Banner

The Dream Syndicate

3 november 2017, Het Depot

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 04 november 2017

Wat enkele jaren geleden begon als de zoveelste comeback van een 80’s icoon, kreeg een doorstart toen The Dream Syndicate eerder dit jaar met How Did I Find Myself Here? een plaat afleverde die zonder verbleken naast het oude werk kon staan. Een nieuwe plaat, dat betekent concerten, en dus ook een mogelijke revanche voor het degelijke, maar iets te weinig knetterende concert van vier jaar geleden.

Het zag er nochtans lang naar uit dat het moeilijk zou gaan worden. De band worstelde aanvankelijk met een lompe, logge sound die albumknallers als “The Circle” én “80 West” omvormde tot brokken geploeter zonder al te veel reliëf. En dat is dodelijk bij een band als The Dream Syndicate, die het zo vaak moet hebben van de spanning van twee elkaar doorkruisende gitaren. Daarvoor kunnen oud-leden Steve Wynn, drummer Dennis Duck en bassist Mark Walton (die erbij kwam vanaf Out Of The Grey) al even beroep doen op snarengeselaar Jason Victor, door Wynn meegebracht uit zijn machtige begeleidingsband The Miracle 3.

Soms wordt wel eens gesuggereerd dat Wynn ze vooral goed weet te kiezen, die gitaristen (ook Precoda en Cutler behoorden tot de absolute helden van het gitaardecennium), maar dan ga je voorbij aan het feit dat Wynn beseft dat je met twee gewoonweg zo veel sterker bent -- zie ook Morrison/Reed, Verlaine/Lloyd, Richards/Taylor of ja, waarom niet: Brian Robertson en Scott Gorham. Al te vaak wordt wel eens vergeten wat een gitaarmonster Wynn zelf is. Altijd met die wat onbehouwen vrijevorm-aanpak, waarin zijn voorliefde voor improvisatie, hoekigheid en feedback naar boven komt. Het klassieke “Halloween”, waarmee geopend werd, mocht dan wel een song van Precoda zijn, het was Wynn die de solo’s voor z’n rekening nam. Toen en nu.

De bandleider zag er wel opvallend schriel uit toen hij het podium op kwam en aanvankelijk leek ’s mans stem, sowieso al een wankel instrument, het te laten afweten. In “Armed With An Empty Gun” en (vooral) “Like Mary” was het zoeken naar houvast. Gelukkig kon hij terugvallen op oerdegelijke ondersteuning van een voortdurend heen en weer stappende, met de schouders schuddende Walton, een duchtig bijkleurende Chris Cacavas (toetsen), en een gortdroog kloppende Duck, die geen krimp gaf, zelfs niet toen hij aan het einde de spot op zich gericht kreeg en prompt reageerde door… gewoon verder te hameren. Het explosieve zou van Victor moeten komen, die er nu en dan ook in slaagde om het vuur aan de lont te steken. Wat meer ingehouden dan tijdens de vroege Miracle 3-concerten, maar wat de man soms uitvreet met dat instrument, en de heftigheid waarmee hij dat doet, blijven verbluffen.

Het was vooral mooi om te zien hoe de band na die wat moeilijke start steeds beter z’n draai leek te vinden, met oud en nieuw werk dat naadloos op elkaar aansloot en nog maar eens Wynns klasse als songschrijver benadrukte. Als het dromerige “Filter Me Through You” al een prima één-tweetje vormde met oudje “Burn”, dan was het wat minder bekende “Whatever You Please” uit Ghost Stories de drentelende aanloop naar een opgefokte uitvoering van “The Medicine Show”, zó snel gespeeld dat een onoplettende onnozelaar een tijdje later die song als verzoekje riep.

”How Did I Find Myself Here”, de lange jam die het recentste album domineerde, kreeg eigenlijk een verrassend getrouwe uitvoering en werd dus geen extatische piek (wél een aanslag op de heupen), maar vormde de ideale opwarmer voor wat misschien wel het sterkste stuk van het concert werd, met “Forest For The Trees” en een elektrisch geladen uitvoering van “That’s What You Always Say”, waarin Victor voor het eerst eens over de rooie ging. Dat klonk blijkbaar zo aanstekelijk dat Wynn antwoordde met een al even onstuimige solo, waarbij hij zelfs gebruik maakte van een stroomkabel die voor hem lag. Een kort, verrassend moment van magie, dat een verlengstuk kreeg met een onverwoestbaar “The Days Of Wine And Roses”.

Amper anderhalf uur en het zat er al op. Niet echt natuurlijk, want dit publiek weet dat twee uur zowat het minimum is. En dus volgden nog twee bisrondes, met na “Glide” nog een handvol cultklassiekers uit de koker van Wynn & co. “When The Curtain Falls”, een kleine 29 jaar geleden de laatste song op hun laatste album, was een zeldzaam rustpunt, en werd gevolgd door “Tell Me When It’s Over” en “Boston”, die stuk voor stuk tot het beste werk van de band horen. In het laatste nummer zat trouwens het refrein verwerkt uit “Refugee” van Tom Petty, die altijd al een inspiratie voor Wynn vormde. Voor het allerlaatste hoofdstuk werden nog eens twee songs geplukt uit die onverwoestbare debuutplaat: “When You Smile”, als vanouds terend op spookachtige feedback, en de raggende garagerock van “Definitely Clean”, dat een vlammend uitroepteken achter het concert zette.

Twintig songs in twee uur, van een band die al te vaak over het hoofd gezien wordt als de ronkende adjectieven uitgereikt worden. Legendarisch was dit concert zeker niet, maar het was er wel eentje dat gaandeweg aan vuur en souplesse won, regelmatig uitpakte met knetterende interactie en bevestigde dat Wynn misschien niet tot de grote zangers, maar wel de grote songschrijvers van de voorbije decennia behoort.

E-mailadres Afdrukken