Tjens Matic

6 maart 2017, AB

Matthieu Van Steenkiste  - foto's: Mario Pollé - 07 maart 2017

Eerst was er Tjens Couter, toen TC Matic. Vandaag, zevenendertig jaar later, grijpt Arno met Tjens Matic terug naar die opwindende periode waarin hij het Amerika van de blues voor een veel interessanter Europa inruilde. Het was meteen lang geleden dat we le plus beau nog eens zo messcherp hadden gehoord.

Met de regelmaat van de klok, als ging het om onze eigen Morrissey en Marr, duiken speculaties op over een reünie van TC Matic. Het komt er maar niet van. Kunnen Arno Hintjens en gitarist Jean-Marie Aerts nog altijd niet door één deur? Geen idee, maar je zou het bijna gaan denken nu Arno met zijn nieuwste project teruggrijpt naar de periode dat hij met Paul Couter van Tjens Couter (TC, hebt u hem?) naar TC Matic evolueerde. Couter zou al snel baan ruimen, TC Matic implodeerde zes jaar later na een slopende tour door een winters Europa.

Misschien is dit dus het dichtste dat Hintjens nog kàn komen bij zijn oude verleden. Zonder Aerts, mét een jong trio in de rug dat het innovatieve geluid van toen uitstekend kan herscheppen en naar eigen inzichten kan kneden. Want uiteindelijk is dat ook wat toen gebeurde: na een trip naar Amerika zag Arno in dat hij nooit de blues zou spelen zoals ze bedoeld was, en dat dat ook niet hoefde; hij had Europa met zijn eigen muzikale tradities om inspiratie uit te putten. En dus werd het klassieke rockgeluid van Tjens Couter -- nochtans ooit met een single tot op de jukebox van CBGB's geschopt, meneer -- uitgepuurd tot een hoogst uniek geluid.

Je hoort het vandaag nog in sommige Tjens Coutersongs, hoe ze ooit nog maar een glimps lieten horen van wat TC Matic later zou worden. "The Milk Cow" is bijna vuistpompende pubrock, waar de zanger een klassieke, snerende mondharmonicasolo zal doorjagen. In "Gimme What I Need" schemeren ook nog de jaren zeventig van leren broeken en lange haren met baarden door; de eigen stem nog maar een verre schim aan de horizon.

Niet dat hier een coverbandje staat te spelen. Het trio achter Hintjens zet de songs naar zijn hand, geeft ze een update die het doet passen bij het latere werk, en vertimmert meteen ook het veel recentere "Meet The Freaks" (van op Arno's soloplaat Water uit 1994) tot het bijna onherkenbaar wordt. Vooral gitarist Bruno Fevery laat zich opmerken: hij geselt zijn gitaar, perst er de dwarse noten van "Middle Class And Blue Eyes" uit alsof hij het geluid zelf heeft bedacht, en domineert in "Le Java", waarin zijn instrument als een haantje het hoogste woord opeist. Terecht, alleen dit soort geluid kan, neen durft, de immer aanwezige Arno in de rede te vallen.

Want het is niet le chevallier die hier het belangrijkste is. Die ploegt zich ook maar manmoedig met zijn oude knoken door de set. "Ja, ik ben zenuwachtig", begroette hij het publiek nog voor één instrument was opgepakt, hij verliest zich ook zelden in de eindeloze drietalige bindteksten waar hij anders al eens de vaart mee uit een optreden haalt. Ook hij stelt zich gewoon ten dienste van dat imposante, vette geluid, deze hoogst eigenzinnige songs. "Viva Boema patatten met saucissen"; wie durft dat vandaag nog schrijven, en raakt er mee weg omdat het wél op een rubberen discobaslijn is gezet waar die gitaar -- die gitaar!, we gaan het nog eens zeggen -- zijn hoogst eigenzinnige, dwarse ding op doet?

Het scheurt, het stampt, het rockt en het rolt. "No Job No Rock" haalt zwaar uit, "Saturday Night Queen" is een brute, nukkige tango zonder seks. Kraftwerk voor gitaristen, disco voor autisten. Het is briljante grootstadmuziek die smeekt om nat tarmac en wazig gereflecteerde rode lichten. Hortend en stotend, maar dansbaar; post-punk, maar dan zoals het enkel in het absurdistische hart van Europa kon ontstaan. En ja, dat lag begin jaren tachtig ongeveer in Oostende.

Dit is de broodnodige schop in de kloten die Arno al jaren nodig had, en die hij ten langen leste zichzelf dan maar heeft gegeven. Ze is aangekomen. Er moet voor één keer geen stoeltje bijgehaald, "Honey Bee" mag thuisblijven wegens te traag. Hier werd doorgesjeesd aan een tempo dat eigenlijk vereiste dat er geen bisnummer kwam, maar dat "Bye Bye Till The Next Time" -- natuurlijk is dat het afscheid -- meteen als orgelpunt aan de set plakte; soms zijn die showbizzwetten ook maar gewoon onzin, en wie vooraf al aankondigde dat hij "Oh La La La" en "Putain Putain" niet zou spelen, heeft al aangegeven dat hij zijn gat daar aan veegt. Maar dat het vâchement bien was, dat wel. "Rock is dead, Marx is dead, The Beatles are dead, en ik ook", knipoogt Hintjens voor het meebrulbare anthem "Forget The Rest, Take The Best". Onzin, noenkel is nog nooit zo levend geweest. Geef Tjens Matic deze zomer een groot festivalpodium en de headliners du jour kunnen inpakken. Rock leeft, en zijn naam is na bijna veertig jaar maar een beetje veranderd.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Tjens Matic