primitieve stootkracht, maar die gaat dan wel steeds gepaard met een compositorisch vernuft, een soms duizelingwekkende stilistische afwisseling en het vermogen om de meest uiteenlopende temperamenten en stijlinvloeden naadloos aan elkaar te breien.

De band komt maar een paar keer tot rust, maar elke keer leidt die tot verrassend extatische reacties bij het publiek. Dat wordt dan ook getrakteerd op een ingenieuze stijlencollage die nu eens filmisch en theatraal klinkt, en dan weer snel moet wijken voor buitelend gebolder van deelfracties, uitweidingen richting elektroakoestische improvisatie en fanfaregekte à la X-Legged Sally (kent u hen nog?). Exotica, freejazz en passages vol swing, rechtstreeks uit het Harlem van de vroege jaren dertig, worden aan elkaar gehaakt, ontsporen vervolgens met een brede glimlach, belanden bij een gesjeesde grootstadsfunk die nét niet explodeert. Het was strak gedirigeerde en indrukwekkend uitgevoerde weelde, en bovendien een lesje in buiten de lijnen kleuren dat duidelijk ook een groot publiek kan overmeesteren. Vooravond, en de dag kon al niet meer stuk.

Iets verderop werd de weelderige, met massieve kroonluchters versierde concertzaal van de Musikschule het podium van een drieste vertoning. Het onvoorspelbare duo Talibam! - drummer Kevin Shea en synthbeul Matt Mottell - had wat extra volk uitgenodigd en zou, als we het goed begrepen hebben, iets brengen dat geïnspireerd was op E.T.. Dat zou onzin kunnen zijn, want samen met Luke Stewart (bas), Shea’s Mostly Other People Do The Killing-collega Ron Stabinsky (orgel, piano) en de Hongaarse Dodó Kis op EWI werd gebouwd aan een muzikaal lunapark, een doorgeslagen systeemfalen dat je, afgaande op de reacties, ofwel de gordijnen injoeg ofwel een onnozele grijns op je gezicht bezorgde.

Zoemende golven, volièregekwetter, vuil grommende bassen, pulserende blieps en dan nog eens dat hyperactieve, nerveuze gekletter van Shea erbij. Hier en daar sleepte Mottell een paar sinistere sci-fi-riedels binnen, maar voor de rest was dit een kolkende, a-melodieuze brij waar soms per ongeluk een groove of riff in opdook, maar die vooral aanvoelde als een XL-bolwassing. Werkte die de hele tijd? Nee, zeker niet, maar het was bij momenten onmogelijk weerstaan aan die glorieuze wanorde, met Mottell die zich bijna de kop van het lijf headbangde, Stabinsky die heel even de Jimmy Smith from hell bleek, en de groep die voortdurend dreigde de kroonluchters naar beneden te laten storten. Het zou toepasselijk geweest zijn.

Geen concert dat de open oren van het Moerspubliek zo mooi illustreerde als dat van Horse Lords, een band die weinig uitstaans heeft met jazz, laat staan met improvisatie, maar wel met getoonzette espresso-shots. Het kwartet speelde met gitaar, bas, drums en sax (die hier en daar ingeruild werd voor extra percussie) een hypnotiserende bezweringsmuziek die evenveel had met de grote minimalistische componisten als met postpunk, en die ergens in het niemandsland tussen Little Women, Glenn Branca en Nisennenmondai zit. Eindeloos repetitief, voortdurend onder hoogspanning en soms inhakkend op de heupen.

Leek saxofonist Andrew Bernstein aanvankelijk de spilfiguur van de band, dan werd snel duidelijk dat het hier ging om een dodelijk efficiënte formatie die vanuit het midden van de zaal begon aan een overrompeling die snel reikte tot de achterste rijen. Met hoekige tegenritmes, opzwepende krautgrooves en kringelende, soms Afrikaans getinte gitaarlijnen creëerden de vier trance die tegelijkertijd compleet neurotisch, obsessief en opzwepend klonk, met eigenlijk toch een hoofdrol voor gitarist Owen Gardner, die exotische folkinvloeden in z’n spel liet horen, in een uitgedund solomoment even herinnerde aan Bill Orcutt op een Appalachenzijspoor. Of alsof je een passage hoorde van een hertimmerd Shellac met Richard Thompson op gitaar, maar dan in een eindeloze loop. Blijven, blijven gaan, en nog altijd veel te kort. Een revelatie.

