Banner

Jazz Middelheim 2017

3-6 augustus, Park Den Brandt - 4 augustus

Guy Peters & Bjorn Weynants - foto's: Bjorn Weynants - 04 augustus 2017

4 augustus

Op dag 2 werd Middelheim vooral getrakteerd op een nieuwe generatie jazz, met Portico Quartet (die we misten), Mark Guiliana Beat Music en The Cinematic Orchestra die het genre in evenwicht houden of aanvullen met elementen uit vaak dansbare, moderne elektronische muziek en andere hedendaagse invloeden. Onvermoeibare experimentalist Matthew Herbert stelde zijn dolgedraaide Brexit Big Band voor, terwijl de Club Stage ingepalmd werd door Chantal Acda, die een programma voorzien had waar vermoedelijk niemand écht op voorbereid was.

Een technisch virtuoos zijn is geen garantie op een goed concert, ook niet binnen de jazz. Je muzikale vermogens kunnen de einddoelstellingen van handleidingen en conservatoria soms overschaduwen, maar als de inspiratie het laat afweten, als de interactie met je collega’s niet goed zit, of als je verstrikt raakt in je eigen vermogens, dan kan een concert in elkaar stuiken als een kaartenhuisje. Soms kan het ook gebeuren dat je als luisteraar wel onder de indruk bent van het talent van een muzikant, maar niet de connectie voelt. Het is en blijft een subjectief avontuur. Wij hebben dat helaas met Mark Guiliana. De man is een buitensporig getalenteerde drummer, vermoedelijk een erg aardige kerel, en bovendien een muzikant die graag en gretig buiten de lijntjes kleurt, maar zijn akelig precieze muziek beluisteren heeft soms iets als een laboratoriumtest observeren. Alles klopt, maar het blijft bij waarnemen met beperkte persoonlijke betrokkenheid.

Met Beat Music zit hij in zijn favoriete zone, daar waar elektronische en akoestische elementen de grenzen laten vervagen. Met elektrisch bassist Chris Morrissey en toetsenist Jason Lindner streeft hij iets na waar STUFF. ook op mikt: wat klinkt als elektronische muziek uitvoeren met ‘echte’ instrumenten. Guiliana’s gelauwerde strakheid is straf, het is soms als luisteren naar een knetterende ritmebox die gestuurd wordt door een metronoom. Er wordt leentjebuur gespeeld bij hedendaagse elektronische muziek en melige synthpop uit de jaren zeventig en tachtig, het is soms rondhangen op de wip tussen clubben en loungen, en saxofonist Jason Rigby en toetsenist Fabian Almazan uit Guilian’s Jazz Quartet werden erbij gehaald, maar het mocht niet baten.

”Strive”, een song over ouderschap waarvoor een gedicht werd gebruikt van Meshell Ndegeocello, was vast met goede intenties in elkaar gestoken, maar het bleef dobberen op repetitieve ritmes. Met extra volk erbij klonk Bob Marleys “Johnny Was” ondanks het virtuoos deconstrueren van de typische reggaeritmiek eigenlijk nog altijd als een brok fletse muzak, terwijl iets later gerommeld werd met een afstandelijk nieuwe spoor. Ook met de solisten leek het geen kant op te gaan. Zorgde Rigby nog een paar keer voor wat vuur, dan raakten de (al te) uitvoerige solomomenten van de driftig heen en weer stappende Morrissey en met brommende golven bricolerende Lindner kant noch wal. Jammer, want dat er talent in de band zit, staat buiten kijf. Niks tegen een drummer die tekeer kan gaan als een ontsporende ritmerobot, soms lukt dat -- zie ook Christian Lillinger, Sylvain Darrifourq of Teun Verbruggen en Lander Gyselinck bij ons -- maar bij Guiliana misten we deze keer iets. Al Jackson Jr. of zo.

