Banner

Jazz Middelheim 2017

3-6 augustus, Park Den Brandt - 6 augustus

Guy Peters & Bjorn Weynants - foto's: Bjorn Weynants - 04 augustus 2017

6 augustus

Dag 4 en de vermoeidheid begint toe te slaan. Geen Penny Freeman feat. Mark Guiliana of Becca Stevens voor ons, maar we pikten wel nog wat mee van Nicolas Kummerts dag op de Club Stage. Voor zijn eerste concert had hij de bevriende pianist Igor Géhénot uitgenodigd voor een set waarin de twee vooral inzetten op lyrisch samenspel. Het werd een evenwicht van delicate dromerijen en gevoelige ballades, met hier en daar een bonkige energiestoot. Opvallend was ook de voorkeur voor popcovers, met een versie van “Smells Like Teen Spirit”, waarin Géhénot even in de piano dook en Kummert de sax voorzichtig liet schuren met repetitieve lijnen. Fijn voor een breder publiek, dat zo nog eens ondervindt tot wat de vrijheid van jazz kan leiden. Door daarna nog eens hetzelfde te doen met “Hallelujah” (Leonard Cohen), met Kummert ook op zang, en “Wonderwall” (Oasis) werd die tactiek wel een beetje belegen.

Kummerts ‘Résonance’ was een samenwerking met bassist Daniele Cappuci en gitaristen Lorenzo Di Maio en Benjamin Sauzereau. Ze waren al even bezig met het lichtjes weemoedige “Joy” voor we beseften dat deze line-up gelijk was aan die van Machtelinckx’ kwartet met Badenhorst, Jensson en Wouters, al leidde het nog wat onwennige samenspel van elegante sax, stuwende bas en echoënde gitaren hier (nog) niet tot resultaten van dat niveau. Drifter, het kwartet met pianist Alexi Tuomarila, bassist/gitarist Axel Gilain en Teun Verbruggen, overtuigde dan weer over de volledige lijn. Deze band speelde hecht en energiek, beheerste alle registers van stomende grootstadsjazz tot pastorale weemoed en zette zelfs "King Of Pain", een oudje van The Police, naar z’n hand.

Een paar uur eerder stond op het hoofdpodium al een andere Belgische band die ooit een handelsmerk maakte van opvallende covers, maar intussen ook is uitgegroeid tot een van de boeiendste bands op de wip tussen rock en jazz: Dans Dans. Sinds we hen voor het eerst zagen in 2011 bracht de band vier albums uit, waarin de nadruk verschoof naar eigen werk, en groeide het trio uit tot een vaste waarde in het clubcircuit. Het was dan ook afwachten wat dat zou geven op het hoofdpodium van Jazz Middelheim, met een intussen bijna volgelopen tent. Simpel: een knaller van een concert waarin de band al z’n troeven wist uit te spelen: een gebalde collectieve vuist, een soepel rollende ritmesectie en knetterend, klauwend gitaarwerk dat afwisselend venijnig stak, zoet zalfde en wild om zich heen schopte.

Het was opvallend hoe driest Bert Dockx de snaren liet schuren en schreeuwen en janken. Het was minstens even opvallend hoe enthousiast het publiek daarop reageerde. Vermoedelijk zagen ze er ook nog niet vaak een gitarist op z’n knieën, want Dockx maakte frequent gebruik van zijn bekende cassettes en effecten. De band speelde een handvol songs uit zijn recentste album Sand, eigen songs die soms ver van hun studioversie kunnen afwijken, maar net zo vaak terugvallen op melodieën die klinken als standards. “Thieves” kreeg een spacey, filmische invulling die herinnerde aan Morricone, “Close Your Eyes” was een minimalistisch mantra, en een zacht op gang wentelend “Feline” was de band op z’n lenigst, met een geinige knipoog naar Thems bluesy garage-klassieker “Baby Please Don’t Go”.

alt

En dan waren er natuurlijk nog de covers waar ze zich aan vergrepen. Sonny Rollins’ “Freedom Suite” werd voortgestuwd door de vuile, bijna ranzig zoemende bas van Jacques en maffe gitaareffecten, Ellingtons “Fleurette Africaine” aarzelde tussen tederheid en extase, en met Morricone’s zwierige “The Sicilian Clan” gingen de laatste twijfelaars definitief voor de bijl. Het was een bevlogen concert van een band die als geen ander de opwinding en energie van de rock-‘n-roll met de vrijheid en onvoorspelbaarheid van de jazz kan verenigen, en daarvoor beloond werd met een staande ovatie. Uitsmijter “Au Hasard”, misschien wel de definitieve Dans Dans-oorwurm, was de kers op de taart.

