Banner

De Jazzontspooring 2017

21 oktober 2017, CC Het Spoor (Harelbeke)

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 23 oktober 2017

Jazz in de provincie, daar wordt soms een beetje lacherig over gedaan, maar na de vierde editie van De Jazzontspooring weten we wel zeker dat het vuurwerk kan opleveren. Een volgelopen Cultureel Centrum in Harelbeke werd getrakteerd op drie uiteenlopende concerten die samen een prachtmenu vormden, met een klassiek, tintelend voorgerecht, een uitbundige smakenexplosie als hoofdgerecht en een knoert van een dessert om je finaal achterover te pegelen.

Sinds het heengaan van Toots mag je gitarist Philip Catherine zowat beschouwen als de éminence grise van de Belgische jazz. De man viert volgende week z’n 75ste verjaardag en kan terugkijken op een goedgevulde carrière, waarbij hij grote sier maakte aan de zijde van talloze Amerikaanse én Europese groten van de jazz, van Chet Baker en Dexter Gordon tot Joachim Kühn en Niels-Henning Ørsted Pedersen. Het was een opname met die laatste die ooit in handen van de jonge bassist Martin Wind (°1968) belandde, die zelf ook een respectabel parcours zou uitbouwen, en na een ontmoeting in 2013 in een duoplaat met de Belg -- New Folks -- resulteerde.

Het merendeel van de gespeelde composities werd uit dat album geput en uitgevoerd met een empathie en intimiteit die je enkel bereikt als ego’s en gimmicks terzijde geschoven worden. Vanaf “Hello George”, Catherine’s ode aan de Britse pianist George Shearing, die Toots definitief op de kaart zette, werd duidelijk dat dit zou gaan klinken als een ongedwongen conversatie van twee oude vrienden die maar een woord of een hint nodig hebben om elkaar te begrijpen of een gedeelde herinnering op te rakelen. Het franjeloze spel van Catherine -- nét iets sterker versterkt dan dat van Jim Hall -- blonk uit in dosering en finesse. Zwierig swingend, soms een beetje bluesy, maar door die regelmatig terugkerende slaggitaar natuurlijk ook geworteld in de swing die rond zijn geboortejaar in zwang was.

Er werd wat gegrapt en geplaagd, maar vooral muzikaal gepalaverd, waarbij gitaar en bas stokjes overnamen van elkaar en vervolgens weer doorgaven en zowel uitgepakt werd met werk van Cole Porter (een sensueel heupwiegend “Why Can’t You Behave”), Paul McCartney (“Jenny Wren”) als eigen songs. Catherine’s walsende “Letter From My Mother” knipoogde naar de manouche, terwijl Winds “Song For D.” gevoelig, maar niet klef klonk. De muziek dreigde nooit echt om de temperatuur in de hoogte te jagen, maar dat was ook niet de bedoeling. Dit was een uurtje teren op vanzelfsprekende klasse met een handvol fraaie songs.

Intussen is Cécile McLorin Salvant uitgegroeid tot een van de meest bejubelde jazzzangeressen van de voorbije decennia. Wie zich afvraagt waarom, hoeft niet verder te kijken dan haar recentste album, dubbelaar (!) Dreams And Daggers, waarop ze haar veelzijdigheid en onweerstaanbare charme (werkelijk, die vrouw windt zelfs de hardnekkigste zoutpilaren uit de death metal rond haar vinger) nog maar eens een niveau hoger tilde. McLorin Salvant is gezegend met een fantastische, wendbare stem en een kleurrijke persoonlijkheid (die lachjes! die korte dansjes! die grote ogen!), maar ze is ook intelligent genoeg om in te zien dat ze zich best omringt met goed volk. Met pianist Aaron Diehl beschikt ze over haar eigen Mal Waldron of Ellis Larkins: een man die zorgt dat haar stem maximaal kan renderen binnen al even diverse arrangementen. Samen met bassist Paul Sikivie en drummer Kyle Poole vormde hij het ideale klankbord. Het Aaron Diehl Trio werd niet zomaar apart vermeld op de affiche.

Als je opent met een vrij gewaagde start als “Somehow I Never Could Believe”, waarin de talenten van Kurt Weill (muziek) en Langston Hughes (tekst) op elkaar gelegd worden, dan maak je meteen duidelijk dat je je boeltje onder controle hebt. Fragiele intimiteit, dik aangezet drama, frivool theater en variété gaan er hand in hand met stilistische wendingen, een excentrieke dynamiek en vooral: een ongrijpbare speelsheid die ervoor zorgde dat de zangeres zat te flemen als een nachtkoningin, te tateren als een espressotrien en te kirren als een kind dat net een witte Magnum in de handen gedrukt kreeg. En dat was nog maar het begin. De registers werden daarna helemaal opengetrokken, met konkelfoezende blues (“Spoonful”), dartele bewerkingen uit The Great American Songbook (“Everything I’ve Got Belongs To You”) en briljante uitvoeringen uit de Grote Liefdesalmanak (Bacharachs “Wives And Lovers”).

