Banner

Jazz Middelheim 2017

3-6 augustus, Park Den Brandt - 5 augustus 2017

Guy Peters & Bjorn Weynants - foto's: Bjorn Weynants - 04 augustus 2017

5 augustus

De derde festivaldag werd geopend door het Quartet van de Nigeriaanse drummer Tony Allen dat ode bracht aan de legendarische drummer Art Blakey, die met zijn band The Jazz Messengers een sleutelrol speelde in de ontwikkeling van de hard bop. Al mag het adjectief ‘legendarisch’ evengoed boven gehaald worden voor Tony Allen zelf. In de jaren ‘70 stond hij als drummer van Fela Kutis begeleidingsband Africa 70 mee aan de wieg van de Afrobeat. “Zonder Tony Allen zou er geen Afrobeat geweest zijn”, liet Kuti zich ooit ontvallen. Eind jaren ‘70 kwam er sleet op de relatie tussen Kuti en Allen en ging de drummer zijn eigen weg. Ondertussen woont Allen al een hele poos in Parijs en het is daar dat hij met pianist Jean-Philippe Dary, bassist Matthias Allamane en de uitgeweken Cubaanse saxofonist Irving Acao dit quartet samenstelde.

alt

Het leek alsof de band zichzelf nog op gang moest trekken, want klonk het tijdens de eerste nummers allemaal een beetje te voorzichtig, dan bloeiden de muzikanten snel open. Vooral saxofonist Acao wist regelmatig uit te pakken met een knappe solo. Tony Allen zelf hield zich -- zeker in het begin -- meer op de achtergrond en gunde zijn medemuzikanten alle aandacht. “Ik ben geen prater,” zei hij halverwege het concert om daarna uitvoerig zijn dankbaarheid te tonen en zijn grenzeloze bewondering voor “zijn idool” Art Blakey te uiten. De setlist bestond dan ook voornamelijk uit nummers van Blakey, waarbij vooral sterke versies van “A Night In Tunesia” en “Moanin” indruk maakten. Pas helemaal op het einde kwam Allen als drummer op de voorgrond in “The Drum Thunder Suite”. Als bonus serveerde Tony Allen nog zijn eigen “Secret Agent”. Een groot zanger is aan hem niet verloren gegaan, maar toch maakte hij puur op inleving hier ook vocaal indruk. Het Tony Allen Quartet zorgde voor een sterke opening van de derde festivaldag.

De veertienkoppige Mingus Big Band houdt intussen al enkele decennia het werk van de legendarische jazzbassist en -componist Charles Minus levend, en dat valt eraan te horen. Van de eerste tot de laatste minuut werd Middelheim getrakteerd op een hecht collectief dat je zowat alle uithoeken van het kleurrijke Mingusuniversum liet zien. Niet enkel met zelfverzekerd ensemblespel, maar ook door een indrukwekkende lijst solisten naar voren te schuiven. Je had het gevoel dat ze stuk voor stuk in het rijtje van de beste solisten konden staan die we het voorbije weekend te horen kregen. Maar meer nog dan dat, was het natuurlijk de spirit van Mingus die van het podium en uit de speakers spoot: bruisend, weelderig en bij momenten tumultueus.

alt

Mingus was een XL-persoonlijkheid met een vurig en complex temperament, wat zich ook weerspiegelde in zijn muziek, die uitblonk in compositorisch vernuft én grote emoties, duidelijk geïnspireerd door het genie van Duke Ellington, maar dat dan samengebracht met de emotionele schreeuw van de gospel. Het materiaal werd vooral geput uit de klassieke periode 1956-1959, toen Mingus bij Atlantic tekende voor de ene klassieke compositie na de andere, en albums als Pithecanthropus Erectus, Ah Um, Blues & Roots en Mingus Dynasty, die stuk voor stuk deel zijn gaan uitmaken van de jazzgeschiedenis. “Gunslinging Bird” was het eerste stuk dat die spreidstand uit de doeken deed, met uitvoerige solo's en arrangementen die op maat waren van een groter ensemble dan in de bekende versies, maar die niettemin trouw bleven aan de geest van het origineel.

