Banner

Amado, McPhee, Kessler & Corsano + Cement Shoes

1 maart 2017, De Singer

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 02 maart 2017

Verzamelen geblazen in de Noorderkempen, waar De Singer, dat de krachten gebundeld had met Sound In Motion, bezoek kreeg van enkele zwaargewichten uit vrije regionen. Goed vier jaar nadat This Is Our Language, een plaat met een titel die eigenlijk voor zich spreekt, opgenomen werd in Lisbon, komt het kwartet opnieuw samen voor een reeks van negen concerten. Zoals Rodrigo Amado meegaf in Rijkevorsel (dat daar toch maar mooi tussen Oslo, Londen, Kopenhagen, Amsterdam en Lissabon staat), leek het wel alsof de draad gewoon opgepikt werd waar ze die destijds achtergelaten hadden.

Er zat wat vertraging op de release van het album, dat pas in 2015 verscheen, maar het kon rekenen op enthousiaste recensies (ook bij ons vindt u er zo eentje), en werd door o.m. het internationale The Free Jazz Collective uitgeroepen tot album van het jaar. Hoog tijd dat er dus ook een paar concerten aan gekoppeld werden. Het internationale kwartet werd voorafgegaan door een nieuw trio dat ook volk uit verschillende landen bij elkaar bracht. Cement Shoes bestaat uit Gonçalo Almeida (elektrische bas), Giovanni Di Domenico (Fender Rhodes) en Balázs Pándi (drums), waarbij de eerste twee elkaar kennen van o.m. Tetterapadequ, en de derde hier vooral bekend is door zijn samenwerkingen met Merzbow, Mats Gustafsson, Wadada Leo Smith en Joe Morris.

Een trio dat de belofte van volume en geweld meebracht, al viel dat in werkelijkheid nogal mee, want de drie bleven vooral rondhangen in broeierige oorden, die het meer moesten hebben van sudderen onder het oppervlak dan bruut expressionisme. Pándi drumde eigenlijk zeer sober en focuste zich aanvankelijk vooral op de cimbalen, terwijl Almeida een borrelende ondergrond creëerde en Di Domenico zo’n beetje de joker van het gezelschap leek; degene die de vrijheid kreeg en het speelterrein voortdurend doorkruiste met spacey uithalen die soms weggeplukt leken uit jamsessies van de vroege jaren zeventig, maar net zo vaak uit klankgeklieder met drone-effecten.

Het was niet meteen duidelijk waar het naartoe ging, en dat zou het eigenlijk nooit worden, want het samenspel moest het niet hebben van duidelijke trajecten of sterke dynamische verschillen. Er was een voelbare interactie tussen bas en drums, hier en daar leek het wel alsof er wat afspraken waren om te versnellen, vertragen en verdunnen, maar pas na een kwartier was er een krachtig moment dat je als een piek kon beschouwen. Een tweede stuk ging aanvankelijk van start met zwalpende Rhodes, die soms klonk als een gesjeesd, schreeuwerig lunapark, met later samenspel dat iets nerveuzer klonk, maar niet losbrak van de speelzone. Het was een interessante sound, maar met iets te weinig dynamiek of misschien volume om de beoogde impact te bereiken.

Het kwartet van Rodrigo Amado, Joe McPhee, Kent Kessler en Chris Corsano voelde ondanks een totaal verschillende sound ook niet de noodzaak om meteen in z’n kaarten te laten kijken. Met de titel This Is Our Language werd al een richtingaanwijzer gegeven, maar het zou dom zijn om de band te beschouwen als een doorsnee freejazzband. Daarvoor zijn deze muzikanten te ervaren en hebben ze in de loop der jaren stuk voor stuk een te persoonlijke stijl ontwikkeld. In Kesslers geval kwam die niet altijd tot uiting, omdat zijn bijdrage in de meer gevulde, drukke momenten wat naar de achtergrond verdrongen werd, maar het werd wel snel duidelijk dat het inzetten van Corsano een gouden zet is binnen deze band: hij is een immens attente, beweeglijke en veelzijdige drummer, een koning van het detailspel met een imponerende controle over klankkleur en zelfs pitch van de vellen, en zelfs op laag volume erg dynamisch. Hij kan sturen, contrasteren en in piekmomenten voor dat extra zetje zorgen.

Blikvangers zijn natuurlijk de twee blazers: Amado, die het hield bij tenorsax, en McPhee, die deze keer sopraansax, pockettrompet en een (witte) trompet mee had. Meteen viel ook de individuele stijl van Amado op. Die moet het niet hebben van explosief geweld, evenmin van een overdaad aan extended techniques, excessief volume of hyperritmische motiefjes. Het lijkt wel alsof hij uit al die lades snoept, maar vrij van de clichés die er vaak mee gepaard gaan. Soms met een verrassend lyrische, bedachtzame sound, even later met een drukkere hoekigheid en haast stotterende motiefjes, die hier en daar deden denken aan de ideeënstromen van Evan Parker. Alleszins mooi om te horen hoe in het eerste, kloeke stuk (meteen goed voor zo’n 20 minuten) ruimte was voor korte solomomenten en tijdelijke deelfracties, maar ook momenten van harmonieus samenspel.

De drie volgende, kortere stukken zouden variëren op die stijl van vrij improviseren, waarbij McPhee het tweede begon op pockettrompet, Amado het derde lyrisch op gang blies, en het duo tenslotte samen van start ging. Aangehouden iele tonen werden afgewisseld met grovere texturen, aangevuld met percussieve strijkstoksprongetjes op de snaren van Kessler én strijkstokklanken van Corsano, terwijl McPhee zijn soulvolle gloed, waar even zelfs een flard “My Funny Valentine” in leek op te duiken, over Amado’s soms fragiele en dan weer robuuste tenorexcursies drapeerde. Zo werd het een concert dat introspectie en woeligheid in balans hield en waarin momenten van lichtvoetig dansen werden afgewisseld met smeulende vuurtjes die altijd net onder controle gehouden werden. Als afsluiter nog een prachtige bonus waarin het allemaal nog eens op een rijtje gezet werd, van meer abstract aftasten tot een voorzichtige schwung, een tijdelijke nervositeit en momenten van harmonische schoonheid die intussen al een handelsmerk van het kwartet zijn. Het concert duurde amper een uurtje, maar dat volstond ruimschoots om de heel eigen, weldadige synergie van het kwartet uit de doeken te doen.

E-mailadres Afdrukken