Componist, producer, DJ, sampler, theoreticus, experimentalist en bandleider Matthew Herbert hoort thuis in het rijtje van Britse excentriekelingen waar o.m. Billy Jenkins, Django Bates en Mark E. Smith ook deel van uitmaken. De man van duizend-en-één projecten, het ene nog gekker of gewaagder dan het andere, houdt zich al jarenlang op in de zone tussen high-concept, absurditeit en experimentele avant-garde, en dat was nu niet anders. Als reactie op de Brexit had hij z’n Brexit Big Band op sleeptouw genomen om, nu het nog kan, uitgebreid te vieren waar die misstap net niet om draait: samenwerking over de grenzen heen. Dat leidde tot een muzikale kermiskoers die als een tornado door de tent raasde, te nemen of te laten.

Het stilistische kader: de big band, met een dozijn blazers en een vitaal wentelende en stuwende ritmesectie die zich een weg banen door swing (old school of opgesmukt), galopperende hoempapa, walsritmes, slaapliedjes, balzaalmeligheid, carnavaleske buitelingen, bombastische filmmuziek en pompende beats. Op zich al geinig, want het werd allemaal uitgevoerd met een ruwe, uit z’n voegen barstende weldadigheid, maar daar kwam dan nog eens bij dat dit geen klassiek concert was, maar een samengaan van een concert en een performance, waarbij het visuele en interactieve element al net zo belangrijk waren. En de typische sampler van Herbert, die te pas en te onpas opdook als een irritante stoorzender die niet weggemoffeld kan worden. Maar het paste wel in deze performance, die gaandeweg steeds meer de allure kreeg van een uit de hand gelopen musical of kierewiete jazzopera.

alt

Voor elke nieuwe song werd er wel een nieuwe vondst of practical joke aangekondigd. Muzikanten draaiden met ratels, staken de vingers omhoog om het woord te vragen, verscheurden exemplaren van The Daily Mail om de snippers collectief in de lucht te gooien. En dan kwam er nog eens een zangeres en een koor van minstens twee dozijn koppen bij. Ze zongen, dansten, droegen maskers van o.m. Boris Johnson en Trump (“He doesn’t speak for me”), en hun hartslag werd gebruikt als puls onder de muziek. Helemaal kierewiet werd het toen Herbert de microfoon bevestigde aan een hengel van een meter of zes om zo geluiden uit het publiek op te nemen en die vervolgens te verwerken in de muziek. Het was voluptueus, kitscherig, cartoonesk en barstte ei zo na uit z’n voegen (het was ook het enige concert dat te lijden had onder een mindere sound), maar we zaten wel de hele tijd naar dit potje onzin te staren met een brede grijns. Ongetwijfeld de zotste kermis sinds Flath Earth Society, al beloofde Herbert dat het erop zit als de Brexit een feit is.

In het vorige decennium was The Cinematic Orchestra een van de aanvoerders van een nieuwe generatie bands en artiesten die, net als Jaga Jazzist of Nils Petter Molvær, de jazz benaderden uit de vleugel van de elektronica, soul, trip hop en verwante genres. Of misschien is het net andersom. Het waren alleszins wegbereiders voor de latere generatie van o.m. BadBadNotGood, GoGo Penguin en Snarky Puppy die nu grote sier maakt. Het sextet van Jason Swinscoe is na een lange stilte (derde langspeler Ma Fleur is intussen al tien jaar oud) klaar met zijn nieuwste plaat en kwam daar een paar stukken uit spelen, al leek de nadruk toch op het oudere werk te liggen. Net als bij Guiliana & co. klonk dit modern (maar hier en daar vreemd genoeg ook alweer wat passé), al zat er wel soul in. Van “Man With The Movie Camera” tot “Breathe” werd gespeeld met broeierige grooves, repetitieve ritmes, rollende toetsen en weldadige elektronica.

