Banner

Pictish Trail + British Sea Power

17 mei 2017, Trix

Evert Peirens - 18 mei 2017

De tweede helft van de verzamelde werken van British Sea Power blinkt dan misschien vooral uit in middelmatigheid (Let The Dancers Inherit The Party kreeg hier onlangs nog een 6.0) maar dat mag geen smet zijn op de oersterke livereputatie die de Britten al jaren genieten. Trix nodigde hen uit om te bewijzen dat hun optredens nooit saai zijn, en enola kwam de maat nemen.

Onmiddellijk valt op dat de Trix Club gehalveerd is, met een verlaagd podium langszij, waardoor er maar plaats is voor een fractie van de normale capaciteit. We horen iemand de opmerking maken dat British Sea Power toch een grote(re) band is. Dat is half waar, maar een groots geluid maakt niet noodzakelijk een grote band. Voor we kunnen opmaken of de intiemere setting een zegen dan wel een vloek is, vraagt Pictish Trail (ofte hardcore ScotsmanJohnny Lynch, eigenaar van z’n eigen label Lost Maps) even onze aandacht.

Wij hebben maar weet van één eerdere muzikale verwijzing naar het Schotse oervolk, en dat is Pink Floyds “Several Species Of Small Furry Animals Gathered Together In A Cave And Grooving With A Pict”. Aan zo’n pict dus om het ijs te breken: spannend! De muziek van Pictish Trail is dat alvast; dat, en moeilijk vast te pinnen. We horen een soort spastische folk verdronken in een bad van elektronica, weer tot leven gewekt met psych. Enfin, apart dus. Zo ook de performance: voor de tweede song “Dead Connection” verklaart Lynch ons dood, want bij leven kunnen we natuurlijk niet begrijpen waarover dit nummer gaat. Over de doden niets dan goeds.

“Half-Life” kondigt Lynch aan als zijn Schotse inzending voor Eurosong, want zo redeneert hij, “hashtag Brexit”, eens onafhankelijk ... We leren ook nog dat Lynch op Eigg woont, een Schots eiland met 105 inwoners. “Als we nu op Eigg waren, dan was dit een enorme bijeenkomst”, grapt hij, en ja, wij lachen beleefd met zo’n slackercharme. Muzikaal lijkt Pictish Trail weinig raakvlakken te delen met de tourmakkers van British Sea Power, maar dat mag de pret niet drukken. Met even vlotte songs als babbels doet Pictish Trail zijn plaats en zijn métier als publieksopwarmer alle eer aan.

Eens British Sea Power ontspannen het podium, inmiddels opgefleurd met struikgewas, opwandelt, is duidelijk dat alle aanwezigen de voorzomeravond liever hier dan op een terrasje doorbrengen. Het kleine maar loyale publiek heeft geen nood aan enige mondelinge introductie: zanger-gitarist Yan steekt enkele keren een opgezette uil de lucht in, en weg zijn we met een rake renditie van “Machineries Of Joy”, titelsong van het gelijknamige album uit 2013. De verwachtingen voor de nieuwe lading songs zijn op die manier zo mogelijk nog hoger gespannen. Zanger-gitarist Yan kondigt nummer twee “Bad Bohemian” aan als een “intiemere versie”, om vervolgens toch voluit de kaart te trekken van de uitbundige hoop die de song biedt. Wat op plaat niet echt gebeurde, werkt live wel: iedereen voelt zich aangesproken. Deze kan gerust permanent in het liverepertoire.

De toon is gezet. Nieuwelingen “What You’re Doing” en “The Voice Of Ivy Lee” doen zonder meer wat nieuwelingen moeten: niet meteen willen overtuigen en gewoon een kans vragen. Daarna verwent de band, nu duidelijk in z’n sas, het publiek met een gierende versie van anthem “Waving Flags”. Stadionrock voor nog geen honderd man! Het monumentale “The Great Skua” volgt naadloos, en de instrumental is van zo’n pakkende geestdrift dat we durven zweren dat er enkele van de zeevogels boven onze hoofden scheren. Met de vertegenwoordiging van Do You Like Rock Music? bereiken we na zo’n twintig minuten een eerste hoogtepunt in de set.

Dat toont meteen ook de keerzijde van de medaille: de nieuwe songs, grotendeels weinig bekend, halen de opgebouwde sfeer weer wat omlaag. “Saint Jerome” en “Electrical Kittens” maken vooralsnog geen blijvende indruk. Ook wordt langzaamaan duidelijk dat er zowel in Yan als in broer Hamilton geen grote zangers schuil gaan. Niet dat dat deren mag: gitarist Noble en drummer Wood spelen vol overgave de pannen van Trix’ platte dak, en violiste Abi Fry legt met een onfeilbaar gevoel voor sfeer over alles een uiterst charmant laagje vioolmagie. Is op niet verklaarde wijze de grote afwezige: keyboard- en kornetspeler Phil Sumner. Vreemd.

De set moet zo ongeveer halverwege zijn, tijd voor een cover: “Tugboat” van Galaxie 500, uiteraard, dat in British Sea Powers oertijd al als een obscuur B-kantje fungeerde op EP The Spirit Of St. Louis. ’t Gaat de band wel af, de baldadiger versie van het origineel. We krijgen ook nog “Praise For Whatever”, maar de song die verzandt in onbelangrijkheid op plaat doet dat ook live, al is het de bron van de albumtitel. “Keep On Trying (Sechs Freunde)” dan: goed gebracht, en dit werkt beter, maar ook maar met mate. Leider Yan raakt heel kort en indirect de afwezigheid van Sumner aan: “Sechs Freunde, maar we zijn hier maar met vijf ...”. Tja. “Don’t Let The Sun Get In The Way” bewijst ook hier een sterke song te zijn, en biedt een glansrol voor Noble, want wat een fenomenale solo toch – hij verdient z’n moment. “Want To Be Free” is dan weer in hetzelfde bedje ziek als “Praise For Whatever” eerder: whatever.

Want “No Lucifer”, daar kwamen de echte fans voor – sorry, Let The Dancers Inherit The Party, maar ’t is voorlopig niet anders. Meer dan een nonchalante “easy”, terloops half in de microfoon gemompeld, heeft Yan niet nodig om de zaal mee te krijgen in het scanderen. Stadionrock voor nog geen honderd man, deel twee! De topper brengt de set naar een nieuw hoogtepunt, en we merken dat de finale is ingezet. Het gaspedaal blijft ingedrukt, en de band vlamt via uitgesponnen jams door ijzersterke versies van “Remember Me”, “The Spirit Of St. Louis”, “Carrion” en – kwestie van het samenkomen finaal te bezegelen – “All In It”.

Zo krijgen we op het laatst nog het “oudste” kwartiertje van de set. Het herinnert aan wat de band destijds op de kaart zette: ontwricht gitaargeweld gekoppeld aan meeslepende melodieën. Het tastbare verschil in animo dat ouder en nieuwer werk teweegbrengt, zal wel heel de tour lang een heikel punt zijn. Voor alvast een deel van de nieuwe songs (“Bad Bohemian”, “Don’t Let The Sun Get In The Way”) lijkt een mooie livetoekomst alvast helemaal niet ondenkbaar. Andere (“Praise For Whatever”, “Want To Be Free”) dreigen nu al de tand des tijds minder goed te doorstaan. Gelukkig ligt er genoeg materiaal op de plank om jaren vol spannende sets te blijven spelen.

E-mailadres Afdrukken