Banner

Desertfest

Mens sana in corpore sano

Bart Van Put - 17 oktober 2017

We kunnen er intussen zeker van zijn: Desertfest is langzamerhand een begrip geworden. In grootsteden als Londen en Berlijn is Desertfest al een tijdje ingeburgerd, maar in de bescheiden wereldstad Antwerpen is het stonerfestival ook een echte voltreffer. Getuige hiervan een uitverkocht Muziekcentrum Trix, tjokvol internationaal, headbangend, langharig en knetterstoned volk. Om dit weekend naar Trix te geraken kon je dan ook ongeveer vanaf Linkeroever je neus volgen naar de Noordersingel -- het heet natuurlijk niet voor niets ‘stonerrock’.

Zaterdag

De eerste band die we op zaterdag tegen het lijf lopen, is dan ook uiterst toepasselijk Stoned Jesus. Deze drie supersympathieke Oekraïners stonden twee jaar geleden al eens op het tweede podium bovenin Trix, dat ze toen vakkundig op zijn kop zetten. Die inspanning wordt dit jaar beloond met een plekje op het hoofdpodium. En daar geniet het drietal zichtbaar van. We weten niet hoe groot de stonerscene in Oekraïne is, maar aan de enorme grijns op het gezicht van zanger/gitarist Igor Sydorenko te zien, staat een bomvolle mainstage niet alle dagen op het programma. En ze verdienen het ook: oerdegelijke, stevig uitgevoerde stonerrock die doet denken aan voorbeelden als Colour Haze doet het altijd goed op Desertfest. Afsluiter “I Am The Mountain”, een hitje zowaar, wordt dan ook met open armen verwelkomd door het publiek. Iedereen blij, iedereen gelukkig, dat is ook belangrijk op een metalfestival.

Vrolijkheid en enthousiasme troef ook bij de olijke bende van Church of the Cosmic Skull. Deze Engelsmannen hullen zich in witte pakken en hebben iets met regenbogen, maar gelukkig ook met meerstemmige zang en stevige riffs. Muzikaal valt er op deze band weinig af te dingen, ontdekten we reeds in het uitstekende debuut Is Satan Real? (vreemde titel wel), dat vooral opviel door de geweldige vocale partijen, ingezongen door quasi de hele band (vier mannen, drie vrouwen). We zijn dan ook best teleurgesteld dat slechts een van de drie vrouwelijke bandleden effectief aanwezig is, en dat haar stem in de eerste nummers nog eens volledig in de mix verdwijnt. En da’s jammer, want een nummer als “Mountain Heart” wordt gedragen door die meerstemmige zangpartijen. Gelukkig wordt de geluidsmix geleidelijk aan beter, en kunnen nummers als “Black Slug” en “Movements In The Sky” tot hun recht komen. Church of the Cosmic Skull heeft duidelijk leentjebuur gespeeld bij de vroege Fleetwood Mac (het Peter Green-gehalte van frontman Bill Fisher is dan ook uitzonderlijk hoog) en Deep Purple (orgeltjes, orgeltjes!!!), en dat is zeker geen belediging. Tof concert, echt tof!

“Tof” is nu niet meteen het woord waar we aan denken als we geconfronteerd worden met Unsane. De muziek van dit New Yorkse trio kan je nog het beste vergelijken met de facebookpagina van hln.be: keihard, agressief en ranzig. Unsane grossiert dan ook al bijna dertig jaar in smerige noiserock, en doet dat nog steeds uitstekend, getuige de nieuwe plaat Sterilize. Dat er uit die plaat flink wat wordt gespeeld, is evident. We horen voor de eerste keer nummers als “Factory”, “Lung” en “We’re Fucked”, en besluiten dat Unsane nog steeds zijn gelijke niet kent als het op strak, hard en vuil spel aankomt. Ook de visuals achter de band ademen rauwe bruutheid uit: wilde honden, kapotgeslagen autoruiten, bebloede handen en een loop van Jack Nicholson die in The Shining met een bijl de badkamerdeur inbeukt. Maar ook muzikaal wordt er grondig op het publiek ingehakt. Getuige hiervan een weergaloos “Against The Grain” en publiekslieveling “Scrape” (uit 1995 alweer, en bij ons vooral bekend omwille van de geniale videoclip). Extra puntjes ook trouwens voor drummer Vincent Signorelli, die in een netjes dichtgeknoopt wit overhemd een dijk van een set aan elkaar drumt. Op het einde is dat hemd helemaal doorweekt, net zoals wij. Kopstoot van de dag geïncasseerd, en dan moeten de headliners nog komen.