Het was niet altijd even spannend. De aanzet was sterk en lag in de lijn van Barry Adamsons donkere filmmuziek, maar dat dreigende, wat perverse randje maakte al snel plaats voor properdere excursies, softe ballades in hippe kleedjes en zorgvuldig in elkaar geknutselde stukken waarin elk elementje op z’n plaats zat. Goede muzikanten, waarvan er sommige ook nog eens wisselden van instrument, en een paar keer aangevuld met de zang van Bev Tawiah en de nog indrukwekkender zingende Heidi Vogel. Er zaten hier en daar passages in die, romig als echte boter, zorgden voor vette, warmbloedige grooves die zo weggegrepen leken uit de vroege hoogdagen van de elektrische jazz, maar regelmatig verzandde het ook in zoutloze inwisselbare passages waarin de band ging klinken als een luchtiger Massive Attack. Als er al een muzikant was die regelmatig het verschil maakte, dan was het wel saxofonist Tom Chant. Na z’n uren een actieve speler in de Britse vrije improvisatiescene, maar hier ook goed voor gedreven, soms indrukwekkend intens scheurende en schreeuwende solo’s en een ronduit verbluffend moment met saxloops. Het concert klonk fantastisch en had een handvol straffe momenten, maar kende regelmatig ook inzinkingen die suggereerden dat dit eerder huiskamer- dan festivalmuziek is.

*

“Oh man, hier word ik zo blij van,” grijnst Chantal Acda in het derde luik van haar vierdelige programma. Het is Acda ten voeten uit. Moeder en partner, maar ook gemaakt om op een podium te staan, in haar hart te laten kijken en die muziek te delen. Bovenop de reguliere concerten speelt ze ook nog intimistische huiskamerconcerten, en het zegt voldoende dat ze de voorbije paar jaar twee live-albums uitbracht. Dat Acda emotioneel kan worden zonder klef te zijn, openhartig is zonder exhibitionisme, en grossiert in weemoed zonder de dramatische toer op te gaan, is een mooie bonus. Dat, en het besef dat ze tot ver buiten het traditionele singer-songwriterkader durft kijken.

Met een muzikale- en levenspartner als Eric Thielemans kan je het hokjesdenken sowieso al opzij schuiven, maar zet deze vier concerten naast elkaar, en je beseft al snel dat het resultaat redelijk uniek was. Je moet het immers maar bedenken: in je eerste concert het podium opstappen met twee vaste compagnons de route (Thielemans en euphoniumspeler Niels Van Heertum) én het vijfkoppige koor Arc Sonore. Je moest niet eens vertrouwd zijn met Acda’s muziek om te zien dat ze zich heel wat vrijheden permitteert. Een paar songs werden in meerdere, soms sterk afwijkende versies gebracht. Niet jazz als stijl, wel in de attitude.

Opvallend in het eerste concert was bovendien ook het werken met samples, die zorgden voor extra kleur en schuring, en zowel gestuurd werden door Thielemans als Acda. Het meerstemmige vijftal creëerde een schimmige ondergrond en echode tekstflarden, al dan niet gedirigeerd door Thielemans en een met de armen zwaaiende Acda, terwijl Van Heertum je met z’n arsenaal aan onwereldse klanken meesleepte naar een narcotische onderwaterwereld. Als dit al een ongebruikelijke invulling was van de songambacht, dan werd daar nog verder van afgeweken in concert #2.

Vertalingen, ze mogen nooit te letterlijk gebeuren. Ook bij Translation was dat het geval. Wat zo’n beetje aangekondigd werd als een concert waarin materiaal van Acda herwerkt zou worden door zijzelf met een stel kompanen, was in feite een instrumentaal portret van de mens Chantal Acda, eerder dan bewerkingen van haar songs. Een paar keer leken bassist Shahzad Ismaily, gitarist Jean-Yves Evard en Thielemans een gedeeld startpunt aan te raken, maar dat was slechts schijn, want hun set was hardcore vrijevormimprovisatie. En behoorlijk indrukwekkend, want ondanks de zeer uitgesproken persoonlijkheden, werd hier een meesterlijk evenwicht gevonden van totale vrijheid en triocohesie.

