Ha’fest

28 & 29 april 2017, Handelsbeurs

Gowaart Van Den Bossche, Guy Peters en Lennert Hoedaert - foto's: Geert Vandepoele - 29 april 2017

Een concertzaal zoals de Handelsbeurs, daarvan heb je er geen twee in Vlaanderen. Een programmatie als vleesgeworden eclecticisme – klassiek, jazz, rock, experiment, het heeft er allemaal zijn plaats – in een statig gebouw in de Gentse binnenstad. Elk jaar gooit de zaal zijn deuren wagenwijd open voor een tweedaags festival als viering van die weidse muzikale paraplu.

Vrijdag 28 april

Op de eerste dag van het Ha’fest stond de albumrelease van het Antwerps-Gentse STUFF. centraal. Daarrond viel er echter ook nog wat lekkers te rapen. Zo poogde het Poolse duo Marcin Masecki en Jerzy Rogiewicz achteraan in de foyer moedig het rumoer te trotseren met swingende ragtime gebracht op piano en drums. Het programma kondigde daarbij een “ingenieuze ontsporing” aan, maar die hoorden we in feite niet echt gebeuren. Of het moet zijn dat de volbloed babbelaars in het publiek dat simpelweg overstemden.

Die ragtime kon qua contrast met de klankwereld die Hiele optrok wel tellen. Deed de jongeman aanvankelijk nog uitschijnen een rustig kabbelende set te brengen met tsjirpend gekraak, dan werd daar al snel een bescheiden barrage van beats en synthesizers tegenaan gegooid. Geen gezapige ambient hier, maar een soort abstracte techno vol rommelende beats als hartslagen die zichzelf vergallopeerden en vermolmde synths die onvoorspelbaar muteerden maar wel een opslorpende geluidswereld creëerden. Met dat verrassende klankenarsenaal liet Hiele zo een half uur lang een volledig eigen soundtrack bij de verkenning van nieuwe sterrenstelsels horen.

Ook STUFF. steekt de ambitie om een dergelijk avontuur van een klankband te voorzien niet bepaald onder stoelen of banken (ze spraken er zelfs expliciet van in ons interview met hen). Hun tweede plaat noemden ze Old Dreams New Planets, en de groep grossiert al enkele jaren in een hybride mengvorm van lepe hiphop en vettige funk die perfect zou passen in zo’n van de pot gerukte science fiction film. Was STUFF. vroeger nog een band die je kon beschrijven aan de hand van de verscheiden achtergronden van de vijf leden, dan is die groep nu hoe langer hoe meer het centrale referentiepunt aan het worden voor de heren. Een afgeladen volle zaal voor de voorstelling van die tweede plaat kan ervan mee spreken.

Die tweede plaat vormde hier de hoofdmoot van het materiaal, maar dan wel op eerder losse wijze. Tracks werden opengetrokken voor jams, werden vaak potiger gebracht dan op plaat, of waren slechts in flarden herkenbaar. Zijn de ritmes op plaat soms wat meer ingehouden, dan hoorde je hier duidelijk enkele nieuwe aspecten die de klank vormen, zoals bijvoorbeeld een duidelijke twostep-inspiratie in het drumwerk van Lander Gyselinck. Daarmee afgewisseld bracht de band nog wat onuitgebrachte jams die al even weids schipperden als het bekende spul, van ronduit nasty dubstep in de eerste bis, tot abstracte klanktapijten meer vooraan in de set. Met die eigengereide en gevarieerde aanpak wist het vijftal tamelijk goed anderhalf uur lang te boeien.

Hoogtepunten? Er was de lang uitgesponnen opbouw van “Axolotl” waarvan de ontlading doorheen de hele zaal voelbaar was. Of “Galapagos” dat als afsluiter van de set muteerde tot een vuile knaller die zelfs knipoogde naar jaren negentig house. Als kers op de taart was er dan nog tweede bis “Java” (een oldie uit de zelfgetitelde debuutplaat) dat kundig hertimmerd werd tot een alle kanten uit schietend epos: van synthgolven naar rammelende groove, naar een contemplatief basthema dat naar een kookpunt werd gedreven om dan nog eens dubbel zo hard in die originele groove te belanden.

