Banner

Roots and Roses 2018

1 mei 2018, Lessines

Kathy Van Peteghem en Bjorn Weynants - foto's: Freddy Vandervelpen - 03 mei 2018

1 mei, Dag van de Arbeid, dag van de rootsmuziek. Voor de negende keer gaat in het Henegouwse Lessines het Roots and Roses-festival door. Het is nog steeds een van de meest relaxte en ongedwongen festivallocaties van het land, of kent u veel andere festivals waar bezoekers hun honden meebrengen? Dit jaar wist de organisatie een wel heel knappe affiche in elkaar te steken, waarbij de nadruk meer lag op het stevigere werk in plaats van op de pure rootsmuziek.

Ontiegelijk vroeg, dat was het. Wie echter dacht dat Cocaine Piss, de nieuwste punkrevelatie uit Luik, alleen in de “Roses”-tent zou staan, sloeg de bal serieus mis. Klokslag 11 uur maakten een 200-tal mensen handenwringend hun opwachting, want het was niet alleen vroeg, maar ook redelijk koud. Het viertal, hier versterkt met de Deense saxofoniste Mette Rasmussen, trok er zich niks van aan, en smeet zich direct. Vooral de tomeloze inzet van zangeres Aurélie Poppins, die zich moeiteloos door alle bas- en drumgeweld heen brult, viel op. Geen duik vanop het podium deze keer, maar Poppins stond wel plots tussen het verbouwereerde publiek. De Luikenaars hebben een schare nieuwe fans gevonden op Roots & Roses én iedereen wakker geschud: missie geslaagd dus.

Dan ging het er een pak rustiger aan toe bij Crystal & Runnin’ Wild, een band rond het Brusselse vader-dochter paar Patrick en Crystal Ouchène. De band was nogal clichématig gekleed als een fifties-band, maar gelukkig klonk hun stevige rockabilly met flink wat rockinvloeden wel hedendaags. Vernieuwend zijn ze niet, maar hun sound zat goed en het optreden was meer dan aangenaam. Hetzelfde kan jammer genoeg niet gezegd worden van de jonge Britse band Yak. Hun rauwe garagerock klinkt misschien wel stevig maar getuigt van weinig originaliteit. De monotone praatzang van frontman Oliver Henry Burslem en de overbodige geluidseffecten op de zang bewijzen hun nummers ook geen dienst. Een optreden dat we al vergeten waren vooraleer het voorbij was. Een stuk beter verging het Fifty Foot Combo. Deze Belgische surfband raasde in een sneltreinvaart door haar set. Het was surfmuziek, maar dan gebracht met een punkattitude en -energie. Naast de instrumentals onthielden we vooral een straffe en furieuze cover van “T.V. Eye” van The Stooges. Een goede set die bewees waarom de organisatie de band al een hele tijd op haar verlanglijstje had staan.

De mannen van Dead Bronco zijn in hun nieuwe bezetting aan de volgende Europese veroveringstocht begonnen en België mocht daarbij niet ontbreken. Dat jonge grut doet zanger Matt Horan duidelijk deugd: hij brieste en zalfde zich een weg door de set. Banjospeler Jowy Bruna en bassist Adrian Kenny blonken uit in tomeloze energie, en ook drummer Guille Pena zorgde voor een strak en hoog tempo. Hun korte set (40 minuten was echt te weinig) bestond voornamelijk uit nummers uit het laatste album Driven By Frustration, maar gelukkig kon oudje “Penitent Man” ook bekoren. Dat het na een tijdje behoorlijk warm werd op het podium -- dat komt ervan, met al dat heen en weer gespring -- bleek toen ze één voor één hun t-shirt uittrokken. Niet direct het meest appetijtelijke zicht, die witte getattoeërde basten, maar het kon de pret niet drukken. Dead Bronco bracht een set vol country en punk, met veel bravoure door elkaar gemixt. De Spanjaarden hebben hun entree op Roots & Roses niet gemist: het vreugdedansje bij “Keg Stand” zullen velen zich nog lang herinneren.

Een paar jaar geleden stond hij er al gewoon met zijn band, maar deze keer stond hij op de affiche als J.D. Wilkes & Legendary Shack Shakers. Een teken dat de set meer in het teken ging staan van zijn eerder dit jaar uitgebrachte solo-album van Kentucky Colonel J.D. Wilkes. Het was inderdaad een meer rootsy en ingetogen set dan we van Wilkes gewoon zijn, al was hij nog altijd zijn theatrale zelve. Van de nieuwe nummers onthouden we vooral de Waitsiaanse carnavalsgekte van “Fire Dream” en een knap “Hoboes Are My Heroes”. Maar ook oudere nummers van de Shack Shakers als “Mud” of “My Gypsy Valentine” die hier een iets kalere versie meekregen, wisten te bekoren. Enkel jammer van de slecht afgestelde geluidsmix die Wilkers en co. er van weerhielden een echt memorabel optreden te brengen.