De band swingde, bonkte, buitelde met een vitale kracht en pakte uit met een wilde, polyfone weelde, maar speelde ook verdomd krachtig en strak. “Profile Of Jackie”, een ode aan altsaxofonist Jackie McLean, kreeg een elegante uitvoering die de tederheid van het origineel wist te bewaren, terwijl politiek geëngageerde stukken als “Fables Of Faubus” en “Don’ Let It Happen Here” (inclusief Mingus’ gedicht, dat gebaseerd was op dat van priester Martin Niemöller, die de laffe apathie van de intellectuelen tijdens het Naziregime aanklaagde) bestonden uit vet knallende trombones, trompetten en saxen, en moeiteloos omsloegen van voluptueuze swing naar bluesy gesleep en marcherende volksmuziek, soms met een bloedrauwe emotionaliteit. Mooist van al: hun versie van Mingus’ ode aan Lester Young, “Goodbye Pork Pie Hat” met een glansrol voor saxofonist Wayne Escoffery. En die dan contrasteren met een lekker opgefokt “GG Train”, een antwoord op Mingus’ leermeester Ellington. Misschien niet het meest verrassende, maar wel een van de meest overtuigende, consistente en trefzekere concerten van deze editie. Machtsvertoon in stijl.

Is Mark Guiliana de officiële artist in residence van deze editie, dan is Bill Frisell ongetwijfeld de officieuze. Op dag 1 maakte hij immers deel uit van Charles Lloyds begeleidingsgroep The Marvels en op dag 2 speelde hij met Chantal Acda op de Garden Stage. Vandaag echter ging hij als bandleider aan de slag. Samen met gerenommeerde artiesten als drummer Kenny Wollesen, violiste Jenny Scheinman, pedal steel gitarist Greg Leisz -- usual suspect op talloze geweldige rootsplaten -- en bassist Tony Scherr brengt hij ode aan John Lennon, wiens nummers op de jonge tiener Frisell een diepe indruk nalieten en hem het beslissende duwtje in de richting van een carrière in de muziek gaven. Omdat het ondertussen al een tijdje geleden was dat de muzikanten dit project nog eens op een podium gebracht hadden -- het bijbehorende album All We Are Saying dateert ondertussen ook al van 2011 --, was het toch even afwachten of de muzikanten het nog in de vingers hadden.

alt

Ondanks -- of misschien net omwille van? -- het feit dat de band stuk voor stuk uit virtuoze muzikanten bestaat, kregen we een set voorgeschoteld die peper en zout ontbrak. De nummers van Lennon werden vakkundig herwerkt waardoor ze ergens plompverloren tussen rock, jazz en rootsmuziek invielen. Het klonk allemaal wel mooi, maar nergens wist de band echt te raken. Soms werd er relatief dicht bij het origineel gebleven (“Across The Universe”, “Strawbery Fields Forever”), terwijl er bij andere nummers (“Number 9 Dream”, “Julia”) meer vrijheid genomen werd. De schaarse momenten dat er toch even wat opwinding was, waren te danken aan Jenny Scheinman die met haar viool af en toe toch eens tegendraads deed. Maar verder zagen we eigenlijk vooral afstandelijk vakmanschap. Getalenteerde muzikanten ten spijt bleek deze muziek beter geschikt te zijn voor een trendy koffiebar dan voor het podium van Jazz Middelheim.

Randy Weston, de Grote Vriendelijke Reus van de jazz, mocht de dag van eerbetonen op het hoofdpodium afsluiten met zijn African Rhythms Centennial Tribute To Thelonious Sphere Monk. Eigenlijk was enkel het eerste deel van het concert gereserveerd voor Monk, het vervolg was business as usual voor Weston. Diens naam ronkt misschien niet als die van Monk of Powell, maar hij maakte de stormachtige ontwikkelingen van de vroege moderne jazz mee vanop de eerste rij, speelde met een resem zwaargewichten van die tijd en ontwikkelde gaandeweg zijn eigen invulling. Vanaf de vroege jaren zestig kwamen Afrikaanse invloeden centraal te staan en ze zouden een constante blijven in zijn oeuvre. Monks invloed was ook nooit ver weg, en werd einde jaren tachtig, toen diens composities en albums op grote schaal herontdekt werden, nog gevierd met het uitstekende Portraits Of Thelonious Monk.