Liet het vijftal daarbij soms de touwen misschien iets te veel vieren? Als je een groep verwacht die songs brengt, ja, maar als je er sowieso vanuit gaat dat de band zijn composities live onder de loep van de collectieve improvisatie legt, waarbij de bandleden elkaar opzwepen naar nieuwe hoogtes, nu eens hyperstrak dan weer wat chaotischer, dan wordt zo’n concert net enorm bevredigend. Dan hoor je hoe de leden als vanzelfsprekend een estafettespel aan het doen zijn om de leiding te nemen, of hoor je hoe ze na soms even te zoeken meesterlijk in elkaar haken tot een geoliede groovemachine.

Weinig andere Belgische bands doen het hen na. Dans Dans heeft een gelijkaardige maar iets rechtlijnigere dynamiek die de improvisatie rijkelijk omarmt, verscheidene jazzbands kunnen het ook maar weten meestal niet die frontale aanval op uw benen te bereiken. De Amerikaanse bands waarmee de groep soms vergeleken wordt zoals BadBadNotGood en The Robert Glasper Experiment zijn allemaal veel zwakker live. Dit concert bewees eigenlijk nog maar eens hoezeer STUFF. in zijn volledig eigen categorie zit.

Zaterdag 29 april

Waren blijven slapen in Gent: Marcin Masecki en Jerzy Rogiewicz, die zich opnieuw vastbeten in een resem klassiekers uit het pre-swingtijdperk. De drummer deed dat met een tot de essentie herleide kit (ook goed genoeg voor Sid Catlett, Han Bennink en Slim Jim Phantom), de pianist met een buffetmodel dat hij te lijf ging met een onstuimig enthousiasme, een lekker denderende linkerhand en een behendig trippelende rechtse. Het ene moment in de rollende ragtime-traditie, waardoor je je even in The Sting waande, en even later in de zone tussen Jelly Roll Morton en Fats Waller. Acrobatische old school weelde, maar het mooist van al was misschien wel hun versie van standard “Everything Happens To Me”, die na al die buitelende, ruwe randjes gebracht werd met een verrassende elegantie.

Ook een meerwaarde voor de tweedaagse: de danseressen van Ballets Confidentiels, die tijdens de eerste dag al de beentjes los gooiden op de bar, en ook nu verschillende performances lieten zien. In het korte “Breathing” zorgde hun ademhaling voor het ritmische fundament. Wat aanvankelijk erg strak en simultaan gebeurde, ging gaandeweg steeds meer lijken op een uitgebeelde machtsstrijd. Voor “Two Women And A Drummer” kregen ze gezelschap van João Lobo, die enkel gewapend met een snaredrum zorgde voor de nodige stuwing en strakheid.

En dan waren er nog de ‘reguliere’ concerten, die ook op deze tweede dag van een ongemeen hoog niveau waren. Twee soloconcerten vonden plaats op het terras aan de achterkant van het gebouw. Wat aanvankelijk leek op een rampzalige keuze (stemmen losten er meteen op), bleek iets later een gouden zet, want de blaasinstrumenten van Joachim Badenhorst (klarinet, basklarinet) en Mattias De Craene (sopraan- en tenorsax) kwamen er enorm goed tot hun recht, met een lichte galm die de muziek extra ruimte gaf, zonder dat het alle kanten uit vloog.