De enige échte publiekstrekker deze editie: Van Morrison. Van The Man. The Belfast Cowboy. Grumpy McNumpy. Co-architect van de rock-‘n-roll, geniale folkie, machtige soulstrot, koning van de ballades. Hij krijgt heel wat titels en labels, en de meeste zijn terecht. De koortsige toestanden voor het concert suggereerden dat het ging om een match die op voorhand al gewonnen was. Gelukkig bleek de notoire dwarsligger er zin in te hebben en Park Den Brandt werd getrakteerd op een indrukwekkende lijst songs, die met een even indrukwekkende vaart afgewerkt werd. Er werd geen tijd verspild aan ellenlange solo’s (al liet Morrison zich een paar keer gelden op altsax en mondharmonica), overbodig gezwets of rock-'n-roll poeha (die werd exclusief bewaard voor de finale). Songs werden haast naadloos aan elkaar gelast door een ultracompetente band die pop, blues, rock-'n-roll en jazztoetsen versmolt tot een soulvolle melange.

Openen gebeurde met “Moondance”, een van Morrisons meest ‘jazzy’ nummers, en daarna werd het een trip door een carrière van meer dan vijftig jaar, met songs uit zowat alle periodes. Daarbij viel op dat recente(re) songs – “Warm Love”, “Roll With The Punches” van zijn volgende plaat – eigenlijk niet verbleekten tussen bekend spul als “Days Like This” of “Here Comes The Night”. Opvallend vroeg in de set: het onverwoestbare “Baby Please Don’t Go”, verwerkt in een medley met o.m. “Parchman Farm” en “Don’t Start Crying”. Voor een rondje nostalgie was dit erg leuk, al viel wel op dat Morrison intussen ook een gezapige zeventiger is. Zijn stembereik is wat vernauwd en de hoge pieken en elasticiteit blijven achterwege, net als de frenetieke energie van weleer. Daardoor werd een brokje genialiteit als “The Way Young Lovers Do”, wat ons betreft nog altijd een van de mooiste songs van de laatste halve eeuw, gewoon een prima song, zonder meer. Was dat erg? Niet echt. Soul met een diepe grom (“Bright Side Of The Road”), swingende miniatuurtjes (“Help Me”) en aanstekelijke oldies (“Jackie Wilson Said”) maakten deel uit van een kleurrijke mozaïek die aanvoelde als een stoomcursus popgeschiedenis.

alt

“Shake, Rattle & Roll” zette de climax in. Een beetje tam, gemoedelijk drentelend en loom swingend, iets voor een zondagavond. “Brown Eyed Girl” volgde, inclusief driftig meegezongen “shalala’s”. En net toen we ons, niet voor de eerste keer, de bedenking maakten dat het vuurwerk van Patti Smiths concert in 2016 ontbrak, werd ultieme klassieker “Gloria” aangesneden. Die stak dan toch de vlam in de pijp met de obligate, uitvoerige coda, al was Van dan al lang vertrokken. Het was geen concert dat het moest hebben van spanning, verrassingen of energie. Je kreeg wél waar voor je geld: Morrison en band brachten een gulle greep uit ’s mans carrière, uitgevoerd met nonchalant gemak. Bekijk je het positief, dan was dit een band die teerde op meesterlijke, professionele souplesse. Voor kritischer stemmen was het misschien eerder routineus. Professioneel, maar zonder het heilige vuur. Afgaande op de applaussalvo’s was die eerste groep in de meerderheid.

Alles bij elkaar was dit een geslaagde editie van Jazz Middelheim. Joshua Redmans kwartet, de Mingus Big Band en Matthew Herberts Brexit Big Band zorgden wat ons betreft voor de memorabele hoogtepunten op het hoofdpodium. De opvallende tegenvaller van deze editie was Bill Frisell, die beter was bij Chantal Acda. Ook de andere Belgen lieten mooie dingen horen op de Club Stage, die opnieuw een vrijhaven was voor avontuurlijke muzikanten en curieuze oren. Tot volgend jaar.



E-mailadres Afdrukken