Banner

Konfrontationen 2017

20-23 juli 2017, Jazzgalerie Nickelsdorf

Guy Peters - foto's: Joachim Ceulemans - 25 juli 2017

Na een jaartje afwezigheid trokken we nog eens naar Burgenland in Oostenrijk (‘Urlaub mit Sonne drin!’), voor de 38ste editie van het legendarische improvisatiefestival Konfrontationen. Het werd een weerzien dat een beetje aanvoelde als thuiskomen, met zeventien concerten die je bij de hand namen, soms ook bij de lurven grepen, en uiteenlopende uitingen van de vrije muziek lieten horen. Niet elk concert was een schot in de roos en sommigen stijlen en/of artiesten liggen je natuurlijk meer dan andere, maar vier dagen van dit, en je vraagt je af hoe je er ooit in geslaagd bent om die zielloze, door promotiemachines gedreven evenementen te overleven.

Je belandt er dan ook in een wereld die nooit z’n surreële kantje verliest, in de trillende lucht tussen monotone, vers gemaaide graanvelden, omringd door boertige knakkers in verschoten t-shirts waarop reclame gemaakt wordt voor festivals uit lang vervlogen tijden. Het is een plaats waar je een jukebox verwacht met de lokale variant van Oberbayern-hoempapa, niet waar (een fors deel van) de wereldtop van de vrije muziek al decennia een vrijhaven heeft gevonden. Sinds 1980 hebben Hans Falb en zijn team hun tegengeslagen gekend – het blijft nichemuziek en financiële zekerheid is er nooit -, al werd werd altijd een nieuw festival in elkaar gebokst met verenigde krachten, ondanks alles.

Aanvankelijk lag de focus iets meer op de Amerikaanse freejazz en Afro-Amerikaanse muzikanten, terwijl die in de loop der jaren wat verschoven is naar de Europese vleugel en enkele nieuwe tendensen ging volgen, zoals de elektronische en minimale muziek. Anno 2017 kan je niet ontkennen dat het festival vooral put uit een reserve van vertrouwde namen. Sommigen van hen vonden er hun tweede thuis of waren er al bij in de beginjaren, terwijl anderen deel uitmaken van de nabije(re) bruisende scenes van Berlijn en Wenen, wat dan weer andere voordelen heeft. Dat zorgt er dan ook voor dat het festival vaak aanvoelt als een klasreünie, waar toeschouwers én muzikanten elkaar voortdurend in de armen vallen en de conversaties van een jaar eerder verder zetten.

Er hangt ook altijd een lichte dreiging van chaos in de lucht, het gevoel dat de boel elk moment ten prooi kan vallen aan totale anarchie. Concerten beginnen zelden stipt op tijd (al zat het dit jaar wel wat strakker dan in de vorige edities die we meemaakten), een paar uur voor aanvang worden ze al eens gewisseld en voorman Hans Falb is een figuur die nu en dan dingen als “SHUT UP AND LISTEN” in de micro wauwelt, maar ook dat is Konfrontationen. Het is een plek waar er nog plaats is voor spontaniteit, voor een beetje waanzin (het verklaart ongetwijfeld het hoge aantal speciale gevallen die er rondlopen), voor risico en improvisatie. ‘This is an improvised festival’ is het credo. Het heeft, kortom, alles wat veel van de perfect gerodeerde, hedendaagse festivals missen: een knoert van een hart en een heel eigen, dwars karakter. En hopen goede muziek, natuurlijk.

Het eerste instrument

Wat vermag de menselijke stem? Het is een vraag die deels beantwoord kan worden met het oeuvre van stemgymnast Phil Minton. Die was inderhaast opgetrommeld om Ute Wasserman te vervangen in het project Radio Tweets met Richard Scott (modulaire synth, elektronica) en Birgit Uhler (trompet, objecten). Doordat de muzikale omkadering vrij sober en ingetogen gehouden werd met een steeds bewegende, minimale plip-plop van gepruttel en ruisklanken, werd Minton de dominante speler van het concert. Die ging zich als vanouds te buiten aan een excentriek hoorspel van amechtig gefluister, verkrampend gekerm, Donald Duck-gekwek en plofklanken die uitgespuwd werden met Tourette-venijn. Het ene moment klonk hij als de schuifelende, in zichzelf murmelende opa die je op straat passeert. Even daarna was het de komieke wartaal van Shaun The Sheep, gebracht met het hoofd diep tussen de schouders getrokken. Een wringende abstractie die niet voorkomen dat de vlam na een tijdje wat uitdoofde.