Badenhorst wist die akoestiek meteen al te benutten door zo ver mogelijk van het publiek te starten. Het werd een beweging waarbij afstand en stijl een impact hadden op elkaar. Hoe dichter hij kwam, hoe melodieuzer zijn spel werd. Het ging dus van start met zachtjes binnendruppelende plofklanken, waarin patronen leken op te duiken om meteen weer op te lossen. Terwijl kijklustigen aan de andere kant van de Leie argwanend over het water tuurden, ging Badenhorst steeds expressiever spelen, het hoge en lage register combineren met korte stoten én circulaire ademhaling, liet hij fraaie cyclische patronen opduiken die weer uitdunden naarmate hij weer achteruit stapte. Tijdens het korte tweede stuk zong hij door de basklarinet als een muezzin, liet hij het vocaliseren samenvloeien met diep gebrom. Het resultaat: een knap golvende trance-beweging.

Eric Thielemans en Karen Willems, die kan je niet zomaar labelen als drummers of percussionisten. Misschien maken ze met hun interactie wel duidelijk dat het er ook niet zo toe doet. Het zijn bovenal muzikanten, mensen die muziek spelen en spelen met muziek. Ritme, dialoog, impulsiviteit, spontaniteit. Daarbij hoef je je niet te verwachten aan hechte patronen en strakke uitwisselingen, evenmin aan staaltjes van technische virtuositeit, maar wel een ongedwongen onderonsje dat bij momenten suggereerde dat de wereld daarbuiten even niet van tel was. Kijken naar Thielemans en Willems is eigenlijk een intieme daad, zoiets als getuige zijn van een gesprek tussen minnaars. Er is dan ook geen sprake van climaxwerking of behaagzucht, waardoor je klassieke verwachtingen het beste overboord gooit.

Mooi om te zien hoe Thielemans erbij zat: ontspannen, losjes vanuit de pols spelend, soms met een gelukzalige glimlach. Aan de andere kant de immer bewegende Willems, de vleesgeworden ongedurigheid, rotzooiend met de drumkit en een kleine aanhangwagen vol objecten, van belletjes en fluitjes tot knikkers en rondzwiepende darmen. Mogelijke referenties? Sven-Åke Johansson, Kris Vanderstraeten en de instapklas van juf Inge. Het schuifelde, ratelde, ritselde, schraapte als een ontsporend verbeeldingsatelier, waarbij het betasten, de aanraking, centraal stond. Plots zat Willems een potje air hockey te spelen op haar snare drum, en liet Thielemans het beschikbare materiaal voor wat het was, om de handen op elkaar en zijn lichaam te slaan.

Interactie van de soort die je eigenlijk live moet kunnen meemaken, omdat beweging en betrokkenheid zo’n grote impact hebben. Bovendien moet je zelf kunnen vaststellen hoe die potten- en pannensound ontstaat en wat er allemaal mogelijk is. Of anders gezegd: hoe een schijnbaar persoonlijk pleziertje je een en ander kan bijbrengen over verwachtingen en conditionering. Spontaan, speels, speciaal en bovenal: bevrijdend.

De bevrijding van Yodok III was daarna van een heel andere soort. Het drietal heeft in zijn bestaan nog niet zo heel veel concerten gespeeld (wat wil je ook, je kan een A4’tje vullen met een lijst van hun bands en projecten), maar die groeien wel steevast uit tot rituelen met een massieve impact. En als het trio enkele dagen eerder al indruk maakte in Antwerpen, dan gingen ze nu, mede geholpen door een ronduit fenomenale sound, nog een paar trapjes hoger schakelen. Zo’n ritueel begint doorgaans op fluisterniveau – met aanzwellend elektronisch gebrom, de zingende gitaareffecten van Dirk Serries en zacht geritsel van drummer Tomas Järmyr -- maar waar je vervolgens belandt, en vooral hoe je daar geraakt, is elke keer weer afwachten.

De bewerkte flugabone-golven van Kristoffer Lo vormden al snel een verweven ondergrond met het herkenbare, in effecten gehulde gitaarspel van Serries, dat aangevuld werd met het zachte cimbalenwerk van Järmyr -- de joker van dienst -- die brushes, finesse en behendigheid aanwendde om de muziek al helemaal een zachtjes sudderende, sacrale grandeur te bezorgen. Maar intussen weet je al dat het niet blijft bij het vakkundig stapelen van loops en patronen, maar dat het om een geduldige climaxwerking gaat waarbij de band soms tergend traag opschuift. Zo traag dat je je afvraagt of ze dat plafond nu al bereikt hebben, maar net dan schakelen ze dat trapje hoger.

