Banner

Jazz Middelheim 2017

3-6 augustus, Park Den Brandt

Guy Peters & Bjorn Weynants - foto's: Bjorn Weynants - 04 augustus 2017

Jazz Middelheim editie 36, de eerste waarvoor de stad Antwerpen de fakkel overneemt van de VRT. Niet dat er grote verschillen te merken zijn bij aankomst, want de omliggende villa’s zijn nog altijd stevig ommuurd en voorzien van stoere camera’s en dubbele garages, terwijl het festivalterrein er zoals steeds piekfijn bij ligt. Alles verliep ook gesmeerd op de eerste dag, inclusief het cashless betalen (je hebt er werkelijk geen idee van hoeveel geld je spendeert, weer een zorg minder). Het begon bijna allemaal stipt en het klonk ook uitstekend. Maar het was wel rustig.

Voor ons -- lieden die niet zo houden van agressief gewoel, zitjes reserveren, wachtrijen en glasgerinkelsymfonieën in uitpuilende tenten -- een klein godsgeschenk, voor de organisatie misschien wat minder. Al viel het misschien ook wel te verwachten dat de eerste dag geen volle tent zou trekken. Charles Lloyd maakte indruk bij zijn vorige passages op Jazz Middelheim (2013) en Gent Jazz (2015), maar het is geen publiekstrekker van het kaliber van een Herbie Hancock. Afwachten wat dat de volgende dagen gaat geven en of de weergoden mee willen. Aan muzikale afwisseling alleszins geen gebrek, al moesten we helaas de eerste concerten missen van de artist in residence (Mark Guiliana) en de curator van de Club Stage (Jozef Dumoulin). De overige zes dan maar.

3 augustus

In onze albumrecensie van Antoine Pierre’s Urbex anderhalf jaar geleden, gingen we eigenlijk al uit van een passage op Gent Jazz of Jazz Middelheim. Die kwam er dus een jaar later, maar dat zou wel eens kunnen betekenen dat het Octet intussen nog beter speelt. De band startte het concert, net als het album, met “Coffin For A Sequioa” en de toon was meteen gezet. Weldadige, moderne jazz met uitvoerige arrangementen, een broeierige sfeer en gloeiend spel (mooi om te zien hoe Pierre, de overduidelijke motor, zich niet profileerde als uitgesproken leider). De opvallende blazerssectie -- Toine Thys, Steven Delannoye & Jean-Paul Estiévenart -- zorgde meteen voor een voluptueuze weelde. Met “Metropolitan Adventure” werd vervolgens een versnelling hoger geschakeld, met Bert Cools’ in effecten gedrenkte gitaarspel als meest opvallende, of ontsporende, element.

Het was eigenlijk vooral afwachten hoe het geheel zich zou verhouden tot het album. Dat had soms iets té veel de neiging om alles op tafel te gooien, vol te plamuren, de lengte van een cd helemaal te benutten. Nu werd gelukkig duidelijk dat er extra ademruimte ingelast werd. Nieuwe compositie “Spin” klonk meer gedoseerd en open, wat niet enkel de collectieve zwier maar ook het individuele spel ten goede kwam. Estiévenarts solo werd er enkel beter van. Later werd ook al eens gespeeld met een kleinere bezetting, konden ook pianist Bram De Looze en Pierre zelf uitgebreid soleren zonder dat het een pocherige show werd. Naar het einde van het concert werd het urban element nog uitgebreid in de kijker gezet, met wringende grooves en struikelende, stotende ritmes die een knap evenwicht vonden tussen traditie -- waar je de 70’s fusion intussen ook al toe mag rekenen -- en hedendaagse geluiden. We blijven nog altijd achter met het gevoel dat deze band z’n plafond nog niet bereikt heeft, dat er met deze kleppers nog meer in zit, maar Pierre zit alvast op het goede spoor.