Een minstens even opvallende stemkunstenaar: Isabelle Duthoit. Intussen een bekend gezicht op het festival en een van de muzikanten die zelfs twee keer mocht aantreden. De eerste keer daarvan was dat in de lokale Katholieke kerk, waar ze speelde met Uruk, met haar vaste partner, trompettist Franz Hautzinger, en het percussie-duo Hamid Drake en Michael Zerang. Een beetje problematisch, want de verlammende warmte, minder dan ideale akoestiek (voor de percussie alleszins) en het beperkte zicht zorgde ervoor dat je niet altijd wist wat gaande was. Hautzinger manipuleerde z’n spel wel inventief, waardoor je een afwisseling kreeg van momenten die resoluut eigentijds klonken en anderzijds herinnerden aan Miles’ mood pieces voor Ascenseur pour l'échafaud.

De percussionisten zorgden voor een ondergrond van ritme met frame drums, wat een wentelende massa van textuur creëerde, met de hypnotiserende kracht van een processie en het mysterieuze van een rite. Duthoit kreeg vrij spel en vulde die in met een haast perverse performance van bloedstollend gehijg, gekrijs, gegrom en gereutel. Het was een hoogmis zoals ze die nog niet eerder hoorden in deze kerk. Nochtans was Duthoits tweede concert, met Left, eigenlijk nog sterker. Daarin deed ze het met pianiste Katharina Klement (piano, elektronica) en bassist Matija Schellander. De interactie was hier transparanter en zo mogelijk nog intenser.

Schellander had een belangrijke rol door het voortdurende kleuren met textuur, en Klement was duidelijk de meest prominente metgezel van Duthoit. Ze startte met donker, bonkig pianospel vol zware clusters, wat een sterk contrast vormde met de ontzagwekkende vocale acrobatie. De ravissante Duthoit mag er in een kleedje en op hoge hakken dan wel uitzien als een liefdevolle sirene; de geluiden die aan haar keel ontsnapten waren die van een krolse kat, een tot waanzin gedreven folterslachtoffer én een Satanische drilsergeant. De klarinet hanteerde ze op een al even ongebruikelijke manier, met abstracte klanken die mooi samengingen met het snarengeflos van Klement. Het concert zo omschrijven klinkt misschien nogal sinister of extreem, maar met het korte bisnummer werd er ook nog een verlokkelijke sensualiteit aan toegevoegd.

Minimalisme

Programmeren is een kunst, al net zo moeilijk als het samenstellen van een menu. Het vergt inzicht in wat de luisteraar (of de genodigde) verwacht en aankan, en in welke ingrediënten goed samengaan, een verhaal vertellen, een opbouw hebben, etc. Te grote contrasten kunnen soms nefast zijn, net als monotonie. Konfrontationen vindt doorgaans een ingenieus evenwicht, al viel er toch een keer een dip te ontwaren. Het was toen het concert van Radio Tweets – ingetogen en abstract – gevolgd werd door het nog stillere verhaal van Klaus Filip, Noid, Christian Kobi en Hans Koch. Twee rietblazers en twee kerels die hun eigen softwareprogramma schreven: ppooll. Het leidde tot muziek waar vooral het Russische Mikroton-label faam mee verwierf: elektroakoestisch experiment op lage volumes en in slow motion.