En dan gaat het boeltje aan de kook, nemen volume en densiteit toe, gaan golven van melancholie de strijd aan met een steeds dwingender stuwing. Jarmÿr pakte uit met een kort patroon, een combinatie van een galeienstoot en een doodssalvo, om dat vervolgens minutenlang aan te houden met een koppig beukende, repetitieve intensiteit. Maniakaal en verzengend, en dan begint hij er ook nog eens mee te variëren en er extra fills tussen te zwieren. Een hectische, elektrisch geladen performance die in combinatie met de steeds emotionelere kreten van tuba/flugabone en de texturen van Serries voor een ondraaglijke, withete spanning zorgde. Het einde mocht dan wel sereen en elegant zijn, Yodok III haalde uit met een verwoestende intensiteit die nog lang nazinderde.

Wat een contrast. Het ene moment word je om de oren geslagen met een overrompelende muur van geluid, en even later zit je buiten te kijken naar het soloconcert van Mattias De Craene. De saxofonist die vooral bekend is van Nordmann, is recent in een ambitieuze kramp geschoten, waarvoor hij ondersteuning krijgt van de Handelsbeurs. Onlangs stelde hij al trio MDC III voor, maar deze keer deed hij het dus op z’n eentje. En zorgde hij misschien wel voor de verrassing van de dag, want zijn korte, tweedelige performance liet horen dat hij veel meer is dan een toeteraar in een jazzrockband (niet dat die band doorsnee is).

De sopraansax bleef het grootste deel van de tijd naar de grond gericht, maar ook nu kwam de akoestiek de muziek helemaal ten goede. De Craene speelde met een doordachte, soms repetitieve aanpak, waarbij hij fraaie golfbewegingen regelmatig afsloot met een krachtige stoot als een muzikaal uitroepteken. Lyrisch fladderende arpeggio’s zijn niet enkel het handelsmerk van een Colin Stetson; ook De Craene deed er z’n voordeel mee en wist het erg geslaagd te combineren met ruwere texturen. Ook in zijn stuk voor tenorsax maakte hij indruk. Zijn wat zangerige timbre en die combinatie van soulvolle serenade en vrije exploratie herinnerde hier en daar zowaar aan het solowerk van een Joe McPhee, waarin melodie en grove timbres (met soms lekker brallerige uitschieters) ook samengaan. Een rokerige toon ging hand in hand met lichtvoetige notenbuien. Toeschouwers aan de overkant van de Leie keken nog maar eens verbaasd toe, terwijl wij vooral dachten: verdomme, hij heeft het.

Wat dan al een bijzonder geslaagde dag was, ging gewoon op dat elan verder met het Carate Urio Orchestra van Joachim Badenhorst, dat z’n vierde, in bananenpapier verpakte lp mee had. Garlic & Jazz, volgens de leider zegt het helemaal waar de band voor staat. Dat is nog altijd een originele en spontaan klinkende kruisbestuiving van songs en improvisatie, soul en inventiviteit, met momenten van pakkende breekbaarheid, hartverwarmende melodieën en omwegen langs verrassende arrangementen en slechtverlichte kronkelpaden. Ook mooi is dat de band voortdurend in beweging blijft, want ook al werd het concert aangekondigd als een albumvoorstelling, het septet speelde intussen ook nieuw materiaal dat nog niet op een album beland was.

Hier en daar kon je ook voelen dat het nieuw was. Er hing wat onzekerheid en twijfel in de lucht, en er moest oogcontact gehouden worden, al is de lijn tussen wat gebeurt en wat de bedoeling is sowieso niet altijd duidelijk te ontwaren. Dit is immers geen band die met strakke hand geleid wordt en waarin elk z’n plaats moet kennen. Het mag al eens schuren in die hymneachtige passages, aanzwellende combinaties en momenten die soms verrassend veel doen denken aan flirterige 70’s soul. Of plots is er zo’n song als Sam Kuliks “Portsmouth, 1783”: een sepiakleurig stukje singer-songwritersambacht dat even onderbroken wordt voor een carrousel van onwereldse geluiden, om uiteindelijk te belanden bij een innig mooie finale.