Hoge verwachtingen voor Joshua Redman Still Dreaming, want de eeuwig jonge tenorsaxofonist had een tot de verbeelding sprekende band rond zich verzameld, met trompettist/kornettist Ron Miles, bassist Scott Colley en drummer Brian Blade. Stuk voor stuk individuen die hun stempel op een concert kunnen drukken. Daar kwam nog eens bij dat de band een ode ging brengen aan het legendarische Old And New Dreams, een verzameling muzikanten (Don Cherry, Charlie Haden, Ed Blackwell en Joshua’s vader, Dewey Redman) die grote sier maakte aan de zijde van Ornette Coleman, en die vier decennia geleden een paar uitstekende albums opnamen voor de ECM en Black Saint-labels. Het was meteen ook de geest van Coleman die door de twee eerste, eigen composities waarde.

alt

Meteen werd ook duidelijk dat je te maken had met zwaargewichten uit de moderne jazz, want hier werd gespeeld met souplesse en geteerd op pure klasse. De muzikanten wentelden eensgezind rond elkaar, bouwden in de aanloop samen een elegische weemoed die nergens verzonk in pompeus drama, om vervolgens uit te pakken met een kwikzilveren thema, dansende ritmes en moeiteloos geïntegreerde versnellingen. Daarna werd het een fraaie afwisseling van eerder ingetogen materiaal, waarin een muzikale asceet als Miles -- net als Cherry geen artiest van technische exuberantie, maar op zijn bugel een heel eigen, soms wat gehavende stijl -- volledig tot z’n recht komt, en composities met een speelse inslag, vol tricky timing. Heel even verslapte de spanningskoord even, leek het alsof de band meer op routine begon te teren, maar Redmans laatste twee composities werden aangegrepen om de vlam terug aan te wakkeren, wat een paar knetterende solo’s opleverde. Misschien geen echt verrassend concert, maar er werd wel op ongemeen hoog niveau gecommuniceerd; het spelplezier droop er vanaf (Blade is al net zo aanstekelijk als Joey Baron) en een knappe versie van Colemans “Turnaround” (Redman nam het ook al prachtig onder handen op zijn tweede plaat, Wish) was de kers op de taart.

Saxofonist Charles Lloyd was een van de eerste jazzartiesten om in de tweede helft van de jaren zestig crossover succes te verwerven met albums en concerten die flirtten met rock, free en exotische invloeden, en er vervolgens ook nog talloze exemplaren van te verkopen. Toch lijkt het wel alsof hij in deze contreien meer onder de radar bleef, nooit tot het kransje van de genre-iconen gerekend werd en zijn huidige status vooral te danken heeft aan een indrukwekkende reeks albums voor het ECM-label. I Long To See You, het album dat hij een jaar of twee geleden opnam met The Marvels (met naast de bekende ritmesectie Reuben Rogers en Eric Harland ook nog gitarist Bill Frisell en pedal steel-meester Greg Leisz) voer ineens een heel andere koers. Lichter, op het raakvlak tussen jazz, pop, soul en folk, en dus ook niet meer bij ECM.

Het concert volgde de start van het album, met de dreigende statigheid van Dylans “Masters Of War”, die meteen neergelegd werd met een robuuste aanpak die rechtstreeks uit de woestijn kwam. Een knoert van een sound, een alles in de hypnose kletsende ritmesectie en een saxofonist die erover heen toeterde en een pak jonger klonk dan zijn 79(!) jaar. Het was een ijzersterke aanzet die het beste beloofde, iets gemeen had met Frisells trioconcert van een paar jaar geleden, maar dan met een gebalde vuist. De band zou goed blijven spelen, maar het concert kreeg wel snel een andere toon. Het werd softer en (nog) toegankelijker, waarbij het soms leek alsof je beland was in het jamband-circuit, met eindeloos wentelende excursies. Pop, roots en jazz werden in de blender gegooid, waarbij het in stukken als “Of Course, Of Course”, met Lloyd op fluit, en “La Llorona” klonk alsof je in een countrified versie van Herbie Manns universum terechtgekomen was.