Hier werd het bovendien een gevecht met de krekels, want op geen enkel moment werd de minimale, drone-achtige stilte verlaten. Elektronisch en akoestisch geruis en zachte slurpklanken van tenorsax, sopraansax en basklarinet schuifelden ingetogen rond elkaar, met het subtiele onderzoeken dat je ook hoort bij Looper (met nog zo’n stille avonturier, Martin Küchen) en de aandacht voor nuance van Polwechsel. Fascinerend en vermoedelijk meer dan genoeg voor een avondje in de zetel met de koptelefoon op. Hier gingen de klanken sneller oplossen. Dan was het resultaat van een heel andere orde bij het al even microscopisch opererende “B” Quartet. De Berlijnse band van grafisch kunstenaar en trompettist Mazen Kerbaj, pianiste Magda Mayas, bassist Mike Majkowski en drummer Tony Buck speelde een concert dat bij een oppervlakkige beluistering misschien iets had van een lange, monotone geluidsgolf, maar tekende eigenlijk voor een van de knapste concerten van het festival.

Met behulp van een darm en allerlei hulpstukken ontlokte Kerbaj een constante klankflow aan zijn instrument, die werd aangevuld door de inside spaarzaamheid van Mayas, de repetitieve figuren van Majkowski en het geduldige onderzoek van Buck, die zijn achtergrond bij de sjamanen van The Necks ten volle kon benutten. Het werd een langgerekt spel van details, waarbij Kerbaj het publiek uitvoerig zegende met de trompet en met de steun van cymbaalgeschraap, strijkstokpassages en gedempte pianoklanken een hoorspel werd uitgevoerd dat ook bij laag volume bulkte van een manische intensiteit. Het ging niet zozeer om kwiek reageren, als om het uitstellen, of verlengen, van het moment, met een eindeloos wentelende poel van geluiden die met een indrukwekkende coherentie samengesteld werd. Leek het vorige concert dubbel zo lang dan het in werkelijkheid was, dan waren deze veertig minuten in een vingerknip voorbij. Een stukje magie.

Klassieke geluiden

Het klinkt misschien wat oneerbiedig, maar ook binnen de vrije muziek bestaat er zoiets als een ‘klassieke’ stijl, die werd vastgelegd door de iconen van de jaren zestig en zeventig en tot de dag van vandaag nog altijd beleden wordt door muzikanten van diverse pluimage en generaties. Het is een stijl van uiteenlopende contrasten en temperamenten, doorgaans akoestisch uitgevoerd en waarin de persoonlijkheid van de betrokkenen een cruciale factor is. Het is immers waar deze zich mee onderscheidt. Ook als je te maken hebt met een bezetting die expliciet als collectief naar buiten treedt, zoals Matagi Ili, het blazerskwartet van Thomas Berghammer (trompet), Tobias Delius (tenorsax, klarinet), Frank Gratkowski (fluit, altsax) en de voor Sebi Tramontana ingevallen Wolter Wierbos (trombone).

Bij blazerskwartetten wordt in eerste instantie vooral gedacht aan het World Saxophone Quartet of ROVA, die de saxofoon centraal stelden. Matagi Ili leunde stilistisch sterker aan bij die tweede band, met een stekelig verkeer, waarin blues en jazz niet verdwenen, maar wel wat weggemoffeld waren. Voortdurend werd je overstelpt door info uit vier richtingen, al werd er zorgvuldig over gewaakt dat het geen corpulente soep werd. De vier vonden zowel inspiratie in kleine, haast autistische klankeffecten, als in expressieve uitbundigheid en ongebruikelijke technieken (stond Wierbos daar echt circulair te ademhalen op een trombone?), wat leidde tot een mooi, divers concert dat nooit z’n speelsheid en toegankelijkheid verloor.

Pianisten en drummers, dat is een vaak beproefde combinatie, eentje die tot ongeziene hoogtes gedreven werd door goed volk als Irène Schweizer en Cecil Taylor, beide met een eindeloze resem partners. Het laatste concert van het festival werd zo gespeeld door Sten Sandell en lokale held Paul Lovens. Samen tekenden ze voor een prima set die tegenmoet kwam aan de hoge verwachtingen en de spontaniteit van het moment in de verf zette door de rek van het elastiek maximaal te benutten. Knap, al waren we zelf sterker verrast door het concert dat Sandell speelde met Life And Other Transient Storms, het kwintet met trompettiste Susana Santos Silva, saxofoniste Lotte Anker, bassist Torbjörn Zetterberg en drummer Jon Fält.