Een ander, nieuw stuk van Kulik baadde even in een Haden-achtige zwier, maar sloeg gaandeweg om in “Mosselman”, met een sputterende ruistrompet van Jacob Wick, een huilende trombone en bassist Pascal Niggenkemper die even overschakelde op een Indische sarangi. Het leidde net als op het album tot een grommende, donderende climax, waarin de oerkreten van die andere bassist, Brice Soniano, oplichtten als ritualistische gezangen. Daarna was het terug naar popterrein, met een lichtjes zwalpende zangpartij van Badenhorst, die even suggereerde dat het boeltje op instorten stond, maar in werkelijkheid de baan opende naar een zoveelste fraaie finale. Tenslotte mocht Sean Carpio’s ‘oudje’ “År Antiphon” nog eens opduiken in een eindspurt die alle vaste CUO-elementen -- van fragiele intimiteit tot noise en uitbundige liefdesfanfare -- nog eens op een hoop gooide. Ook hier was die kleine stormloop naar de merch-tafel helemaal te begrijpen.

Muisstil is het in de Handelsbeurs wanneer Illuminine aan zijn set begint. En dat zal gedurende de meer dan een uur durende show niet anders zijn. De zevenkoppige band rond de timide Kevin Imbrechts toont zich meester in muzikale onthaasting. Ze komen de nummers van Imbrechts’ tweede plaat, simpelweg #2 getiteld, voorstellen. Ook voor dat nog maar net verschenen album trok de sympathieke Leuvenaar naar IJsland. Hij kon er opnieuw met Birgir Jón Birgisson, de geluidsman van Sigur Rós, zijn slaapkamerliedjes inblikken (lees: van een nog zachter laagje voorzien).

De in het pikdonker spelende muzikanten laten met strijkers, blazers, piano en elektronica elk nummer als een bloem openbloeien tot bloedmooie klanklandschappen. Daarbij komen af en toe sobere projecties tevoorschijn, zoals op een gegeven moment van een duister boslandschap. Dan is het onmogelijk om niet te verdwalen in de muziek van Illuminine. En zo is het ook aangenaam wegdromen in een minimalistisch “For What It’s Worth” en het gloednieuwe “Be Wise, Take Care”.

Sommige nieuwe nummers doen ook vertrouwd aan, en dan dreigt de valkuil van gewenning. Voor wie erin slaagt in de juiste zone te geraken, is dat net een goed teken. Hoe dan ook blijft deze soort van postrock, ambient en neoklassiek live een zeer delicate oefening. Zo is er een nummer met wat distortion, maar toch blijft het geheel heerlijk harmonieus en licht klinken, anders zou het niet Illuminine zijn. Dat is de verdienste van Wouter Dewit op piano, Mathijs Bert en Beatrijs De Klerck op viool. Trompettist Dirk Timmermans krijgt dan weer een glansrol in “Dear, Eulogy”. Ook de extra gitarist en celliste verdienen alle lof.

Vaak wordt Illuminine in één adem genoemd met Jan Swerts en Ólafur Arnalds, maar wij moeten ook door het rustgevende effect aan Arvo Pärt en het zachtste werk van Max Richter denken. Omdat er op die melancholische lijn niet één uitzondering gemaakt wordt, is een uurtje Illuminine dan ook voldoende. Niettemin is het een (verwachte) schitterende afsluiter van Ha’fest. De betoverende IJslandse landschappen lagen voor een avond in Gent. Schaf zijn tweede plaat maar blindelings aan in plaats van een afspraak te maken bij Dirk De Wachter.

E-mailadres Afdrukken
Tags: STUFF.