Het sololuik waar Weston mee startte, was vintage Monk, met die hoekigheid, stiltes en eigenaardige ritmiek, die ooit vergeleken werd met het gevoel de laatste trede te missen in het donker. Hier en daar passeerde een flard uit een compositie als “Ruby, My Dear”, maar Weston deed er z’n ding mee, keerde het helemaal binnenstebuiten, inclusief zijstapjes naar blues en stride, te ongrijpbaar om er helemaal vat op te krijgen. Westons ledematen mogen intussen wat stroef zijn, maar met zijn geest en vingers was het duidelijk nog goed gesteld. Na de bandvoorstelling werd nog even verder gegaan met Monks werk. Zo passeerden “Misterioso” en “Well You Needn’t”. Deze band miste duidelijke de strakheid van de Mingus Big Band, al werd er gespeeld met een aanstekelijke energie, vooral door geweldenaar/bassist Alex Blake. “Da’s muziek om op te dansen,” zuchtte de vrouw naast ons iets later, en ze had gelijk.

alt

Uiteindelijk belandde Weston dan ook in zijn bekende oeuvre, met stukken die hij intussen ook al decennia speelt (“African Sunrise”, “The Healers”,…) en gewoontegetrouw voorziet van uitvoerige odes aan de voorgangers en de bakermat van zowat alles: het Afrikaanse continent. Het had soms iets van een (uitgebreid) rondje herinneringen ophalen, al is ’s mans oprechte respect voor iconen als Louis Armstrong, Monk en Art Tatum (“Everybody should know about Art Tatum!”) overduidelijk. Het werd gelukkig ook gekoppeld aan momenten van uitbundigheid en aanstekelijke, lome grooves. Hier en daar wat wankel, maar ook mooi. Drie op vier voor het hoofdpodium.

*

Dat de Club Stage een meerwaarde is, werd ook op de derde dag bewezen. Wie alle concerten wil meepikken, heeft wel weinig tijd om te lanterfanten op de weide, en bovendien levert het soms lichtjes surreële momenten op. Op de tweede dag kon het contrast tussen Matthew Herberts Brexit Big Band (luid, bombastisch, absurd) en Chantal Acda’s duoset met Bill Frisell (naak, intiem, stil) amper groter zijn. Op de derde dag was het eigenlijk de hele tijd zo, want Ruben Machtelinckx is ongetwijfeld een van de meest ingetogen Belgische muzikanten in de brede zone van jazz en improvisatie. Zijn muziek, die doorgaans meer neigt naar experimentele folk en tintelende improvisatie dan jazz met wortels in de blues, zoekt verstilling op, soms weliswaar met behoud van weerhaken. Opvallend daarbij is dat de muziek aanvankelijk nog vrij gaaf en toegankelijk klonk, maar gaandeweg meer het experiment opzocht. Het leverde de voorbije jaren een reeks albums op die hem terecht een plaats op de affiche bezorgde, ook al was dat niet altijd naar de zin van de gemiddelde jazzliefhebber. Hier en daar zagen we wat lieden vluchten met een lichte paniek in de ogen.