Een (h)echt kwintet, dat eigenlijk een breed gamma aankon, van abstract naar boven borrelende ideeën tot jubelend drama en de vele gradaties daartussen, waarbij vaak behendig op verschillende snelheden gewerkt werd, door bvb. het drukke spel van Fält en Zetterberg te contrasteren met langgerekte trompetlijnen of diep denderend pianowerk. Santos Silva, die de voorbije jaren bezig is aan een opmars die haar internationaal op de kaart gezet heeft, was ook nu de meest opvallende muzikant. Zelfzeker en met controle over allerhande stijlen en technieken, van breed uitgesmeerde lijnen, tot een meer ingetogen stijl met een gebroken fragiliteit. Opnieuw muziek die zeer vrij was, en toch nooit als zand tussen de vingers vergleed en waarbij de combo Anker/Silva bijzonder goed werkte. Een iets te enthousiast (en vroeg) klappende toeschouwer wrong het sterke tweede stuk de nek om, wat even tot onduidelijkheid leidde, maar het kwintet zette de puntjes op de ‘i’ met een vurig struikelend slotstuk dat knap aan de kook gebracht werd.

Tijdens de namiddag in de nabijgelegen Kleylehof viel een ongebruikelijke combinatie te horen toen rietblazer Mats Gustafsson improviseerde met doedelzakspeler (!) Erwan Keravec. We hadden ons laten influisteren dat dit eerder al fraaie resultaten opleverde, wat ook nu het geval was. De langere klankgolven van het excentrieke instrument waren een Godsgeschenk voor de Zweed, die een heel arsenaal had meegebracht, van een klein, exotisch fluitje tot zijn kolossale bassax, die de indruk creëerde dat er in de Oostenrijkse steppe ook aan scheepvaart gedaan wordt. Gustafsson sloop rond als een uitgehongerde kat, voortdurend dreigend met die bekende explosiviteit, vaak bezig op laag niveau, terwijl ook Keravec varieerde tussen gefluister als statische elektriciteit tot snerpend gegier, en van nerveus gezeur tot hysterisch gezwalp.

Na een goed kwartier kreeg het duo gezelschap van Joe McPhee. Die speelde aanvankelijk op iets dat je kan omschrijven als een plastieken didgeridoo, al kon het net zo goed meegegrist zijn van een bouwwerf in de buurt. Heel even leidde het tot een echt mooi en gaaf samengaan, dat opgegeven werd voor een komen en gaan van ideeën en instrumenten, zoals McPhee’s ventieltrombone en Gustafssons fluteophone (een fluit met het mondstuk van een sax). Het ging van bruut geweld met doodsreutels tot ronkende harmonieën en een slaaplied, met als hoogtepunt een duet voor bariton- en tenorsax dat ronduit mooi was.

Experimenterende iconen

Op de eerste dag van het festival tekende McPhee, intussen achtenzeventig, trouwens al voor een van de meest verrassende concerten van deze editie. The Clifford Thornton Memorial Quartet bestond naast de man van Pioughkeepsie uit Daunik Lazro (bariton- en tenorsax), Jean-Marc Foussat (analoge synth, stem, mondharp) en Makoto Sato (drums), en was een eerbetoon aan de wat vergeten trompettist (en persoonlijke held van organisator Falb), bij wie McPhee zijn (studio-)debuut maakte in 1967. Dat het geen doorsnee performance zou worden, stond op voorhand vast, maar het avontuur en het open vizier van dit concert was niettemin opmerkelijk. Foussat ging soms voluit op het gaspedaal staan en flirtte met semi-industriële klanken, Sato verleende het totaal een ritualistische feel en Lazro bewees nog eens waarom hij een van de meest gerespecteerde saxofonisten van de Europese scene is.

