Banner

Ham Sessions

19 + 21 mei 2018, Ham Gent

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 20 mei 2018

Sinds 2006 kan de Gentse jazzliefhebber terecht in de stadstuin van Michel Mast -- een groene oase van klimop en klimrozen -- voor concerten in de namiddag en vroege avond. Intussen is het DIY-festivalletje uitgegroeid tot een driedaagse waar de nadruk nog steeds ligt op lokaal talent, maar waar ook buitenlandse kleppers passeren. Het leidde op de eerste dag meteen al tot een succescombinatie.

Het lijkt een ideale formule, met een gemotiveerd team van vrijwilligers dat de bezoekers in de watten legt met allerlei lekkers aan schappelijke prijzen, terwijl de setting -- ondanks een stevige toeloop -- nog altijd iets heeft van een lichtjes uit de hand gelopen tuinfeestje. Oude bekenden treffen elkaar, halen herinneren op aan vorige edities en doen intussen nieuwe ontdekkingen.

19 mei 2018

Zoals Donder, het trio dat zichzelf in 2016 met Still op de kaart zette. De titel klopte, de bandnaam werd meteen een ironisch statement, want de combinatie van piano (Harrison Steingueldoir), bas (Stan Callewaert) en Casper Van De Velde (drums) leek er vooral op uit om te bezweren op laag volume. Het pas verschenen Donder laat echter een gewaagder geluid horen en die lijn werd live ook verder getrokken. Samen met vierde man Lars Greve werd een parcours afgelegd dat nog altijd dat uitgebeende en ritualistische had, maar dan wel in grovere texturen en springerige contrasten.

Het begon met slurpgeluiden van Greves klarinet, iele wrijfklanken van de bas en spaarzaam uitgestrooide accenten op de drums. Net als op het nieuwe album werd er gespeeld met gecomponeerde passages, maar die vormden eerder aansluitingspunten en bepaalden niet zozeer de volledige structuur. Motiefjes werden even uitgediept en heen-en-weer-geketst, om vervolgens vrij te verkennen met repetitieve accenten en ruisende klankgolven. Vanuit schijnbaar vrij schilderwerk doken regelmatig gebalde momenten op, zoals Greve die op basklarinet een percussieve puls creëerde die overgenomen werd door Van De Velde, terwijl Callewaert even loos ging met heftig gerammel en geruk aan de bassnaren.

Roterende bewegingen en dwarrelende pianonoten: soms leek het alsof er twee songs op elkaar gelegd werden of werd de sound nog eens aangevuld door op twee klarinetten tegelijk te spelen. Een ingetogen pianosolo vormde de aanloop naar een drieste uitspatting met Greve die plots rechtstond en het op een gieren en scheuren zette. Hij was grotendeels verantwoordelijk voor het schokeffect, maar ook zonder hem voelde je bij Donder de nood om los te breken van een format (dat ze nog maar net aan het verkennen waren) en voluit te gaan voor een eigen parcours. Niet evident, maar deze trip van een uur, aangevuld met het lieflijke “Someone To Make Breakfast For”, voelde aan als de start van een boeiend nieuw hoofdstuk.

De Amerikaanse trompettist Jon Birdsong is een bekend gezicht op de Ham Sessions en speelde deze keer een duoconcert met pianist Anthony Romaniuk. Hij gaf meteen mee dat het eigenlijk het foute moment was voor hun muziek, want de twee gingen nocturnes spelen. Het werd ook een opvallend concert, om meerdere redenen. Een belangrijke daarvan was dat Birdsong zich niet beperkte tot een reguliere trompet of bugel, maar ook gebruik maakte van een paar cornetto's, voorlopers van de trompet die populair waren tijdens de Renaissance, van hout werden gemaakt en regelmatig een kromme vorm hadden. De sound klonk ook zachter, minder metalig dan bij een reguliere/moderne trompet.

De man speelde vooral trage, lyrische melodieën en niet zozeer gymnastische hoogstandjes. Echte muziek van de nacht dus, zeker in combinatie met Romaniuk. Bij hem hoorde je meteen zijn klassieke scholing door zijn opvallend zacht toucher, die ervoor zorgde dat de stukken licht en vaak ook speels bleven. Hier en daar nadrukkelijk lonkend naar het oeuvre van Chopin, regelmatig ook met compacte ideeën die eerder verwezen naar Satie. Het klonk vaak uitgesproken romantisch, maar zonder te verzanden in meligheid. Zachtaardige lyriek en folk-achtige melodieën kwamen samen in innige composities die de ene keer zorgden voor duidelijke structuren, maar net zo vaak ingeruild werden voor innemende, dromerige zijstappen. Het was net die combinatie van lyriek en souplesse die ervoor zorgde dat het samenspel ook in de late namiddag moeiteloos overeind bleef.

