Banner

Flying Horseman

2 maart 2017, Handelsbeurs

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 05 maart 2017

Dat het de bedoeling was om op 3 maart al iets geschreven te hebben over het concert van Flying Horseman in Gent, maar dat een dode Nederlander daar een stokje voor stak. Met het overlijden van Misha Mengelberg verloor de internationale muziekgemeenschap immers een van zijn meest geroemde en beruchte vrijbuiters, een artiest die als geen ander zijn rol van muzikant oversteeg. Mengelberg was een pianist, componist en bandleider, maar ook een nar tegen wil en dank, en een provocateur die toeschouwers, maar ook zijn collega-muzikanten soms het bloed vanonder de nagels haalde.

De link met Flying Horseman? Die is er misschien niet, of toch niet duidelijk. Al is voorman (later meer over die rol) Bert Dockx wel al jaren een toegewijd liefhebber van deze über-saboteur, die de jazztraditie op zo’n manier wist binnenstebuiten te keren met tactieken uit vrije improvisatie, Fluxus en ouderwets Hollandse weerbarstigheid (die hij binnen de jazz op de kaart zette, met de hulp van o.m. Han Bennink en Willem Breuker), dat het steeds opnieuw een confrontatie opleverde met wat muziek kan zijn. Mag zijn. Zou moeten zijn. Er gaapt een grote afstand tussen de op lemen voeten hinkende stukken van Mengelberg en de zorgvuldig gearrangeerde nachtmuziek van rockband Flying Horseman, dus als je al wil gaan vergelijken, dan moet je het eigenlijk al gaan hebben over het niveau van de resultaten en het eigen karakter, al kan je je ook niet van de indruk ontdoen dat de Belgen, ondanks de duidelijke rol van Dockx, steeds meer afstevenen op het overboord gooien van een klassieke bandhiërarchie, een van Mengelbergs stokpaardjes.

Drummer Alfredo Bravo zit centraal, terecht, als de wentelende motor die hij is. Milan Warmoeskerken, die hiervoor vooral een gitaar in z’n handen hield en soms plaatsnam achter een toetsenbord, draaide die rol nu om. Hij ontfermde zich, misschien omdat hij meer kan meebrengen uit Mittland Och Leo en soloprojecten, nu meer over elektronica. Ook de Maieus en bassist Mattias Cré lijken nu sterker hun troeven te kunnen uitspelen: de afwisselend spooky en sirene-achtige zangpartijen, enorm gelaagde en soms dissonante synthgolven en -klieders, de soms per song verschillende benadering van speeltechnieken, waardoor trance-opwekkende grimmigheid in een vingerknip kan overslaan naar een exotisch getinte, meer op de ledematen inwerkende invalshoek.

Flying Horseman kreeg onlangs de kans om in De Singel wekenlang in alle rust en comfort te werken aan een nieuw programma. Daardoor trokken we deze keer dus zonder voorkennis van het materiaal naar de zaal (laten we dus ook niet pronken met een setlist, alsof we weten waarover we het hebben). Het was afwachten en verrast worden. Of net niet, want Flying Horseman heeft intussen zo’n beetje z’n draai, sound en stijl gevonden, en dat werd ook nu bevestigd. De band mag z’n actieradius misschien zachtjes uitbreiden en (misschien eerder) verdiepen: het is een aanpak die je intussen uit de duizenden herkent, een cadans die zich al onder de leden genesteld heeft, met DNA-vlokken die in talloze wendingen, melodieën, tekstflarden, ritmes, inkleuringen en combinaties van dat alles weggestopt zitten.

De muziek, die voorgesteld werd als ROOMS / RUINS, was afwisselend broeierig en theatraal, intimistisch en gejaagd, als vanouds voorzien van een zorgvuldig in balans gehouden samengaan van licht en donker, sterk gestuurd en vrijelijk uitwaaierend, en heen en weer stuiterend tussen het persoonlijke en maatschappelijke. Het snijvlak tussen het verkennen van de individuele obsessies en emoties, en de drang om naar buiten te kijken, observeren en becommentariëren, is intussen uitgegroeid tot de habitat van Dockx en de zijnen. Dat leverde ook nu weer tekstflarden op die misschien voortkomen uit triviale herinneringen of gebeurtenissen (aangedikt door een grijns die er nu en dan bijkwam), maar net zo goed gebukt kunnen gaan onder de politieke en sociale malaise die ons het voorbije jaar omringde.

Het eerste deel (van drie) van de voorstelling was alleszins al voldoende om ons eraan te herinneren dat de band nog altijd tot het beste van de Belgische rock-'n-roll behoort. Hoe een sober walsend stuk uiteindelijk, via een heel aantal omzwervingen en langs sluipwegen, weer belandde bij muziek van de nacht, werd uitgevoerd met meesterlijke controle. Om de impact van Warmoeskerkens verschuiving klaar en duidelijk te ondervinden, moest je maar wachten tot de tweede song, waarin een aanhoudende elektronische loop je meenam naar het terrein van Kraftwerk en Cans “Millionspiel”. Het werd een daverende excursie met een steeds dwingende ritme dat pompte met een haast machinale stuwing. Pure hypnose.

Of die derde song, gebouwd op tricky ritmes, met hardhandig gepluk van de bassnaren, een soort van venijnige grootstadsmélange die eigenlijk enkel de vroegere variant van TC Matic als (vaag) referentiepunt heeft. En Dockx maar kniestoten uitdelen, wringend en sleurend aan die snaren, met Bravo die afwisselde tussen elektronische en akoestische drums met indrukwekkende strakheid. Gaandeweg werd duidelijk dat de voorstelling niet zozeer draaide rond nieuwe verkenningen, maar een exploratie van de eigen identiteit, de collectieve kern. Daarmee herinnert de band soms aan het rijtje van andere bands die al vroeg beschikten over eigen kleuren, temperament en muzikale grammatica, maar die eindeloos van binnenuit bleven vernieuwen. Talk Talk, Talking Heads, Radiohead, Nick Cave & The Bad Seeds, Roxy Music. We zeggen maar iets.

En zo werden we zeventig minuten overgeleverd aan een sextet dat elke song opnieuw aansneed als een puzzelwerk dat voortdurend in beweging bleef, waarin de stukjes steeds opnieuw andere verhoudingen aannamen. Het ene moment wat bedeesd, even later met een woeste epische grandeur (deel twee, nummer vier) of een amper onder controle gehouden expressiviteit (deel drie, nummer twee), om te belanden bij de bijna complete duisternis, letterlijk en figuurlijk, van de slotsong. Als er al foutjes in de set zaten, dan viel daar weinig van te merken, de band heeft intussen genoeg ervaring opgebouwd. Maar Flying Horseman is wel een band die steeds beter wordt naarmate het materiaal vaker uitgevoerd wordt (een ziedende versie van bisnummer “Brother” sprak boekdelen), en tekstvel en debuutstress ingeruild worden voor gezonde adrenaline en meer routine. En dat belooft dus voor degenen die de komende weken naar de concerten gaan.

Misschien nog dit: een Nederlandse improvisator beweerde na het nieuws van Mengelbergs overlijden dat diens invloed zo ver reikt, dat we het misschien aan hem te danken hebben dat het label ‘eigenzinnig’ al jarenlang een positieve connotatie heeft in beschrijvingen van moderne jazz (en misschien ook rock-‘n-roll). Zo is er ook weer een link met Flying Horseman, een band die na een imponerend parcours beland is in een eigen universum. En dit concert was een demonstratie van een band waar voorlopig nog geen maat op staat. Te beleven.

Meer speeldata op de website.

E-mailadres Afdrukken