Banner

Nils Vermeulen & Peter Jacquemyn

22 augustus 2017, Hot Club Gent

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 23 augustus 2017

Een basduo: op papier een excentriek idee, maar binnen de vrije improvisatie zijn er heel wat voorbeelden van te vinden. Gisteren werd in Gent ook nog eens gedemonstreerd wat je er zoal mee kan aanvangen.

Binnen de jazz is de combinatie van twee bassen nog altijd zeer uitzonderlijk. In de linkerflank van het genre veranderde wel heel wat vanaf de jaren zestig. Drummers en bassisten werden ‘bevrijd’ van hun strikt dienende functie en kregen een rol toebedeeld die eigenlijk gelijkwaardig was aan die van blazers, gitaristen, pianisten, e.d. Eerst gingen die muzikanten die nieuwe verworvenheden in bandcontext uittesten, maar gaandeweg ontstonden ook combinaties of mogelijkheden die ervoor zo goed als ondenkbaar waren. Coltrane ging enkel met een drummer spelen, en muzikanten als Barre Phillips en Andrew Cyrille maakten opnames in hun eentje.

Phillips was ook een van diegenen die het vaakst samenspeelden met andere bassisten, want er verschenen albums met o.m. Dave Holland, Joëlle Léandre en Peter Kowald. Die laatste, misschien wel de meest invloedrijke bassist van het oude continent, kon er ook wat van, want hij was in de weer met o.m. Maarten Altena, Barry Guy, William Parker, Damon Smith en een van zijn volgelingen, Peter Jacquemyn. Nils Vermeulen, bassist bij o.m. Kabas, Laughing Bastards en Uma Chine, en bekend gezicht in de Gentse Hot Club, nodigde voornoemde uit voor een eerste duoconcert.

Er kwam in Gent geen lekker stuwende baslijn of groove aan te pas, en toch werd je twee sets lang overtuigd van de veelzijdigheid van zo’n instrument. Of op z’n minst de veelzijdigheid van de muzikanten. In het geval van Jacquemyn, al jarenlang een van de meest toegewijde vrije improvisatoren van het land en een muzikant die zowel solo als in uiteenlopende ensembles te horen valt, is dat geen verrassing. Hij bouwt verder op de nalatenschap van Kowald & co. met een imposante controle over uiteenlopende technieken (zowel traditioneel als experimenteel) en een soms intimiderende lijfelijkheid.

Jacquemyn bezig zien, dat heeft soms iets van de heroïsche strijd van een man tegen de elementen. Het is worstelen en sleuren met het hout, hardhandig zagen met de strijkstok en de snaren masseren, betokkelen of bij elkaar knijpen alsof het slappe elastieken zijn. Jacquemyn speelde ook nu met die intensiteit, overgave en een soms daverend volume. Het is, kortom, een muzikant die ruimte afdwingt. Wat Vermeulen deed was dan ook niet zozeer de confrontatie opzoeken, mikken op zo groot mogelijke stijlbreuken of er een krachtwedstrijd van maken, maar het verkennen van parallelle tactieken en daarbinnen vervolgens zorgen voor contrasten en variaties.

Als er al een strijkstok gehanteerd werd, dan deden ze dat samen. Als de ene volop ging voor een agressieve speelstijl, dan volgde de andere. Ook op wandel gaan met de vingers over de lange hals deden ze simultaan. Niet identiek, maar aanvullend, waardoor er plotse harmonieën ontstonden, opvallende kleurencombinaties, soms goed voor een behoorlijk intens luisterspel. De snaren gromden, kreunden en huilden, ze werden liefkozend gestreeld en hardhandig geplukt, met kletterende percussieve klanken.

Het zou natuurlijk geen vrije improvisatie zijn als er ook geen ongebruikelijke technieken of ideeën aan te pas zouden komen, iets waar vooral Jacquemyn intussen een patent op heeft. Er werd gespeeld met de spanning van de snaren, de strijkstok werd gebruikt op de klankkast, er werd onder de baskam gedoken, Vermeulen hing een rinkelend belletje aan de strijkstok, en Jacquemyn stak de vertrouwde blikjes tussen de snaren, wat leidde tot een excentrieke aanval op het gehoor. En hij zong, met die monotoon golvende keelzang, die in deze drone-achtige duopassage heel mooi tot z’n recht kwam.

Kortom: geen doorsnee dinsdagavondconcert en bij momenten best wel taaie kost. Een paar luisteraars gaven er voortijdig de brui aan. Best te begrijpen, zeker voor een toevallige passant, maar wie de rit uitzat, werd getrakteerd op een fraaie demonstratie van twee vrije geesten. En terwijl Jacquemyn vroeger regelmatig de jongeling was aan de zijde van die eerste generatie vrije improvisatoren, deed het deugd om te zien dat zijn opvolging intussen ook verzekerd is.

E-mailadres Afdrukken