Als hoofdact van dag 1 had de organisatie een topper in huis gehaald: Ralph Alessi's "This Against That". Trompettist Alessi is een van die muzikanten die zich voortdurend lijkt te bewegen op het slappe koord tussen traditie en experiment, maar in deze contreien misschien vooral bekend is van zijn band met Kempenzoon Robin Verheyen. Het is een muzikant die graag speelt met goed uitgewerkte composities, maar ook beschikt over een vrije geest en de teugels laat vieren. Daarvoor had hij een uitstekende band meegebracht met daarin oude bekende Drew Gress (bas), Andy Milne (piano), Mark Ferber (drums) en als sluitstuk Ravi Coltrane (tenorsax). Ook zij pakten probleemloos de tuin in.

De muzikanten namen hun tijd voor de composities die volgende week opgenomen worden voor een album dat bij ECM zal verschijnen. Amper zeven stuks werden gerekt tot een duur van honderd minuten. Stuk voor stuk composities met een kop (regelmatig een solostart) en een staart (een bruisend groepsgebeuren), met daartussen steevast een rijtje solo's, maar regelmatig ook weldadig samenspel. Alessi imponeerde al in opener “Improper Authorities” met een solo die uitblonk in ongeforceerde variatie. De man beschikt over melodisch vernuft, zoekt regelmatig de rafelige randjes op en is vooral goed in het in evenwicht houden van traditie en vrijheid. Coltrane ging eerder aarzelend van start, haast schuchter zoekend, blies de handen warm.

En ja, hij lijkt op z’n vader, maar herinnerde er ook muzikaal aan zodra hij de sprong naar het hoge register maakte. De toon is iets zachter, het verhaal minder tumultueus, maar de legato passages riepen echo's op van de legende. Het startstuk werd meteen gevolgd door een hoogtepunt waarin dansend gestart werd en vooral Milne tekende voor een prachtige bijdrage die bop en Monk aan Andrew Hill leek te koppelen. Hier vooral een drukke finale, waarbij de lagen moeiteloos en gezwind over elkaar gelegd werden. Zoals dat doorgaans/idealiter gaat, leek het samenspel steeds aan hechtheid te winnen en ging Coltrane ook iets assertiever klinken. Een ander hoogtepunt was “Low”, dat van start ging als een slepende trage en aanvankelijk ook wat té veel dobberde, maar vanaf Coltranes solo een groter gewicht kreeg, een grandeur die leidde naar een web van tegen elkaar uitgespeelde elementen.

Slotstuk “Vinyl” viel vooral op omdat het niet Alessi en Coltrane waren die in de kijker stonden, maar opeenvolgend Ferber, Milne en Gress, die stuk voor stuk tekenden voor geïnspireerde solo's met een quasinonchalante virtuositeit, maar vooral benadrukten dat je hier een (h)echte band aan het werk zag. Lyrisch, gedreven, geworteld in de jazz en met een forse dosis vrijheid. Jazz op maat van een breed publiek, maar voorzien van karakter en wat uitdaging. Echt iets voor dit festival dus.

21 mei 2018

We keren terug voor de slotdag, die nog maar eens onderstreept dat de Ham Sessions geen doorsnee festivalletje is, maar een vrijhaven voor creatieve uitingen van allerlei aard. Met The Milk Factory stond een jonge Gentse band op het podium die een resem talenten bij elkaar die in de meest uiteenlopende uithoeken actief zijn; van brute noise en vrije improvisatie tot noir-achtige jazzrock en kamerjazz-met-folktint. De zes leden van deze band houden er zo veel bands op na dat je rond hen al een driedaagse zou kunnen opbouwen. Het sextet, dat meteen ook zijn debuut-EP voorstelde, liet er geen twijfel over bestaan wat hier het dominante temperament was: ingetogenheid en dromerigheid.

Met Edmund Lauret (Nordmann) als leider en voornaamste componist werd vooral uitgehangen in de mijmerhoek van de jazz, met composities die voluit de kaart van de schoonheid trokken. “Vlek” begon met twee noten van bassist Kobe Boon en vouwde laagje per laagje open, met zacht aangeblazen fluit (Jan Daelman) en tenorsax (Viktor Perdieus), aanzwellende gitaarschaduw (Lauret), sober pianogedwarrel (Thijs Troch) en met de hand bespeelde vellen (Benjamin Elegheert). Het was de aanzet van een floue teneur die tien songs lang aangehouden werd, met hier en daar enkele voorzichtige zijstappen.