Het was ook de eerste keer dit festival dat we McPhee te zien kregen op ventieltrombone, een instrument dat hij misschien niet zo goed beheerst als de tenorsax en de pockettrompet, maar waarop hij niettemin de aanzet gaf tot een gewaagd concert, dat bij momenten donker en zelfs hermetisch klonk en net zo goed kon overslaan in passages vol sereniteit en filmische lyriek. De afwisseling tussen volgestouwde geluidensoep en klaarheid was ronduit indrukwekkend. Bijna even straf als het feit dat McPhee op deze leeftijd talloze muzikanten achter zich laat wat gretigheid, inventiviteit en kwaliteit betreft. De vijf jaar jongere Evan Parker, zwaargewicht van de Europese vrije muziek, weet ook nog altijd niet van ophouden. Een overzichtsartikel in een recent nummer van muziektijdschrift The Wire maakte duidelijk dat Parkers verworvenheden, in tegenstelling tot die van sommige van zijn generatiegenoten, niet ophielden bij het pionierswerk van de jaren zestig en zeventig. Steeds opnieuw slaagt hij erin om zichzelf opnieuw uit te vinden, met een discografie die zijn gelijke niet kent.

Binnen Trance Map + wordt Parker gekoppeld aan bassist Adam Linson en elektronica-experts Matthew Wright, John Coxon en Ashley Wales (die laatste twee vormen samen Spring Heel Jack). Hier werd de kaart van het elektroakoestische experiment getrokken, waarbij het befaamde sopraansaxspel van Evan Parker, nog altijd van een duizelingwekkende complexiteit, centraal stond en aangevuld en gemanipuleerd werd door een jungle van geluiden via laptops, draaitafels en talloze effecten. Je had er het raden naar wie verantwoordelijk was voor wat, al deed dat er eigenlijk niet toe, want je werd deelgenoot van een collectieve muziekbrouwerij die je voerde langs labyrintische constructies en weidse vergezichten, langs abstracte verdieping en lullige volièreklanken. Opnieuw: een massa van klanken waarin het fijn verdwalen was zonder handleiding of kaart, al was een beknoptere duur misschien nog beter geweest.

De traditie binnenstebuiten gekeerd

In het recent verschenen boek How To Listen To Jazz van de Amerikaanse jazzhistoricus Ted Gioia zit er lijst van hedendaagse muzikanten (“The Elite 150 of Early- and Mid-Career Jazz Masters”, bah) die volgens de auteur ideale startpunten zijn om de jazz te ontdekken. Over zin en (vooral) onzin van zo’n lijsten kan je een boompje opzetten, en het is natuurlijk verleidelijk om te gaan kijken wie erin zit (en wie, verdomme, ontbreekt). Er zijn welgeteld twee Nederlandse vertegenwoordigers (en één Belg: zanger David Linx) – trombonist Ilja Reijngoud en rietblazer Joris Roelofs -, waarvan de laatste op Konfrontationen in duo speelde met drumlegende Han Bennink. Omdat Roelofs basklarinet speelde, was de link natuur snel gelegd met Eric Dolphy, wiens geest ook regelmatig door het concert waaide.

Dit concert vond al heel snel een aanstekelijk evenwicht tussen schuren, botsen en – hoe kan het ook anders met Bennink achter de kit? – swingen. Roelofs spreidde z’n techniek tentoon via ongebruikelijke technieken en lage, repetitieve figuren, ook met rijke melodieën die er schijnbaar moeiteloos uit gulpten. Afwisselend bluesy schuifelend en sensueel slepend, ook vief schetterend. Er zou Guillaume de Machaut en Mahler in zitten, maar zelf hoorden we eerder de verwijzingen naar Mengelberg, Dolphy, Monk en Basie. Kortom: de jazztraditie in dat Hollandse jasje, extra aangedikt door Benninks bekende strapatsen. Ergens wat voorspelbaar, maar ook bulkend van aanstekelijke energie en humor.

Het concert van het ICP Orchestra aan het einde van de tweede dag moet voor een van de grootste stijlbreuken in de Konfrontationengeschiedenis gezorgd hebben. Na de twee concerten van Radio Tweets en het kwartet Filip/Noid/Koch/Kobi, kan je moeilijk voor een nog groter contrast zorgen. Het was duidelijk welgekomen, want de ontlading achteraf was groot. In vijf kwartier liet het Nederlandse tentet horen dat het nog steeds heer en meester is binnen die vleugel. Ze zijn nog altijd de experten van de contrapunt en het samensmelten van lagen en geluiden, daarvoor moest je niet verder kijken dan de zesdelige suite “Picnic”, waarmee ze door dolle gekte, kamermuziekverfijning en traditie razen met een gretigheid die hen eigen is.

