Banner

Johnny O'Neal trio

18 februari 2017, N9

Jan Van Steenbrugge - foto's: Ward Spanhove - 19 februari 2017

Johnny O'Neal heeft een stem als esdoornsiroop op zondagse pannenkoeken en een pianospel waarin echo's van Oscar Peterson en Art Tatum weerklinken. He's back in bussiness, en dat bewijst hij ons in Eeklo.

Met niemand minder dan Art Blakey en Clark Terry speelde deze pianist in de jaren tachtig en enkele jaren later lanceerde Oscar Peterson hem in Carnegie Hall. Hij wist de aandacht te trekken van Dizzy Gillespie, Ray Brown en Kenny Burrell en was de belofte om de lijn van Peterson, Gene Harris en Art Tatum voort te zetten. Vreemd is het dus dat u en vele anderen nog nooit van hem gehoord zullen hebben. O'Neal is zo'n tien jaar geleden herbegonnen aan een carrière die toentertijd in de spotlights werd aangekondigd maar gesmoord werd door persoonlijke hindernissen. Met een vaste stek in enkele van New Yorks vermaarde jazzclubs, zoals Smalls en Smoke, lukte het aardig om beetje bij beetje zijn plaats tussen de andere cats op te eisen. “Een legendarische pianist”, en “een van New Yorks best bewaarde geheimen” zegt men over hem. Wie wil duiden hoe hij klinkt, verwijst graag naar Oscar Peterson en Art Tatum. En zingen doet-ie als Joe Williams, maar met de zachtheid van Chet Baker.

Hij tourt met jong talent: de uit Israël afkomstige Itay Morchi op drums en bassist Ben Rubens uit New Jersey. Beiden keurig in kostuum (een zelfs met classy dasspeld), maar geen van hen kan tippen aan de klederdracht van de pianist. Met zijn glittervest, glitterbril, glitterstrik en een collectie grappen en grollen achter de hand wint hij in luttele ogenblikken alle harten in de zaal, een zestigtal zijn dat er. O'Neal is van een generatie muzikanten die moeiteloos het evenwicht behoudt tussen entertainment en muziek. Het is nu eenmaal niet vanzelfsprekend om je als jazzmuzikant te wringen tussen alle alternatieven die een zaterdagavond biedt. Daar heeft hij trucjes voor. Een daarvan is ongetwijfeld het opzwepende karakter van de swing, dat energie haalt uit de dynamiek van de begeleiding.

alt

Om zeker te zijn iederéén wakker blijft, zit hier en daar een goeie scheut komedie. Zoals dat moment waarop hij de grenzen van het klavier te buiten gaat en bijna naast de piano valt (netjes gevolgd door zijn kompanen op drums en contrabas). Of die keren dat hij zo stil speelt dat hij de toetsen zelfs niet raakt. Hier een nummer voor alle “magnific ladies in the house” ("With Every Breath I Take"), daar een ballade voor de koppels in de zaal (“You Showed Me The Way"), scatsolo's die mooie herinneringen aan Clark Terry oproepen (op het luchtige "Sunday") en "And I Love Her", van The Beatles. Wij onthouden vooral zijn versie van “Fee Fi Fo Fum”, een hommage aan Art Tatum ("Please Be Kind"), het lichte pianospel met tierlantijntjes en vooral die stem. Is alles dan smaakvol? Nee, dat niet. De ritmesectie mag gerust wat stouter spelen. Dat hun adoratie voor de innemende pianist groot is, is duidelijk. Maar het lijkt erop dat dat hen belemmerde om hier en daar een uitdaging te zoeken en zelf een sturende rol te spelen. In enkele nummers, zoals “Overjoyed” van Stevie Wonder, vindt het drietal geen klik. En de setlist kon misschien een paar ballads korter.

Zowel Morchi als Rubens worden verplicht om zelf even een woordje tot het publiek te richten. Dat O’Neal hen zo wil leren hoe belangrijk het is om oog te hebben voor je fans, is duidelijk. Daarmee lijkt het podium eventjes op een stageplaats zonder koffiepadmachine, maar we vinden het best charmant. We zijn blij dat we mister O'Neal leerden kennen. En hij zal ons ook niet vergeten. Al was het maar omdat hij in Eeklo voor het eerst in zijn leven de kans kreeg om op een Fazioli-piano te spelen. Zijn entourage droomde trouwens luidop over een passage langs Gent Jazz, dus wie weet zien we hem binnenkort terug.

E-mailadres Afdrukken