Banner

Sigur Rós

1 oktober 2017, Vorst Nationaal

Matthieu Van Steenkiste - foto's: Geert Vandepoele - 02 oktober 2017

De laatste plaat dateert alweer van vier jaar geleden, maar Sigur Rós blijft op gezette tijden toeren. Dat kan maar twee dingen betekenen: of het vlot niet met nieuw materiaal, of de IJslanders zijn klaar om op het verleden te teren. Ook deze passage in Vorst Nationaal, net als die op Dour vorig jaar, maakte ons alweer niets wijzer. Goed als vanouds was het niettemin.

Het is ondertussen zeventien jaar geleden dat Sigur Rós voor het eerst op de radar kwam als voorprogramma van Radioheads legendarische Tent Tour. Wat toen onwerelds en vernieuwend klonk, werd langzamerhand mainstream en ondertussen zelfs een beetje passé. Het heeft geen r&b-beat, het moet zo niet voor de jeugd. En ook intern ging er al eens iets aan het schuiven bij de postrockband. Het bevriende strijkkwartet Amiina werd voortaan thuisgelaten, en na het meer elektronische en minimalistische album Valtari hield ook toetsenist Kjartan Sveinsson het voor bekeken. Zanger-gitarist Jón Þór Birgisson, bassist Georg Hólm en drummer Orri Páll Dýrason gingen als drietal door en maakten in 2013 het iets bruter rockende Kveikur. Het leek een doorstart, maar ook dit jaar bleef het wachten op een opvolger.

Waar staan we nu? Op hetzelfde punt als in de festivalzomer van 2016, met een band die enkele nieuwe nummers heeft maar vooral terugvalt op het oude, geliefde werk. Zelfs de indrukwekkende productie, met zijn dubbel projectiescherm voor diepte-effect en opstekende staketsels als speelde de groep tussen de masten van een scheepskerkhof, is dezelfde als toen.

Deze keer kan de groep echter zijn tijd nemen, en dus wordt het een echte Evening With Sigur Rós, netjes opgesplitst in twee delen. Natuurlijk wil dat dan zeggen dat nieuw werk vooral in het begin zit, met een "Á" dat slepend opent, en het duo "Niður" en "Varða" dat op het einde van die eerste set laat horen dat we niets nieuws moeten verwachten: Jónsi blijft de man met de falset, de strijkstok beroert de gitaarsnaren, de melodie is in dat eerste nummer langoureus, in het tweede intiem. Als de vraag is of Sigur Rós nog kan verrassen, dan blijft het antwoord voorlopig "neen".

Of dat moet, is een andere, eerder filosofische vraag, want de groep speelt ook vandaag accuraat, in een Vorst Nationaal dat voor één keer ronduit goéd klinkt. De climax in "Glósólí" is het moment waarop de boel vroeg in de set al een eerste keer mag ontploffen, bij de knallende processiedrums van "Dauðalagið" merk je op dat het werkelijk echt geen verschil maakt of die toetsenist er bij was; een Sigur Rós in vorm steekt u nog steeds op onverwachte momenten in de binnenzak.

Set twee is die van de Greatest Hits. Nog één nieuw nummer, het "Oveður" dat we al van vorig jaar kennen, en dan: de grote kanonnen. De tinkelmelodie van "Saeglopur" is ook twaalf jaar later niet versleten, het moment waarop Páll Dýrason naar zijn drum loopt om het nummer open te hameren blijft onweerstaanbaar. De hemel klaart op, het sprookjesbos op de achtergrond wordt met scherm en al naar boven getrokken, en "Ný Batterí" heeft maar zijn oude truukje te doen: Birgisson wekt met zijn strijkstok een hoop noise op, Hólm laat een baslijntje opbloeien en we zijn vertrokken. Verrassend? Niet meer sinds die keer dat het nummer definitief deze livevorm kreeg. Je zou het tijd voor iets nieuws kunnen vinden, maar misschien mag je dat na twintig jaar niet meer verwachten van een band. Wat werkt, werkt, zoals je die mooie pianolijn van "Vaka" ook niet op een hobo zou gaan spelen gewoon omdat het kan.

En dus doet de eindspurt van dit concert wat het moet. "Festival" neemt een kleine tien minuten de tijd om op te bouwen, maar tegen het moment dat het applaus losbarst, stijgt her en der uit het publiek een ware footballchant op de melodie van het nummer op. Het is een bevreemdende gewaarwording, maar gekker dan toen deze groep arena's begon te vullen -- met zicht op de traditioneel verveeld kijkende securitymannen ga je je het onwillekeurig afvragen wat zij in godsnaam van dit walvissengezang vinden -- kon het toch al niet meer worden.

Zo meteen daarna geplaatst klinkt het rauwe "Kveikur" bijna vuil. Het blijft ook vier jaar na zijn release het boeiendste moment van de latere Sigur Rós; het moment waarop de groep onbeschaamd rockband durfde zijn. De vier nieuwe songs vanavond lijken aan te geven dat het niet opnieuw die richting uit gaat, maar waarheen dan wel is ons daarom niet per sé duidelijk. Het maakt ook niet uit. Wat er ook gebeurt, we zullen altijd "Popplagið" hebben, want ook vandaag moet en zal dat nummer weer afsluiten, zoals het al vijftien jaar doet. Alweer: je kunt daar over mopperen, maar zolang het blijft werken valt er weinig tegen in te brengen. Vanavond komt het nog eens erg hard aan, zelfs al lijken Hólm en Páll Dýrason elkaar wat kwijt in de verlossende ontlading.

Waar staat Sigur Rós anno 2017? Ook na dit concert hebben we geen idee. Misschien komt er straks een achtste album uit, misschien kondigt de groep even onverwacht zijn split aan. Alles is mogelijk, maar tot nader orde blijven deze IJslanders live een belevenis die iedereen minstens één keer gezien moet hebben.

E-mailadres Afdrukken