Het eerbetoon aan ICP-oprichter en improvisatie-icoon Misha Mengelberg werd vervolgens uitgevoerd met een dodelijke efficiëntie. Het tentet denderde als een trein, er werd ruimte gemaakt voor vrij spelende deelfracties, aan het dansen geslagen met exotische ritmes en even rondgehangen op meer ingetogen terrein via Baars’ ode aan Ives. Strijkers gingen de strijd aan met blazers (uitkomst onbeslist), ze speelden een heerlijke, lichtjes zwalpende versie van Ellingtons “Solitude” en een onbezorgd heupschuddende "Restless In Pieces". Zelfs na al die jaren is het effect nog altijd zoiets als overschakelen van grijstinten naar de explosie van een box kleurpotloden. De nadruk ligt op zorgvuldig uitgewerkte composities en arrangementen, maar de vrijheden die de leden zich daarbinnen permitteren leidt er toe dat je dit onmogelijk beu wordt.

Knallen

Geen improvisatiefestival zonder een paar muilperen. Ze waren dun gezaaid, de concerten waarin resoluut de kaart van de energie en het volume getrokken werd, maar het leidde een paar keer wel tot een hoogtepunt. Op papier stond de komst van Oliver Lake (present tijdens de allereerste editie in 1980!) en Donald Robinson al ingedeeld bij het betere vuurwerk. Lake katapulteerde zichzelf de jazzgeschiedenis in met het World Saxophone Quartet, en zijn werk daarbuiten wordt wel eens onderschat. Recente albums met Trio 3 en WiIllam Parker laten een artiest horen die nog lang niet uitverteld is. Of het te maken had met het feit dat hij aantrad na het “B” Quartet is niet duidelijk, maar Lake en drummer Robinson konden de verwachtingen niet helemaal inlossen.

Nochtans produceerde hij met zijn gebogen sopraansax een vurige vloed van expressiviteit, die door Robinson gecounterd werd met een rollende ondergrond van toms. Lake deed uitvoerig zijn al even indrukwekkende techniek uit de doeken, met snelle loopjes over de toonladder, bruuske intervallen en soms verrassend melodieuze uithalen. Het was soms moeilijk om een ingang te vinden in zijn taaie, schrille vloed, die soms kon omslaan in een fel pointillisme van snelle prikken. Op zich een prima performance, al leidde het nooit echt tot duo-vuurwerk. Daarvoor speelde Robinson misschien iets te gedienstig of had je te weinig het gevoel naar een tweespan op gelijke voet te kijken.

Het concert van Ken Vandermark, Steve Swell, Jon Rune Strøm en Paal Nilssen-Love was daarnaast een échte collectieve krachttoer (grappig weetje: de band stond geprogrammeerd op het festival voordat een van de leden ervan op de hoogte was). Van de eerste slag tot de laatste was dit een performance van een kwartet dat alles had van een gelooide band van gelijken. Zonder te verglijden in richtingloze hysterie of bot geweld, speelde het kwartet de hele set door op het scherp van de snee. Vandermark en Swell wisselden pijlsnel lijnen uit en teerden voortdurend op elkaars ideeën, terwijl de ritmesectie er stond als een onwrikbaar huis en een storm van ritme en textuur ontketende.