The Darts zijn vier dames uit Phoenix, Arizona, die vuige garagerock brengen. Frontvrouw Nicole Laurenne en bassiste Christina Nunez speelden een paar jaar geleden al met hun vorige band op het festival. Als The Darts grossierden ze in grofkorrelige, rammelende rock. Goeie nummers als “The Cat’s Meow” en “My Heart Is A Graveyard” werden gebracht met een passie en overgave waarmee het publiek overrompeld werd. Maar ze kwamen even goed catchy uit de hoek (“Get Messy”) of gaven er een lap op met pure punk in “I Wanna Get You Off”. Een onverwacht hoogtepunt.

De vuile blues van het uit Fort Wayne, Indiana, afkomstige Left Lane Cruiser zorgde ook deze keer weer voor een aantal memorabele momenten. Traditiegetrouw werd er gestart met een Hound Dog Taylor-cover, maar ook recente eigen nummers als “Booga Chaka” en “Claw Machine Wizard” waren een geslaagde mix tussen blues en garagerock. Voor nuance was er geen plaats, het duo hanteerde een overrompelende take no prisoners-benadering. Het korte rap-intermezzo van drummer Pete Dio had misschien niet gemoeten, maar met een sterke afsluiter als “Hillgrass Bluebilly” wiste de band dat euvel meteen weg.

King Khan, bij de burgerlijke stand bekend als Arish Ahmad Khan, heeft al heel wat muzikale watertjes doorzwommen. De Canadees is berucht voor zijn excentrieke outfits, en op Roots & Roses mochten we kennismaken met enkele ervan. De man met Indische roots stond op het podium met zijn 8-koppige band The Shrines, en op papier beloofde het alvast een feestje van jewelste te worden. Op papier dus, want live genoten duidelijk alleen de eerste rijen van de strapatsen van Khan. Akkoord, het visuele aspect moet ook onderhouden worden, maar een 41-jarige, duidelijk met overgewicht kampende man in een zwart spannend latex pak(je) hoort daar niet altijd bij. Om nog maar te zwijgen van een gitarist en keyboardspeler die om de haverklap het publiek indoken om letterlijk op handen gedragen te worden. Een rustpuntje kwam er toen dochterlief Saba Lou ook even haar ding kwam doen. Maar daarna dook vader Khan terug op, in zwembroek, glittercape en zwarte pruik. Allemaal toch iets te veel poeha, want Khan kan duidelijk wel zingen, en zijn muzikanten zijn zeker niet van de minste. Maar waarom daar zo’n fake en kitsch sfeertje moet rond hangen, is ons nog steeds een raadsel.

Met het Andalusische trio Guadalupa Plata stond er vervolgens een exponent van de Iberische blues op het programma. Omwille van technische beperkingen kon de band echter geen beroep doen op hun gebruikelijke washtub bass. Of het daar aan lag, weten we niet, maar de band serveerde een doelloze set, vol zware en monotone rock die ons niet wist te bekoren. Er werd vooraf melding gemaakt van invloeden als Hound Dog Taylor, maar die waren nauwelijks merkbaar. Een gemiste kans.

Voor Tjens Matic liep de tent een eerste (en enige) keer bijna helemaal vol. Het was meteen duidelijk dat Arno een thuismatch speelde. Met Tjens Matic heeft hij drie jongere muzikanten rond zich verzameld en duikt hij in zijn verleden. Wat een sterke begeleiding heeft hij daar in die band gevonden trouwens. Gitarist Bruno Fevery speelde op het scherpst van de snee en ook de ritmesectie -- Mirko Banovic en Laurens Smagghe -- liet zich niet onbetuigd. Met een reeks stevig rockende, bluesy songs wisten ze de tent langzaam naar een kookpunt te brengen. Het was duidelijk dat zijn jonge partners in crime Arno een injectie jeugdige energie gaven. Nummers als een stevig hertimmerd “Meet The Freaks” of een onverslijtbaar “Gimme What I Need” waren straf, maar het was pas met de klassiekers “Oh La La La” en “Putain Putain” dat de vlam helemaal in de pan sloeg tot op de achterste rijen. Arno, roi de Lessines. Of om het met zijn eigen woorden te zeggen: “Merci, hodverdomme”.