Rogers en Harland bleven hecht spelen, soms met een uitgebeend, repetitief hakkend ritme, terwijl Frisell en Leisz uithaalden met breed uitwaaiende klanktapijten en iel gehuil. In combinatie met wat Oosters getinte klanken en modale improvisaties kreeg het even zelfs wat psychedelische allures, al liet de band de teugels nooit helemaal los. Het klonk allemaal erg behaaglijk, maar soms ook wat melig en belegen, ook toen een stukje Monk passeerde, zonder de diepgang en soms heftige emoties die de vorige passages van Llloyd zo memorabel maakten. Terwijl heel wat mensen tijdens afsluiter “Shenandoah” nog wat dichter bij elkaar kropen, zaten wij vooral te kniezen door dit puddingeffect.

*

Tussendoor en als afsluiter pikten we nog drie concerten mee van centrale Club Stage-gast Jozef Dumoulin. Het eerste project was True Company #1, met percussionist Eric Thielemans en de Palestijnse oud-speelster Kamilya Jubran, die we al een paar keer imponerende concerten zagen spelen met een poëtische intensiteit. Ook nu volstonden haar spel en stem om je rillingen te bezorgen. Het duurde even voor haar kompanen van zich lieten horen, en dat deden ze dan met gedempte statements, zachtjes prullend, accentuerend aan de randjes. De flow van Jubran bleef bepalend en het was pas toen zij even stilviel dat Dumoulin en Thielemans volume en densiteit omhoog joegen. Voor Jubran was het afwachten, kijken waar ze zou kunnen invoegen. Dan werd duidelijk dat niet zozeer gestreefd werd naar een nieuwe, gemeenschappelijke taal, waarbij er een spontane discussie ontstond, als eerder een samengaan van stijlen, waarbij Jubran zich aan haar eigen universum leek te houden, om slechts nu en dan de bal terug te kaatsen naar haar vrijer spelende collega’s.

alt

Trojan Panda was een kwintet waarvan de deelnemers allemaal hun hoofdinstrument inruilden voor een ander. Met drie gitaren, basgitaar en drums werd hier afgeweken van akoestische jazz en improvisatie, om resoluut in elektrische spanning te duiken. Hield het qua sound soms het midden tussen Sonic Youth en Band Of Susans, dan werd er ook meer dan eens gerefereerd aan Glenn Branca’s massieve geluidsmuren of uitgeweken naar oorden van Spartaans gitaarvlechtwerk. Het korte concert had meer iets van een staalkaart dan van een coherent verhaal, maar het smaakte eigenlijk wel naar meer.

The Red Hill Orchestra, tenslotte, is het auditieve laboratorium van Dumoulin met tenorsaxofonist Ellery Eskelin en drummer Dan Weiss. Net als op album Trust (2014) werden de grenzen tussen compositie en improvisatie weggegomd, had je er soms het raden naar wat er precies gaande was, en of er überhaupt een kompas bestond voor dit soort verwarrende muziek. De muziek kronkelde instinctief, aangestuurd door Dumoulins brommende, pompende, huilende en scheurende Fender Rhodes en XL-effectenkabinet. Golvende ambientpassages vol pulserende bassen gingen hand in hand met benauwende droomlandschappen, heftige ritme-uitvallen en haast zwalpende saxsolo’s. Het ene moment in zichzelf gekeerd, schijnbaar verloren gelopen in een klankenlabyrint en even erna voortgestuwd door drukke patronen, aan de kook gebracht met een forse intensiteit. Ritualistisch, bezwerend, ongrijpbaar en desoriënterend. Best een taaie brok, en niks voor een breed publiek of de toevallige jazztoerist, maar in z’n beste momenten voorzien van een fascinerende, dreigende spanning, op maat van de nacht.



E-mailadres Afdrukken