Vandermark zelf stond bij momenten zo vurig te spelen, met dat ene been vooruit, dat hij van het podium leek te willen springen, terwijl Swell voorovergebogen, haast diametraal tegenover de rietblazer, counterde met die wild scheurende trombone. Zelfs toen de saxofonist overschakelde op klarinet werd er niet aan energie ingeboet. Er zat een woeste razernij in deze muziek, én er zaten ook duidelijke Afrikaanse invloeden in de ritmes, terwijl Vandermarks liefde voor funk en old school r&b ook voelbaar was. Opnieuw werd ook duidelijk dat de man aanvoelt wat een concert nodig heeft, door het strategisch inzetten van repetitieve motiefjes en die door herhaling de intensiteit de hoogte in te laten jagen. Je zou kunnen zeggen dat William Parker, oorspronkelijk gepland als bassist, misschien nog meer groove in de band gestoken zou hebben, maar Strøms lijfelijke aanpak (we moesten even aan die andere geweldenaar, Peter Jacquemyn, denken) was op maat van deze eenheid. Het is nu al uitkijken naar meer, concerten of opnames.

En dan was er nog het Frans-Australische The Ames Room. Al langer een publiek geheim en nu ook goed voor een loeier van formaat op de slotdag. Een saxtrio, daarmee kan je de dag van vandaag amper nog verrassen, al hebben altsaxofonist Jean-Luc Guionnet, bassist Clayton Thomas en drummer Will Guthrie er intussen hun heel eigen draai aan gegeven. Hun set was een lange trip, waarbij associatief opgeschoven werd naar steeds nieuwe pieken en dalen (nu ja), waarbij vooral opviel hoe hecht en resoluut het trio bewoog. Dat ging vrij ingetogen van start, met een stuwing van een gedeelde, wentelende motor waarin de herhaling centraal stond. Cyclische patronen werden eindeloos gevarieerd en uitgebuit, abrupte stopjes versterkten de haast mechanische groove en er werkt gewerkt aan een verschroeiende heftigheid.

De muzikanten wisten zich stuk voor stuk te onderscheiden, speelden elk een cruciale rol. Guionnet met een haast minimalistische aanpak van zeurderige saxlijnen, Guthrie door een steeds transformerende, machtig opjuttende gebruik van patronen, en Clayton door in die muur van kracht toch nog op de proppen te komen met memorabele, pompende baslijnen die aankwamen als voorhamers. Het was een manische, hypnotiserende trip met de gebalde kracht van nietsontziende rock-‘n-roll-performance. De kreten die her en der opdoken tijdens het concert spraken boekdelen. Het was de stamp onder de reet op het ideale moment.

“We must remain strong and inspired”

Weinig muzikanten zijn zo nauw verbonden met het festival als drummers Hamid Drake en Michael Zerang. Beiden stonden ze aan de zijde van talloze kleppers van de freejazz en vrije muziek (en daarbuiten), maakten ze furore in Chicago, waar ze samen ook al jaren duoconcerten spelen, iets dat ze ook al kwamen doen in Antwerpen. De twee gingen van start met hun frame drums, waarmee ze een fraai vervlochten weefwerk lieten horen, dat afwisselend repetitief, vurig en hypnotiserend klonk, zeker toen Drake ook nog ging zingen. Zerang haalde er vervolgens nog een paar andere instrumenten bij, waardoor de sound er enkel nog rijker op werd. Voor het tweede deel namen ze plaats achter de drumkit, waar ze niet zomaar in elkaar haakten, maar ook hier een dialoog vol nuance en diversiteit aangingen. De spanningsboog werd even uit het oog verloren, al was ook hier het muzikale, soulvolle meesterschap overduidelijk.

Even opmerkelijk en relevant, was de korte toespraak die Drake – in 1979 al in Nickelsdorf met wijlen Fred Anderson! - hield tussen de twee luiken. Het was het moment waarop de obligate bedankjes te horen vielen (“Thank you for the craziness”, gericht aan Hans Falb), al was het ook een moment van persoonlijke betrokkenheid, die nog eens duidelijk maakte dat een festival als Konfrontationen, en bij uitbreiding alle initiatieven die mikken op engagement en verbinding via uitingen van creativiteit, een van de mooiste manieren zijn om om te gaan met wat er her en der gaande is. “We must remain strong and inspired”. Drake sprak William Parkers woorden uit zonder microfoon, maar je kon de hele tijd een speld horen vallen. Het was slechts een van de vele kleine mirakels die je op een festival als Konfrontationen kan meemaken.

E-mailadres Afdrukken