Er staat ook een levende legende op het Roots-podium dit jaar: hoeft Tony Joe White nog een introductie? White kan op het podium al eens nukkig uit de hoek komen, maar op Roots & Roses had hij een goede dag: een monkellachje op het gelaat, een vingertje in de lucht als een fan hem vanuit het publiek toeroept, het kon allemaal. Hij ging ook nog gezwind over de hem toegestane tijd, wel maar met 5 minuten, maar als drummer Bryan Owings hem niet gewezen had op het feit dat zijn tijd erop zat, was hij nog wel eventjes doorgegaan. De man uit Louisiana wordt over enkele maanden 75, maar dat er op die stoel een oude man zat, zal je ons nooit horen beweren. White staat gekend om zijn swamp blues, een mix van blues en country. Hij is een rasverteller, al is het soms moeilijk te begrijpen wat hij zegt met die basstem in die typische Louisiana-twang. Echt grote hits heeft de man niet gehad, maar iedereen kent wel “Steamy Windows” en “Polk Salad Annie”, die de hitparade werden ingezongen door respectievelijk Tina Turner en Elvis Presley. Live zet Tony Joe White al eens de puntjes op de i, en toont hij met veel bravoure aan hoe het écht moet klinken.

Nu koos hij er echter voor om veel nieuw werk te brengen. Zijn laatste album “Raincrow” dateert van 2016 en borduurt verder op de gekende Tony Joe White-stijl: sterke verhalen, gezongen in de ruwe bas en met af en toe een snerpende gitaar. Waar het titelnummer over ging, wou White ons graag uit de doeken doen, en ook dat is een zeldzaamheid: meestal knort White een kort zinnetje als bedanking tussen de songs door, maar dan hadden de mensen in Lessines meer geluk. Maar er was ook ouder werk te zien en te horen: het beklijvende verhaal van “Roosevelt and Ira Lee”, maar ook “Undercover Agent for the Blues” passeerden de revue. Er kon zelfs een bisnummer of 2 van af, met een wreed swingende en grommende “Polk Salad Annie”. Een boeiende en muzikaal sterke set zonder “Steamy Windows” of “Rainy Night in Georgia”? Tony Joe White bewees dat het kan!

Het Amerikaanse Black Lips kreeg de eer om de avond op het "Roses"-podium af te sluiten, hoewel Arno vlak daarvoor uiteindelijk de de facto headliner bleek te zijn geweest. Aangemoedigd door een luide harde kern bracht de band een onderhoudende, aangename set met nummers die gekenmerkt worden door talloze invloeden: garagerock, psychedelische rock, folk, ja, zelfs surfmuziek. Het zat er allemaal in. Hoewel zo soms te veel aandacht besteed werd aan allerhande theatrale randactiviteiten, wisten ze toch een geslaagde set neer te zetten.

Met The Blasters sloot er een zeer invloedrijke band het festival af. Vaak wordt Uncle Tupelo gezien als de start van de hele alt.country-beweging, maar eigenlijk lag die kiem er al een decennium eerder. In het punkmilieu van Los Angeles liepen er met The Blasters toen een groep buitenbeentjes rond die rockabilly brachten maar dan met dezelfde energie als hun bevriende punkcollegas van X. Zeker hun titelloze album is een wat miskende muziekklassieker gebleven. Hoewel songschrijver Dave Alvin de band al in 1986 verliet, bleef zijn broer en zanger Phil Alvin de band steeds in leven houden. Het was toch een beetje bang afwachten of de band -- met de originele ritmesectie -- in afwezigheid van de songschrijver op haar eigen benen kon staan of gewoon een veredelde coverband zou blijken te zijn.

De moeizame manier waarop de 65-jarige Phil Alvin zijn gitaar omgordde deed niet veel goeds verhopen, maar dat bleek gelukkig goed mee te vallen. Zo was hij onverhoopt sterk bij stem en leidde hij de band door een set waarin alle bandklassiekers aan bod kwamen (“Border radio”, “American Music”, “Marie, Marie”, “I’m Alright”). Ook na al die tijd blijkt deze opwindende rockabilly immers nog steeds als een huis te staan. Het optreden was dan misschien wel niet meer dan een nostalgietrip, maar dan toch een geslaagde. Daarmee zat de geslaagde negende editie van het rootsfestival er weer op. Op naar de jubileumversie volgend jaar.

E-mailadres Afdrukken