Het is ook een traditie in Moers om artiesten uit verschillende werelden samen te brengen. Vorig jaar kreeg je er in première Cocaine Piss & Mette Rasmussen te horen. Deze keer sprak de nieuwe combinatie nog meer tot de verbeelding. De organisatie had immers Oxbow gestrikt, en bracht die samen met improvisatie-icoon Peter Brötzmann. Dat de Teutoonse krachtblazer toegevoegd wordt aan een band die in staat is tot kolossale gitaarherrie, is niet nieuw. Hij speelde in het verleden een resem gedocumenteerde concerten met het Japanse Fushitsusha, en nam niet zo lang geleden nog een onstuitbaar rollend beest op met het Portugese Black Bombaim. Oxbow is echter een ander soort beest. Ontembaar, tegendraads en na drie decennia activiteit vooral te hecht om zich te laten overmeesteren, ook al gaat het dan om een van de meest intimiderende tenorsaxkreten van de moderne muziek.

Misschien ook niet zo’n vreemde combinatie. Oxbow heeft sinds zijn begindagen al een jazz-achtige sensibiliteit en hun performances zijn al jarenlang strak uitgevoerde psychodrama’s waarin regelmatig ruimte gemaakt wordt voor geïmproviseerde transgressie. Nu was het eigenlijk amper te geloven dat de band die daar zo gebald en schuimbekkend van de ketting sprong dezer dagen zo weinig op het podium staat. Onder leiding van voorman Eugene Robinson werd die bekende stoofpot geserveerd van de avant-blues uit de beginperiode (“Angel”) tot de de iets meer gestroomlijnde versie van Thin Black Duke (“A Gentlemen’s Gentleman”, “Host”). Robinson, gekleed in rood pak, was z’n intimiderende zelf, met katachtige schijnbewegingen, spastisch-gewelddadige krampen, rondhossend met delirische wartaal.

Dat er duidelijk meer aan de hand was dan een regulier Oxbow-concert waarop iemand wat komt meetoeteren, was snel duidelijk. Het viel eraan te horen dat er gerepeteerd was, want de bijdrages van Brötzmann waren niet enkel zo fel als verwacht, maar doorgaans ook perfect getimed en naadloos geïntegreerd in het samenspel. Van meet af aan zorgde het voor een extra korrel en emotie in de eigenzinnige songs van de band, die zo enkel nog aan intensiteit leken te winnen (ja, nog meer). Zette een concert met een koor tijdens het vorige Supersonic Festival in Birmingham vooral het majestueuze aspect van hun muziek in de verf, dan zat de focus hier sterker op de primitieve lading. Het was donker, hard, sensueel, soulvol en bezeten. Van de verbetenheid die vanaf de eerste minuut de gezichten van de muzikanten tekende, tot de fenomenale sound, de terecht afgedwongen bis, tot staande ovatie die erop volgde: alles wees erop dat zich iets memorabel afgespeeld had. Eentje om niet te vergeten.

Maar het is natuurlijk nooit helemaal genoeg, dus trokken we snel nog naar Die Röhre, een café met concertkelder waar naar verluidt ooit nog de groten van de improvisatie kwamen spelen zodra het reguliere festivalprogramma afgewerkt was, en waar nu Spinifex het kot overhoop knalde. Het sextet onder leiding van altsaxofonist Tobias Klein is intussen uitgegroeid tot een bevlogen formatie die (free) jazz en virtuoze rock-‘n-roll verenigt met invloeden uit het Oosten. Het is een band van extreme contrasten, die zich het ene moment vrij beweegt, maar even abrupt en genadeloos toeslaat met ultrastrak samenspel vol staccato stoten, acrobatische wendingen, unisono lijnen en valse stops die je op het verkeerde been blijven zetten.

Het is ook een band waarin werkelijk elk lid van tel is. Drummer Philipp Moser en bassist Gonçalo Almeida spelen met de souplesse van jazz cats, maar de energie van de jazzcore. Klein vormt een machtig duo met tenorsaxofonist John Dikeman. Jasper Stadhouders voorziet zowel ontregelde waanzin als hyperactieve slaggitaar, en trompettist Bart Maris voelde zich al net zozeer in z’n sas met excentrieke accenten en complexe melodielijnen. En als de combinatie van tribale stomp, explosieve salvo’s en hysterische solo’s soms willekeur suggereert, dan kan dat net omdat er hier zo’n discipline aan het werk is. Spinifexcomposities zijn vernuftige constructies die gekneed worden als klei, alleen is dat in hun geval C-4. Je hebt er bovendien het raden naar waarom deze onstuitbare bulldozer voorlopig nog geen breder publiek bereikt. Dat kan slechts een kwestie van tijd zijn. Alleszins een spetterend slot voor de meest indrukwekkende festivaldag die we in lange tijd beleefden.

E-mailadres Afdrukken