Jambinai

27 april 2017, STUK Leuven

Maarten Langhendries - 29 april 2017

Neen, postrock is nog niet dood, en dat zullen ze in het STUK geweten hebben. Daar mochten de vloer en het plafond meetrillen met de geluidsgolven van Jambinai.

Voor het Zuid-Koreaanse vijftal aan zijn oorsuizingsmissie begon, kwam Muziekvereniging De Clingse Bossen hun debuut, binnenkort te verkrijgen op Consouling Agency, voorstellen. Het duo, dat klinkt alsof er minstens drie keer dat aantal muzikanten op het podium staat, brengt heel kort door de bocht een mix van de dynamiek van postrock en de nadruk op ritme uit mathrock. Enkel het laatste nummer kende een meer klassieke opbouw en uiteindelijk doen de twee vooral heel hard hun goesting. Wees dus niet verbaasd als ze de occasionele stonerriff doorheen hun rare gitaargeluid en elektronische bliepjes jagen. De humor van hun titels ("Soep", "Someone Broke My Bongos" of "C'est La Faute à Depeche Mode", iemand?) trekt zich door in hun muziek, zonder die daarmee belachelijk te maken. Om in de gaten te houden.

Na de Muziekvereniging betrad Jambinai het podium met zijn eigenzinnige mix van postrock en traditionele Zuid-Koreaanse muziek. Hoewel de band naast een gitaar, een bas en een drum ook instrumenten als een haegeum en een geomungo meesleurt, is dit geen hapklare brok voor de gemiddelde wereldwinkelklant. De geest van Black Sabbath is nooit veraf in de soms loodzware riffs van de band. Het gebruik van traditionele instrumenten wordt echter nooit een gimmick maar zorgt voor een wezenlijk verschil in de klank van de muziek, ook al is de opbouw en de basis van gitaar-bas-drum in veel van de nummers vrij conservatief. Daardoor voelt de muziek van de groep toch als fris aan binnen een genre dat al ontiegelijke malen dood verklaard is.

Sinds ze vorig jaar werden opgepikt door Bella Union, dat hun tweede plaat Hermitage uitbracht, gaat het hard voor de band. Intussen werd hun debuut Differance ook heruitgebracht door dat label en tourden ze dit voorjaar door Europa. Op Hermitage stonden goede en inventieve nummers maar de balans zat soms wat scheef, waardoor de plaat soms een weinig effectief bombardement werd. Live wist Jambinai wél te balanceren en kreeg je toch wat ademruimte tussen de zwaardere stukken. Ook de gelaagdheid van de nummers en de kleine extra arrangementen kwamen beter uit de verf. Zo waren de nummers hier niet zo eendimensionaal als op Hermitage soms wel het geval was.

Het snerpende "Deus Benedicat Tibi", waarin frontman Lee II-woo op een taepyeongso (een soort trompet) blies, diende als introductie. Alle bandleden roffelden eens stevig door op hun instrumenten, als het ware om te testen of ze wel naar behoren werkten. "Mountain" trok je daarna mee in de trip die het concert zou worden. De hoofden begonnen meer en meer op en neer te gaan naarmate het nummer zijn climax bereikte. "Echo Of Creation" bood een combinatie van een betonnen geluidsmuur en etherische gezangen. De zware riffs hakten er nog steviger in dan op plaat, maar ook de zachtere stukken werden meer uitgediepte en waren nadrukkelijker aanwezig. Veelal speelde de haegeum, die een spookachtige laag over de zaal legde, daar een essentiële rol in. Het melancholische "For Everything That You Lost" mocht zo bijvoorbeeld gewoon mooi zijn, waarbij opnieuw opviel hoezeer de Zuid-Koreaanse instrumenten de unieke klank van de groep bepaalden. Langzaam ontspon zich een elegante gitaarlijn die zich kon meten met het mooiste van Explosions In The Sky. Daarmee doen ze een beetje denken aan ons eigenste Razen, nog zo'n groep die met oude instrumenten inventieve en vooruitstrevende muziek maakt.

Lee II-woo leidde "They Keep Silence" in door even stil te staan bij de scheepsramp met de veerboot Sewol uit 2014, waarbij bijna 300 (voornamelijk) jongeren omkwamen. Hoe hard die ramp – en zeker de stilte waarin de regering zich hulde – op de band ingehakt heeft, blijkt uit de bal agressie die dit nummer is. Een moddervette bas gaat de strijd aan met de geomungo om een basis te leggen waarop de gitaar en haegeum helemaal loos kunnen gaan. "Naburak" ging met zijn hevige ritmes op hetzelfde elan verder, maar afsluiter "Connection", een troostende introspectie, legde die woede dan weer neer door gewoon overdonderend mooi te zijn. Het nummer is waarschijnlijk het meest conventionele uit de set, maar als een postrocksong zo mooi gebracht wordt, doet dat weinig ter zake. De bis kon zich meten met het brutaalste van Mogwai, waarbij een wall of sound traag zijn oevers verlegde.

Jambinai blijft zo een groep voor zij die de platgetreden paden van het genre even willen laten voor wat ze zijn, zonder daarbij al té veel van de vertrouwde weg af te gaan. Met hun instrumentarium weet de groep nét dat tikkeltjes anders te klinken zonder dat het exotiserend overkomt of echt bevreemdend wordt. En neen, dit was geen vlekkeloos optreden en de band kon op sommige momenten ook minder bezwerend zijn, maar over het algemeen vond Jambinai wel een goeie balans tussen zalven en slaan. Hopelijk kan de groep dat in de toekomst ook op plaat doortrekken.

E-mailadres Afdrukken