Daar komt meteen ook het uitzonderlijke talent van de zangeres op de proppen, want alsof die controle en zuiverheid nog niet volstaan, toont ze zich ook als een van de beste tekstvertolkers. Terwijl zelfs bij de beste jazzzangeressen de techniek het vaak haalde van het tekstbegrip (de Nederlandse criticus Rudy Koopmans beweerde zo eens, ietwat provocerend, dat Sarah Vaughans pompeuze vertolkingen net de banaliteit van de gekozen composities én haar eigen intellectuele beperkingen benadrukten), werkt McLorin Salvant voortdurend met ironie, veelzeggende stiltes en dissonante breuken. Een machtig “Mad About The Boy” benadrukte dat nog maar eens, al hoef je het niet eens te zoeken in intellectuele spelletjes, want ze liet “Devil May Care” en “Nothing Like You” swingen met een springerige tred die tot een pure, lijfelijke aanslag op de stoelbekleding leidde.

Eigen songs kwamen er niet aan te pas, maar dat weerhield de zangeres er niet van om toch een persoonlijke boodschap te brengen. Als zwarte vrouw anno 2017 “Si J’étais Blanche” (Josephine Baker) brengen met een combinatie van gierende humor en gitzwart (pardonnez le mot) sarcasme: faut le faire. Nog sterker was de rollende groove van Big Bill Broonzy’s “Get Back”, met Diehl die haast klonk als Otis Spann, en de zangeres die breed grijnzend in de weer was met haar aftelrijmpje: “They said if you white, you's alright / If you is brown, stick around / But if you's black, oh brother / Get back, get back, get back...”. De band volgde haar each step of the way, maar liet haar ook uitvoerig schitteren. Dat deed ze met het nodige acteerwerk, maar ook daar is het nooit zomaar gewoontjes. Dat ze erin slaagt al die registers en emoties te combineren, en er toch geen schizofrene show van maakt, is misschien nog haar grootste verdienste. Voor wie zich afvraagt of nog iets aan te vangen valt met de rijke, maar al te vaak bestofte jazztraditie, bestaat het antwoord uit drie woorden. Je zat gewoonweg te kijken naar een ridicuul getalenteerde artieste die even comfortabel als virtuoos danste op de piek van haar kunnen. Ronduit verbluffend.

Het ideale moment om in een lome waas naar huis te slenteren (lag het aan ons, of leek het wel alsof iedereen elkaar kende en op een steenworp van de zaal woonde?), maar dan zou je de krachtige dégustif in de Club missen. Daar stond het James Brandon Lewis Trio, een band die we een half jaar geleden een indrukwekkende dubbele set zagen spelen in Brugge. Was dat daar in de besloten intimiteit van een gezellig café, dan ging het nu wat anders zijn. “Hold on to your seats”, grijnsde de voorman, en het trio was vertrokken voor een daverende work-out die bijna anderhalf uur duurde en aankwam met de impact van een potig rockconcert. Luke Stewarts elektrische bas kronkelde grillig uit de versterker, drummer Warren Trae Crudup III wist haast geen blijf met z’n bezige, met chaos flirtende spel, en Lewis pakte opnieuw uit met z’n in de gospel gedrenkte marathonsolo’s, ter plekke trappelend, spelend met een granieten toon en een verschroeiende intensiteit.

De eerste helft van de set was daarbij het meest toegankelijk en misschien ook wel het meest compact. Met “Lament For JLew”, een ode aan zijn vader en onlangs overleden grootvader, heeft de man een prijsbeest in huis met twee koppen: een loodzware melancholie die thuishoort in de emotionele regionen van kanonnen als Coltrane en David S. Ware, maar ook een knallende ontlading die de zwaarmoedige melancholie voorziet van een bruut bonkende fond. Vervolgens baande het trio zich een baan door composities uit No Filter, waarbij vooral opviel dat die songs live gemakkelijk twee tot drie keer zo lang werden als de studioversies. De pompende hiphopgroove van “Raise Up Off Me” werd een spel van repetitieve elementen, terwijl “Zen”, nog zo’n hoogtepunt, ingeleid werd met een lange introductie van Lewis, die de melodie steeds opnieuw door z’n vingers liet glijden, om dan toch toe te slaan met die combinatie van lieflijkheid en dansbaarheid.

De slingerende bas van “No Filter” bracht even de swing terug in het samenspel, maar de drie lieten vooral ook een hedendaags geluid horen, met Crudup die royaal putte uit funk en hiphop, en Stewart die misschien nog het meest buiten de lijntjes kleurde, met excentrieke effecten, onverwachte contrasten en even zelfs een solo waarmee hij lonkte naar de avant-gardeprojecten waarin hij soms terug te vinden is. De focus van het concert was in z’n slotkwart misschien iets minder gebald, maar de kracht van het trio kwam opnieuw aan met een fysieke impact. De combinatie van memorabel thematisch materiaal (zo’n “Zen” moet je maar één keer horen om nooit meer te vergeten) en het balanceren van jazz met hiphop, funk, rock en momenten van vrijheid, blijft iets dat ook nu weer zorgde voor een belevenis. Mis ze niet wanneer ze nog eens langskomen, want dat dat gebeurt, is een kwestie van tijd.

E-mailadres Afdrukken