Vooraleer we aan die headliners beginnen, pikken we nog heel snel een stukje Beastmaker mee. Deze drie Californische dudes (dat was wel héél erg duidelijk) hebben de platenbakken van hun ouders goed uitgeplozen: Sabbath, Danzig en Pentagram kunnen trots een traantje wegpinken wanneer ze zien hoe deze jonge snaken aan de haal gaan met hun erfenis. De muziek is allesbehalve vernieuwend, maar de band klinkt fris, strak en vitaal. Beastmaker speelt als een stevig geoliede machine, steekt een stevige dosis energie en rock-‘n-roll in zijn performance, en dat loont. Alleen: het is ‘doom’, niet ‘deeeeuuuuwm’, gasten.

Windhand!!! Dàt is pas doom! Ze kregen een uur van de organisatie, en beslissen dat ze daar maar liefst zes songs in kunnen steken. Voor een band die erin slaagt om nummers van een half uur neer te pennen, is dat veel. Maar u hoort ons niet klagen, zeker wanneer er wordt afgetrapt met het fantastische “Orchard” vanop doorbraakplaat Soma. Het vijftal uit Richmond, Virginia dat draait rond zangeres Dorthia Cottrell moet het zonder tweede gitarist Asechiah Bogdan stellen, en dat hoor je aanvankelijk aan het geluid. Gelukkig zijn de mannen aan de PA-knoppen (die al een hele dag uitstekend werk leverden) zo vriendelijk om Parker Chandlers gitaar een decibel of twintig luider te zetten. Want sjonge jonge: wat klinkt Windhand toch vét. Dat valt vooral op tijdens “Forest Clouds”, dat op quasi één enkele monsterriff wordt voortgestuwd, waardoor het al gauw één lange hypnotiserende trip wordt. Die trip wordt alleen maar dieper door de hese, bezwerende stem (die uitstekend in vorm was) van Cottrell, die haar aanwezigheid verder sereen houdt en geen onnodige show verkoopt tijdens de vaak ellenlang uitgesponnen instrumentale passages. Windhand is een band die de muziek voor zich laat spreken, en daarvoor geen toeters en bellen bovenhaalt. Dat maakt dat je als publiek maar twee keuzes hebt: je bent helemaal mee in de trip, of je haakt al snel af. We merken dat wel als we achteraf de zaal bekijken, want tijdens het optreden waren we even op een ander astraal veld. Verdere kopstoten als “Two Urns” en hoofdvogel “Kingfisher”, dat een heerlijk lang uitgesponnen psych-jam meekrijgt, maken het alleen maar meer memorabel. De hamburger van het kraam smaakt achteraf dubbel zo goed, want onze geest is meer dan verzadigd. Mens sana in corpore sano, weet u wel.

Tip van het huis: net na een hamburger niet meteen bij een concert van OHHMS binnen lopen, want qua stomp in de maag kan dat tellen. Het vijftal uit het anders doodsaaie Canterbury trakteert de Vulture Stage op een ziedende lap sludgemetal. Vooral bassist Chainy Chainy (ja, dat moet je aan hém vragen) staat als een volleerde maniak op het kleine podium, om zichzelf op het eind van de set via de bar met bas en al in het publiek te lanceren. Zo’n gebrek aan respect voor lijf en leden kunnen we op dit soort festivals alleen maar toejuichen, al waren we toch blij hem een halfuur later weer gewoon met een pintje in de chill-out zone te zien rondhangen.