”Kater” was een hoogtepunt. Of beter: eentje waarbij je de schouders net wat meer liet hangen, maar die wel ronduit mooi was in z’n tristesse. De monochrome processie zette zich vervolgens verder met “See No More” en nog een reeks andere songs, waarvan sommige nog niet opgenomen zijn. Statig schrijdende songs zonder al te veel haast, bedachtzaam en ingehouden. Maak ze trager, en de boelt valt stil. Het was dus een delicate evenwichtsoefening die net kon voorkomen dat het allemaal té gesuikerd en eenvormig werd, en die met een paar afwijkingen, zoals een prachtig “Dof” (met een sleutelrol voor Perdieus), even een beetje verwondering binnensmokkelde.

Vervolgens iets totaal anders met Ictus. Deze keer geen jazz- of popband, maar een ensemble voor hedendaagse muziek dat een programmablaadje meegebracht had en een concert bracht in vijf delen met wisselende bezettingen. In de eerste combinatie van Theresa Dlouhy (zang) en Jean-Luc Plouvier (sinds de jaren tachtig ook actief aan de zijde van Peter Vermeersch) werd een ‘klassieke’ liedcyclus gecombineerd met elektronica/loops en de sérieux van het gebeuren tussen haakjes geplaatst door o.m. een soort van vocale loops, waarbij het effect van een terugstuiterende vinylplaat gecreëerd werd. De humor kwam nog nadrukkelijker op de voorgrond bij het duo Plouvier en Tom Pauwels, dat een parodie op het duoformat bracht door de Pauwels’ stem door Autotune te halen, met digitale gruwel als resultaat.

Vervolgens werd even opnieuw teruggekeerd naar iets vertrouwder terrein, met liederen van Mendelssohn voor stem en piano, terwijl Pauwels een uiterst minimale soloperformance op elektrische gitaar bracht, en het trio samen afsloot met een bloemlezing uit Michael Pisaro’s Tombstones. Geen evidente keuze voor een jazzfestival (ook voor ons was dit dus even navigeren zonder kompas), laat staan een achtertuin in de late namiddag, maar het ging er verrassend goed in bij het publiek.

Het contrast met het trio Manuel Hermia, Valentin Ceccaldi en Sylvain Darrifourcq kon amper groter zijn, al kon je ook daar bezwaarlijk spreken van een conventioneel geluid. In 2015 brachten de drie God At The Casino uit, opnames van twee jaar eerder, waarop jazz, kamermuziek, avant-garde, improvisatie en een punk spirit aan elkaar gekoppeld werden. Het trio speelde dat album nu integraal, maar liet de teugels vieren, rekte de solo’s en verlengde de duur van het album aanzienlijk. Dat leverde, net als de vorige keer toen we ze zagen, een spectaculair geluid op, waarbij vooral een bijzondere rol weggelegd was voor de interactie tussen cellist Ceccaldi en zijn drummer Darrifourcq. Hakkende cello-uithalen, die soms meer hebben met Tom Cora/Univers Zero dan met meer traditionele jazz, staan in voortdurende communicatie met het drumwerk.

Darrifourcq is ongetwijfeld een van de meest bijzondere drummers van de Europese scene: eentje die speelt met een combinatie van souplesse, speelsheid en een onwaarschijnlijke strakheid. Het is een metronoom die vrij spel krijgt, die zich rot amuseert met kleine wrijf- en rotatieklanken, rinkelende belletjes, maar ook klinkt als een compleet op hol geslagen timmeratelier, inclusief zaaggeluiden. Dat leverde extreme contrasten op in “On A Brulé La Tarte” en ingetogen momenten tijdens “Du Poil De La Bête”. “Les Flics De La Police” was een excentriek hoogtepunt, een combinatie van kierewiete ritmekermis en onweerstaanbare groove vol gesjeesde fills en accenten, en met de potigheid van een rock-‘n-rollband.

Steeds nadrukkelijker ging Darrifourcq zich ontpoppen tot de aandachtsmagneet. Voor sommigen was dat hyperkinetische geweld duidelijk een brug te ver, maar anderen zagen een artiest aan het werk met een intimiderende timing, controle en het vermogen om op de proppen te blijven komen met mechanisch getinte grooves. Maak een animatiefilm die past bij deze soundtrack en het kan enkel een delirisch resultaat opleveren. Afsluiten gebeurde met “Chauve Et Courteois”, intussen al een klassieker, waarbij een spreidstand opgezocht wordt tussen een lieflijk, aangehouden cellomelodietje, en een drummer die gaandeweg z’n hele zolder overhoop haalt, met daartussen nog de emotionele sopraansaxklaagzang van Hermia. Een combinatie van surrealisme en poëzie die nooit zal vervelen en het hoogtepunt vormde van een bij momenten verbluffende set waarmee op knallende wijze een punt gezet werd achter drie dagen Ham Sessions.

E-mailadres Afdrukken