Machtelinckx speelde twee keer met Linus, zijn duo met Thomas Jillings, aangevuld met Niels Van Heertum (euphonium, trompet), Nils Økland (Hardanger fiddle) en Ingar Zach (percussie). Van Heertum kennen we intussen als de go-to guy van een aantal Vlaamse kleppers, en een kerel die zijn relatief zeldzame instrument stilaan een plaats heeft gegeven in de avontuurlijke muziek van deze contreien. De andere twee gasten hebben hun sporen nagelaten in een resem bands en projecten -- van het Wallumrød Ensemble en Huntsville, tot Dans Les Abres en 1982 -- die doorgaans het gebied tussen improvisatie, folk, kamermuziek en avant-garde opzoeken. Het zijn meesters van de nuance, vertrouwd met de traditie(s), maar voortdurend op zoek naar een eigen taal. Ideale handlangers voor Machtelinckx’ ambities.

alt

Het leverde muziek op die hier en daar houvast bood, met repetitieve banjolijnen en weidse folkmelodieën, waardoor het soms geschikt leekt voor een tv-reeks als Deadwood, al was dat tijdelijk, want dit vlechtwerk was te grillig om puur als achtergrond te dienen. Dromerigheid en abstractie gingen hand in hand, Jillings wisselde af tussen altklarinet, tenorsax en analoge synth, Van Heertum schakelde over op trompet en demper, en Zach schoof met cimbalen over zijn kloeke bastrom, waaraan hij soms een tergend trage tribale puls ontlokte. Het kreeg soms iets van een eeuwenoud, heidens ritueel, maar dat kan ook onze verbeelding zijn die op hol sloeg. Het kwintet combineerde alleszins het intimistische met het zoekende, in composities die nergens leken op transparante structuren. Dat was voor sommigen in het publiek duidelijk een brug te ver, wat vooral in de eerste kwintetset herhaaldelijk leidde tot irritant geroezemoes en gestommel. De tweede werd gespeeld voor een aandachtiger publiek, dat de rit helemaal uitzat tot de laatste wegdeemsterende akkoorden van een trance-achtig “Felt”.

De kwartetset van Linus met Frederik Leroux en Øyvind Skarbø had zo mogelijk nog meer te lijden onder het geharrewar in de tent en de soundcheck van het hoofdpodium. De twee banjo’s vormden met de drums/percussie en althoorn een innig vlechtwerk dat misschien iets minder abstract klonk dan het samenspel van het kwintet, en sneller mikte op een hypnose die voortgleed als een vertraagde processie en herinnerde aan de passage van Book of Air: vvolk in 2016. Skarbø creëerde hier en daar een gestage puls, maar zorgde soms ook voor abrupte, luide slagen, terwijl de muziek op laag volume toch intens klonk, met zoemende geluidsgolven die heel even een dissonante ambient leken te suggereren.

Nadat Frisell (een vroege held van Machtelinckx) en de zijnen een tegenvallend concert gespeeld hadden op het podium, stelde de Vlaamse gitarist zijn kwartet voor met Joachim Badenhorst, Hilmar Jensson en Nathan Wouters. Deze bezetting bracht intussen twee albums uit -- Faerge en Flock -- die beide aan bod kwamen. De muziek die hier gespeeld werd, was vermoedelijk iets toegankelijker, met lyrische melodieën en meer houvast. Alhoewel: opener “McMurdo” zorgde met die eigenzinnige timing en grove aanslagen weer voor wat onrust hier en daar. Van korte duur, want daarna was het ondergedompeld worden in de ascetische dromerijen van “Früh Stuk”, met een fraai huilende solo op tenorsax, en een passage waarin Wouters met niet meer dan een strijkstok een nieuwe wereld van texturen verkende.

alt

Een probleem met Machtelinckx’ versterker leek even beslag te gaan leggen op het concert, maar de rest van de band speelde voort en de draad werd opnieuw opgepikt met “Flock”, met circulair aangeblazen klarinet en schimmige gitaren, en helemaal achteraan de set een delicate uitvoering van “Louisiana”, dat in z’n tweede helft aan kracht won en een erg fraai punt achter het concert zette. In een omgeving als deze, met elke dag een grotere opkomst, maar dus ook meer kans op verstoring, was het programmeren van deze muzikanten zeker geen evidente keuze. Het blijft muziek die eigenlijk optimaal tot z’n recht komt in kleine(re) clubs voor een aandachtig publiek, maar ook nu werd je vier keer binnengeleid in een frappante geluidenwereld die overtuigde met originele nuances, binnensluipend mysterie en consistente fijngevoeligheid.



E-mailadres Afdrukken