Bij een gezond lichaam hoort ook een gezonde stem, weet elke zanger wel. Joakim Nilsson van headliner Graveyard zal dat waarschijnlijk ten volle beamen, maar dat neemt niet weg dat we van bij het begin van setopener “When The Flame Turns Blue” horen dat hij zo hees is als een kraai. Vooral de hoge noten van de anders zo indrukwekkende zangpartijen blijven in ’s mans strot steken. En dat is jammer, want de rauwe, maar opvallend flexibele zang van Nilsson is een van de grote troeven van Graveyard, en tilt de band ver boven de middelmaat van dertien in een dozijn retrorockband. We keken dan ook erg uit naar dit optreden, vooral omdat de band vorig jaar plots splitte, en daarom moest afzeggen voor Desertfest 2016. Het moest dus een revanche worden, maar die valt flink in het water. En dat heeft niet alleen te maken met Nilssons falende zang (die gelukkig wat beter wordt later in het optreden, maar er nooit helemaal doorkomt), maar ook met de rest van de band, die geroutineerd, professioneel maar voor de rest weinig bevlogen door het optreden ploegt. Opvallend is ook dat de nummers uit de laatste plaat Innocende & Decadence duidelijk de mindere momenten in de set zijn, terwijl songs uit de vorige twee platen opmerkelijk meer respons krijgen, zowel bij het publiek als bij de band. “Ain’t Fit To Live Here” en het titelnummer uit doorbraakplaat Hisigen Blues zijn voltreffers, net zoals “Goliath” uit Lights Out. Afsluiter “The Siren”, anders een bezwerende trip van een nummer, legt alle mankementen nog eens bloot, waarna de band even snel verdwijnt als ze was gekomen. Fuck, wat een anticlimax van een anders meer dan uitstekende Desertfest-dag.

Zondag

Kom dat tegen. Met de restanten van een houten kop en een tegenwringend lijf (we zijn geen twintig meer, blijkbaar) duiken we Trix binnen, klaar voor weer een dag woest gebeuk en onverantwoord hoge decibelgehaltes. Stuiten we wel niet los op het leukste optreden van het weekend, zeker? Verantwoordelijk voor deze plotse opstoot van vrolijkheid: de oudgedienden van Red Kross. De gebroeders Jeff en Steve McDonald begonnen de band in hun garage thuis in LA toen ze prille tieners waren. Geïnspireerd door vroege punk, garagerock, glam en pop scoorden ze een bescheiden hitje begin jaren negentig met “Annie’s Gone” (check de videoclip op Youtube, làchen) om er in 1997 er de brui aan te geven. Nu zijn ze al enkele jaren terug, en namen in 2012 zelfs een nieuwe plaat op. Dankzij een Europese tournee met de Melvins (de nieuwe broodheer van bassist Steve) staan ze met hun opgewekte sound een beetje onwennig tussen het zware geweld op Desertfest.

Maar hey, is me dat toch dolle pret! De nummers van Red Kross klinken fris, vrolijk, zitten verdorie slim in elkaar en zijn zo aanstekelijk als luizen in een kleuterschool. Zowel het oudere werk als “1976”, “Jimmy’s Fantasy” of “Linda Blair” (hun eerste nummer ooit) als het nieuwere werk, met uitschieters “You Better Stay Away From Downtown” en “Uglier”, klinkt fris en dynamisch. Vooral de sterke ritmesectie valt op, want … dat is gewoon Dale Crover die daar achter de vellen zit. Zo zie je maar, elke band is gewoon beter met een paar Melvins.

Minder pret bij DOOL. We vallen na het feestje van Red Kross een beetje onnozel huppelend halverwege de set van dit Nederlands vijftal binnen, en merken meteen dat hun combinatie van deathrock en doom toch heel wat minder vrolijk is. Niet erg, want een geweldige cover van Killing Jokes “Love Like Blood” -- zo’n twintig keer trager dan het origineel -- laat van dat initieel optimisme geen spaander meer heel. Als er dan nog een paar rake kopstoten uit debuutplaat Here Now, There Then passeren (mannekes, hoe bangelijk goed is een nummer als “The Alpha” niet live), is het duidelijk dat we te maken hebben met een topband, aangevoerd door een fantastische frontvrouw. In het oog houden, deze band, want dit kan wel eens een grote worden.