Met de gitaar op borsthoogte schuifelde Evrard voortdurend rond op het podium, buigend en draaiend, oogcontact mijdend, in de weer met een grillige, instinctieve stijl die herinnerde aan andere vrije geesten als Noël Akchoté, Derek Bailey en Fred Frith, en onmogelijk te typeren viel. Het ene moment druk en abstract op microscopisch niveau en fluistervolume, even later met abrupt verkrampende snarentrekkerij, excentrieke effecten en gierende feedbackgolven (die herinnerden aan Thielemans’ concert met The Mechanics Are Dancing In Your Head in 2016). De contrasten tussen de drie waren soms immens, want het stekelige, onvoorspelbare gitaarspel werd aanvankelijk gecombineerd met teder ruisende percussie en voorzichtige basaccenten. Het abstracte, fysieke en vlammende verkennen belandde uiteindelijk samen in een denderende, atonale freak-out.

alt

Beweren dat het gratuite noise was, zou de waarheid geweld aan doen, want het samenspel tussen Ismaily en Thielemans was even speels als organisch, terwijl een moment van gitaarascese plots herinnerde aan de spookachtige abstractie van een Loren Connors en er even Balkanmelodieën door een verborgen transistorradio leken te waaien. Een eerste improvisatie van een half uur kreeg een korter vervolg waarin de boel opnieuw snel aan de kook gebracht werd, met sjamanistisch geprevel van Ismaily en de gitaar die een nest horzels leek te imiteren. Een vrije sessie die heel wat liefhebbers van Acda misschien de stuipen op het lijf zou jagen, maar zelf was ze overduidelijk in de wolken. En wij? Zet het op een plaat en we kopen twee exemplaren.

Dat het drummen zou worden in en rond de Club Stage voor het derde concert, dat stond op voorhand wast, want Acda werd daarvoor bijgestaan door Bill Frisell, die ook te horen is op haar recentste album, Bounce Back. Dat Frisells aanwezigheid Acda dolgelukkig maakte, was overduidelijk. Ze had de hele set een gelukzalige glimlach op haar gezicht, terwijl haar kompaan erbij stond als een suikernonkel die maar al te graag nog eens zijn kunstje liet horen. Hier vielen de songs van Acda dan ook te beleven in hun meest pure, getrouwe vorm. Zij speelde en zong de naakte basis. Frisell speelde mee, op maat van de songs (onze favoriet: "Son"), met iele tierlantijnen, twangy golven en accenten met een sfumato-effect. Het was de meest ingetogen en klassieke van de vier sets, maar een combinatie die gewoon juist zat.

Voor het slotconcert van Dag 2 had Acda een achtkoppige Big Band rond zich verzameld, die in wisselende bezettingen door een selectie songs denderde. Dat laatste mag bijna letterlijk genomen worden, want tussen de momenten van breekbaarheid werd een paar keer een muzikale storm ontketend die meer had met daverende woestijnrock dan met ingetogen slaapkamerfolk. Thielemans (de hele tijd duidelijk genietend) en bassist Alan Gevaert zorgden soms voor een massieve ondergrond, hier en daar nog bijgestaan door een driftig meetrommelende Ismaily, terwijl gitaristen Gaëtan Vandewoude en (voor een deel van de songs) Bill Frisell accenten en volume toevoegden. En dan waren er nog de bijkleurende Van Heertum, trompettist Gert Van Mulders en cellist Simon Lenski. Het werd een uitbundige weelde van geluid, met lagen die eindeloos op elkaar gestapeld werden, momenten van impressionistisch mysterie en granieten hypnose. Opnieuw: geen muziek van de vingerknip, maar over een totaalplaatje als dit valt niet te klagen. Het songmateriaal, de inbreng van een interessante resem gasten en de innemende persoonlijkheid van Acda vormden samen een memorabel luik voor deze 36ste editie.



E-mailadres Afdrukken