Funny story: toen we ons zo stonden te amuseren bij Red Kross, stond er een héél oude man op krukken, maar met lang haar en bomvol tattoos goedkeurend te knikkebollen naast de speakers. Tof, dachten we, dat zelfs zo’n oud volk nog buitenkomt en zich tussen al dat jong geweld begeeft om een show mee te pikken. Blijkt dat toch wel niet Dave Chandler van Saint Vitus te zijn, zeker? We moesten wel een paar keer goed in onze ogen wrijven, want van dat oude ventje van daarnet is geen spoor meer te bekennen. Chandler zwaait uitbundig met zijn hagelwitte Flying V, en trekt er de ene na de ander kettingzaagriff uit. Het oogt allemaal niet geweldig solide, moeten we toegeven, maar hij stààt er wel. Wat niet kan gezegd worden van Scott Weinrich, die zich intussen alweer permanent liet vervangen door Scott Raegers. Maar die laatste staat zich eveneens flink te amuseren (dat zal wel, met al die Duvels daar op het podium) en heeft zijn strot goed ingesmeerd. Ook de rest van Saint Vitus zorgt ervoor dat de set staat als een huis, en dat de mix van oldschool doom met vleugjes heavy metal en primitieve hardcore de grote zaal van Trix moeiteloos inpakt. Er wordt zelfs een nieuw nummer -- “Bloodshed” -- gespeeld, maar het zijn toch de tijdloze kolossen als “Saint Vitus”, “War Is Our Destiny” en het geweldige “Born Too Late” die met de prijzen gaan lopen. Respek met véél eieren voor deze oorlogsveteranen.

Er wordt ook écht oorlog gevoerd, op de Canyon Stage met het Duitse (ah ja) Mantar. Dit duo behelpt zich enkel met een drumkit, gitaar en een batterij versterkers om het lek in een middelgrote dam mee te dichten. En dat moet ook, want het volume dat dit Teutoons tweetal fabriceert, is gewoon belachelijk. Maar potverdorie, het wérkt wel. De ziedende, groovende sludge die Mantar over het publiek uitgiet, kruipt als withete lava door de zaal, en neemt het publiek mee in een inktzwarte, oorverdovende nachtmerrie. “Are you alive? Let’s change that. Let’s die, and cause some stress”, belooft gitarist Hanno Klänhardt vooraleer hij de zoveelste mokerriff loslaat en zijn strot weer maar eens openscheurt. Onder de kanonschoten van drummer Erinc wordt het publiek genadeloos afgemaakt. Pletwals van de avond, concluderen we. Maar dan moesten de Melvins nog komen.

Want ze kwamen, zagen en overwonnen. De Melvins hadden wat goed te maken na hun gecancelde optreden op Desertfest twee jaar geleden. En hoe! Meteen stellen Buzz, Dale en Steve orde op zaken met een geweldige, loodzware cover van “Sacrifice” van de legendarische noisepunkband Flipper. “They demand a sacrifice”, bezweert Buzz. En zowaar, het publiek zal het komende uur en een kwart geofferd worden aan de afgoden van de Melvins. De band blaast zich door zijn indrukwekkende catalogus songs van de afgelopen 30 jaar met weergaloze uitvoeringen van onder meer “Oven” (vanop debuut Ozma), “Anaconda” en “It’s Shoved”, “Queen” en “The Kicking Machine”. Maar er wordt met “Euthanasia” en “Edgar The Elephant” ook uit de nieuwe plaat A Walk With Love And Death geput. Oh, en ook nog een cover, en wat voor één. Nooit gedacht om een sludgeversie van “I Want To Hold Your Hand” van de Beatles te horen. John Lennon moet zich een beroerte schrikken in het hiernamaals.

Maar meer nog dan de imposante verzameling aan topnummers, is het de schijnbaar argeloze manier waarop de Melvins dit alles uit de mouw schudt. Er zijn amper pauzes: alle nummers worden quasi naadloos aan elkaar geregen, wat maakt dat je als publiek meedogenloos wordt meegezogen in een langgerekte trip in het Melvins-universum. Het ultratrage, hypnotiserende tweeluik “Hung Bunny” en “Roman Dog Bird” vanop drone-album Lysol sluit deze waanzinnige set op sjamanistische wijze af. Geen bisnummers, geen ereronde, maar het publiek verweesd en platgeslagen achterlaten. Die afzegging is vergeven en vergeten. Hopelijk zijn we tegen volgend jaar gerecupereerd. We zijn geen twintig meer, weet u wel.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Desertfest